Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11518

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.9109 en NL17.9112
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 56, eerste lid, Vw ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.9109 en NL17.9112

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer],

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer],

en hun minderjarige kinderen,

[kind 1] , V-nummer [V-nummer], en

[kind 2] , V-nummer [V-nummer],

hierna te noemen eisers

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis).

Procesverloop

Bij separate besluiten van 22 augustus 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eiser en eiseres in het belang van de openbare orde de maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De maatregel die aan eiseres is opgelegd ziet ook op de minderjarige kinderen.

Op 20 september 2017 hebben eisers tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld bij de rechtbank.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000, bestaan uit:

a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of

b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.

Volgens het beleid van verweerder zoals verwoord in paragraaf A5/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) – voor zover hier van belang – kan de maatregel in beginsel in ieder geval worden opgelegd aan de vreemdeling van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen en ook aan de vreemdeling die een vertrekplicht heeft en die voorafgaande aan de maatregel in de opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of gemeentelijke (nood)opvang heeft verbleven. Aan een gezin met minderjarige kinderen wordt gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van artikel 56 Vw opgelegd als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is sprake van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid – ook als op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan, het vertrek van het gezin kan niet binnen veertien dagen worden gerealiseerd, het gezin heeft voorafgaande aan de maatregel in de opvang verbleven of het gezin is in de illegaliteit aangetroffen. Bij gezinnen met minderjarige kinderen wordt om het vertrek voor te bereiden zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vrijheidsbeperkende locatie of een gezinslocatie.

2. Verweerder heeft eisers bij de bestreden besluiten in het belang van de openbare orde de maatregel van beperking van de vrijheid van beweging opgelegd zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw. Ingevolge deze maatregel dienen eisers zich met ingang van 11 augustus 2017 op de houden in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) Gezinslocatie (GL) [plaats]. Verweerder heeft hierbij van belang geacht dat eisers geen vaste woon- of verblijfplaats hebben noch over voldoende middelen van bestaan beschikken. Volgens verweerder bestaat hierdoor het gevaar dat eisers zich aan de uitzetting zullen onttrekken.

3. Gemachtigde van eisers heeft ter zitting betoogd dat eisers zich niet met de oplegging van de maatregel kunnen verenigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat eisers voorafgaand aan de oplegging van de maatregel in een COA-locatie in [plaats] verbleven, dat zij het daar goed hadden en dat de voorzieningen in de GL [plaats] waar zij nu verblijven slecht zijn. Volgens gemachtigde van eisers kan de enkele omstandigheid dat eisers geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende bestaansmiddelen hebben voorts zonder nadere motivering niet de conclusie dragen dat eisers zich aan een eventuele toekomstige uitzetting zullen onttrekken. Daarbij stelt gemachtigde van eisers dat eisers zich niet aan uitzetting zullen onttrekken, nu zij een gezin vormen bestaande uit onder meer twee kinderen en een zwangere vrouw. Verder voert gemachtigde van eisers aan dat eisers gelet op hun verblijf in de COA-locatie in [plaats] wel degelijk een vaste woon- of verblijfplaats hadden. Daarbij is er volgens gemachtigde van verweerder geen zicht op uitzetting, nu eiser de Libische nationaliteit bezit en er geen uitzettingen naar Libië plaatsvinden, en nu eisers een – gelet op eisers herkomst uit Libië – kansrijke asielaanvraag hebben ingediend.

4. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval bevoegd was de maatregel op grond van artikel 56 van de Vw op te leggen. De beroepsgronden slagen niet. Zoals door gemachtigde van verweerder ter zitting terecht is aangevoerd hebben eisers momenteel geen rechtmatig verblijf, aangezien tot dusver slechts sprake is van een kennisgeving van een asielaanvraag en niet van een daadwerkelijk ondertekende asielaanvraag. Eisers kunnen derhalve (nog) geen aanspraak maken op opvang en voorzieningen van het COA, waardoor verder verblijf in de COA-locatie in [plaats] (nu) niet mogelijk is.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat er een gevaar op onttrekking aan de uitzetting bestaat. Zoals door gemachtigde van verweerder ter zitting is betoogd hebben eisers niet alleen geen rechtmatig verblijf, geen vaste woon- verblijfplaats en geen bestaansmiddelen, maar komt het bovendien vaker voor dat vreemdelingen zich na kennisgeving van een (opvolgende) asielaanvraag aan de uitzetting onttrekken. Dat eisers voorafgaand aan overplaatsing naar de GL [plaats] in een COA-locatie in [plaats] hebben verbleven maakt niet dat kan worden gesproken van een vaste woon- of verblijfplaats. Uit vaste jurisprudentie volgt immers dat pas sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats indien men ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP). Dat er geen zicht op uitzetting bestaat omdat er geen uitzettingen naar Libië plaatsvinden en omdat eisers een kansrijke asielaanvraag hebben ingediend kan de rechtbank niet volgen. Nog daargelaten dat eisers nog geen daadwerkelijke asielaanvraag maar slechts een kennisgeving hebben ingediend, kan de rechtbank niet op de beslissing van verweerder op de eventuele toekomstige asielaanvragen van eisers vooruitlopen. Daarbij blijkt uit het rapport van het op 1 september 2017 met eisers gevoerde vertrekgesprek dat het uitgangspunt is dat eisers, indien hun eventuele asielaanvraag wordt afgewezen, niet naar Libië maar naar Oekraïne, het land van herkomst van eiseres, zullen worden uitgezet.

Overigens merkt de rechtbank op dat uit hetgeen gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangevoerd blijkt dat eisers in november 2017, indien zij dan zoals gepland hun asielaanvragen ondertekenen, wel weer aanspraak kunnen maken op opvang en voorzieningen van het COA.

7. De beroepen dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.