Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11511

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.8431 en NL17.8437
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag, broers uit Burundi, ongeloofwaardig relaas, niet betwist, medische omstandigheden niet van dien aard dat verklaringen niet kunnen worden tegengeworpen. Beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8431 en NL17.8437


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser 1]

en

[eiser 2] ,

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: drs. F. Gieskes).


Procesverloop
Bij besluiten van 8 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL17.8432 en NL17.8438, plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Nsabimbona. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1992 en [geboortedatum] 1995 en de Burundische nationaliteit te hebben. Eisers zijn broers.

2. Eisers hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer vrezen voor de Imbonirakure, de jongeren militie van de CNDD-FDD partij. Op 4 augustus 2015 hoorden eisers dat een generaal was gedood. Twee weken later verschenen militairen bij het huis van hun gezin en beschuldigden de Rwandese Tutsi-moeder van eisers, dat zij over informatie zou beschikken over de dood van de generaal. Ook is de Burundische Hutu-vader van eiser ervan beschuldigd niet aanwezig te zijn geweest op vergaderingen van de CNDD-FDD partij te Mpanda. Eisers zijn vervolgens met hun ouders afgevoerd naar het militair kamp van Gihanga. Drie weken later is de moeder van eisers vrijgelaten vanwege hartproblemen. Na drie maanden is de vader van eisers doodgeschoten. Eisers zijn op enig moment geholpen te ontsnappen. Bij thuiskomst hoorden zij dat hun moeder en hun zusje naar Rwanda waren vertrokken. Eisers zijn vervolgens ook naar Rwanda gereisd. Daar zijn ze aangehouden door militairen en in de gevangenis gezet. Met behulp van een bewaker en hun tante zijn ze ontsnapt.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers;

- de inval van militairen in het huis van eisers en de daaropvolgende arrestatie;

- de detentie en de ontsnapping.

5. Verweerder acht de verklaringen van eisers over hun identiteit en hun verklaring dat zij slechts beschikken over de Burundische nationaliteit ongeloofwaardig. Ook de andere relevante elementen worden door verweerder ongeloofwaardig geacht. De rechtbank zal – in het licht van de beroepsgronden – toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers hun identiteit en nationaliteit niet aannemelijk hebben gemaakt.

Verweerder heeft eisers terecht tegengeworpen dat zij de Rwandese paspoorten waarmee zij hebben gereisd niet hebben overgelegd, zodat de mogelijkheid ontbreekt om deze te controleren op authenticiteit. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het afstaan van deze documenten aan de reisagent hen kan worden aangerekend, omdat eisers zich reeds op doorreis bevonden en zij deze documenten hebben gebruikt om van Kenia naar Nederland te reizen. Verweerder heeft eisers ook niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers ongeloofwaardige verklaringen hebben afgelegd over de wijze waarop zij deze Rwandese paspoorten hebben verkregen.

Verweerder heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eisers met de in beroep overlegde kopieën van schoolkaarten hun identiteit, en dus ook hun gestelde leeftijd, niet aannemelijk hebben gemaakt. Nog daargelaten dat slechts kopieën zijn overgelegd, kunnen deze schoolkaarten niet als identiteitsbewijs worden beschouwd.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich eveneens niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers de overige relevante elementen niet aannemelijk hebben gemaakt. Verweerder heeft zich niet onrechte op het standpunt gesteld dat, nu uit de paspoorten blijkt dat eisers in Burundi zijn geboren, daarvan wordt uitgegaan bij de beoordeling van de overige elementen. Daargelaten of verweerder is uitgegaan van de juiste verblijfplaats van eisers, heeft verweerder eisers terecht tegengeworpen dat, gelet op het grote aantal tegenstrijdigheden in hun verklaringen over de inval van militairen en de daaropvolgende arrestatie, zij deze gebeurtenissen reeds hierom niet aannemelijk hebben gemaakt.

Verweerder heeft zich eveneens niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, nu eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de detentie en de daarop volgende ontsnapping, ook dit element niet geloofwaardig wordt geacht.

Ten aanzien van het betoog van eisers dat hun verklaringen overeenkomen met informatie uit openbare bronnen, waaruit blijkt dat vanaf september 2015 sprake is geweest van toename in het aantal arrestaties, detenties en moorden in Burundi, overweegt de rechtbank dat dit niet met zich brengt dat eisers hun eigen asielrelaas met betrekking tot de arrestatie en detentie aannemelijk hebben gemaakt.

9. Ten aanzien van het betoog van eisers dat hun tegenstrijdige verklaringen hen niet kunnen worden aangerekend, overweegt de rechtbank als volgt.

Voorafgaand aan en met het oog op het horen en beslissen in de asielprocedure heeft verweerder eisers door de FMMU laten onderzoeken. In de FMMU-adviezen wordt geen melding gemaakt van de omstandigheid dat sprake is van een trauma en de herbeleving daarvan, dan wel van andere klachten zoals geheugenverlies en een gebrekkige concentratie waardoor niet eenduidig kan worden verklaard. Volgens de rapporten van het nader gehoor hebben eisers desgevraagd bevestigd dat er geen medische redenen zijn waarom het gehoor niet zou kunnen plaatsvinden. Ook heeft de verweerder eisers er tijdens het nader gehoor op gewezen dat hij rekening zal houden met de FMMU-adviezen. De rapporten van het nader gehoor geven er geen blijk van dat verweerder de FMMU-adviezen niet in acht heeft genomen en bij het horen geen rekening heeft gehouden met de beperkingen van eisers. Voorts blijkt uit de rapporten van het gehoor niet dat eisers ten tijde van het gehoor onmiskenbaar niet in staat waren hun asielrelaas naar voren te brengen en vragen daarover te beantwoorden. Bovendien geven de gehoren geen blijk van hoog oplopende emoties waardoor eisers niet eenduidig zouden hebben kunnen verklaren. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet ten onrechte op de door eisers tijdens het gehoor afgelegde verklaringen gebaseerd en heeft hij in zoverre niet ten onrechte geen nader onderzoek laten verrichten. Ook in het feit dat de stichting iMMO bereid is eiser [eiser 2] nader te onderzoeken heeft verweerder niet ten onrechte geen aanleiding gezien nader onderzoek te laten verrichten en de aanvraag aan te houden.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Burundi hebben te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

11. Eisers komen niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvragen zijn, gelet op artikel 30b, eerste lid, onder c en e, van de Vw, terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.