Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11498

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
03-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 361
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond; geen bewijs voor intrekking en terugvordering over de gehele periode.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/361

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 oktober 2017 in de zaak tussen

[eisers], te [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. O. Huisman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2016 (primair besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers ingevolge de Participatiewet (Pw) herzien (lees: ingetrokken) over de periode van

1 januari 2011 tot en met 9 december 2014 en een bedrag van € 63.034,26 teruggevorderd.

Bij besluit van 8 juli 2016 (primair besluit II) heeft verweerder het bedrag van de terugvordering verhoogd met de daarover betaalde belasting en premies tot een totaalbedrag van € 73.922,23.

Bij besluit van 5 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eisers ontvingen met ingang van 1 juni 2006 gezinsbijstand, laatstelijk ingevolge de Pw. Door de sociale recherche van de gemeente Den Haag is onder leiding van de officier van justitie een strafrechtelijk onderzoek verricht naar vermeende uitkeringsfraude door eisers. Zij worden ervan verdacht in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 december 2014 op geld waardeerbare werkzaamheden te hebben verricht, te hebben beschikt over vermogen in de vorm van een auto, te hebben beschikt over bankrekeningen op naam van derden en het door middel van frauduleuze handelingen verwerven van inkomsten. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek [strafrechtelijk onderzoek] van de Financiële Recherche Unit van de politie Den Haag, waarbij eiser [eiser] ([eiser]) als verdachte naar voren was gekomen.

1.3.

Op grond van de uitkomsten van het onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat [eiser] tijdens zijn verblijf in Turkije op 21 juni 2012 een money transfer heeft ontvangen van € 1.960,-, de beschikking heeft gehad over vermogen in de vorm van een auto, de beschikking had over op naam van derden staande bankrekeningen, inkomsten verwierf middels frauduleuze handelingen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Omdat eisers daarvan bij verweerder geen melding hebben gemaakt, heeft verweerder bij primair besluit I de bijstandsuitkering herzien en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 december 2014 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Bij primair besluit II heeft verweerder de terugvordering gebruteerd tot een bedrag van € 73.922,23. Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

2. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en voeren daartoe gemotiveerd aan dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat [eiser] in de (gehele) periode in geding op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Pw in werking getreden en is de Wet werk en bijstand (Wwb) komen te vervallen. Sindsdien is de Pw de formele bevoegdheidsgrondslag voor het toekennen, herzien, intrekken en terugvorderen van bijstand. Het bestreden besluit heeft geheel betrekking op het recht op bijstand in een periode die vóór 1 januari 2015 ligt. In zoverre moet het bestreden besluit worden getoetst aan de materiële bepalingen van de wetgeving zoals die gold vóór 1 januari 2015, dus aan de bepalingen van de Wwb. Omdat het primaire terugvorderingsbesluit is genomen na 1 januari 2015 en de vordering daarom ook na die datum is ontstaan, moet het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betreft, worden getoetst aan de bepalingen van de Pw. Voor zover verweerder het voorgaande in de besluitvorming heeft miskend, verbindt de rechtbank daaraan geen consequenties. Eisers zijn immers niet in hun belangen geschaad, omdat de grondslag voor de intrekking in materieel opzicht met de invoering van de Pw niet is gewijzigd.

4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb - voor zover van belang - doet de belanghebbende aan het college op verzoek mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Pw - voor zover van belang - herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.4.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw - voor zover van belang - vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb.

5. De rechtbank stelt voorop dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat in de hier in geding zijnde periode sprake is geweest van een toename van het vermogen van eisers. Dit is door verweerder ter zitting ook erkend. De aan de besluitvorming ten grondslag gelegde omstandigheden dat sprake is geweest van het beschikken over een auto en een money transfer van € 1.960,- moeten volgens verweerder dan ook in het licht van de op geld waardeerbare werkzaamheden van [eiser] worden gezien. Volgens verweerder berust het bestreden besluit geheel op het standpunt dat [eiser] in de periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De beoordeling door de rechtbank blijft dan ook daartoe beperkt.

6.1.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een besluit tot herziening of intrekking van het recht op bijstand een belastend besluit. Dit brengt met zich dat het in de eerste plaats aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksresultaten een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat [eiser] in de periode van december 2012 tot de tweede week van december 2013 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [B.V. X]. Het volgende ligt aan dit oordeel ten grondslag.

6.3.

[persoon A] is werkzaam geweest bij [B.V. X] en heeft op 18 december 2013 bij de politie onder meer verklaard dat hij tijdens zijn sollicitatiegesprek in december 2012 gesproken heeft met [eiser] en later ook met de eigenaar van [B.V. X], [eigenaar B.V. X]. [eigenaar B.V. X] heeft [persoon A] aangenomen in overleg met [eiser]. Volgens [persoon A] was [eiser] betrokken bij de keuze voor het aan te schaffen softwarepakket, had [eiser] een eigen computer en was [eiser] (samen met [persoon A]) administrateur. Naar eigen verklaring van [persoon A], was [persoon A] eind januari 2013 er eigenlijk altijd en [eiser] was er dan ook. [eigenaar B.V. X] had de leiding over het bedrijf, maar bij diens afwezigheid nam [eiser] de leiding over. Er was altijd overleg tussen [eigenaar B.V. X] en [eiser]. Ook heeft [persoon A] verklaard dat [eiser] binnen het bedrijf de belastingaangiftes voor aannemers deed, hij merendeels van [eiser] werkopdrachten kreeg en dat de facturen van het bedrijf door [eiser] werden opgemaakt. [persoon A] is in februari 2013 ontslagen naar aanleiding van de diefstal van een fles drank.

6.4.

Voorts acht de rechtbank de verklaring van getuige [persoon B] van belang. Hij heeft op 12 maart 2014 tegenover de politie onder meer verklaard dat hij eind mei 2013 gesolliciteerd heeft bij [B.V. X] als boekhouder en dat hij tijdens zijn sollicitatie tweemaal gesproken heeft met [eiser]. [persoon B] is eind juli/begin augustus 2013 in dienst getreden bij [B.V. X] en is er tot de tweede week van december 2013 werkzaam geweest. Daarnaast heeft hij verklaard dat als het tijd was voor het doen van de aangifte omzetbelasting hij overleg had met [eiser], hij zowel van [eiser] als van de eigenaar [eigenaar B.V. X] opdrachten kreeg, [eiser] veel meer op kantoor was dan [eigenaar B.V. X], [eiser] elke dag het kantoor kwam openen en sluiten, [eiser] in de ochtenduren tot 13.00-14.00 uur op kantoor bleef, daarna naar huis ging en weer terugkwam om het pand te sluiten. Tot slot volgt uit deze verklaring dat [eiser] de facturen maakte voor [B.V. X], hij ook klanten bezocht en een vaste werkplek had.

6.5.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de getuigen [persoon A] en [persoon B] betrouwbaar, omdat deze onafhankelijk van elkaar tegenover de politie zijn afgelegd en de verklaringen elkaar op veel punten ondersteunen. Ook zijn de getuigen niet in dezelfde periode werkzaam geweest bij het bedrijf en is ook overigens niet gebleken dat zij elkaar kennen of hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Uit de verklaringen leidt de rechtbank af dat [eiser] in de periodes waarop deze verklaringen betrekking hebben op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht voor [B.V. X].

6.6.

Daarnaast acht de rechtbank de inhoud van de tapgesprekken tussen [eiser] en [eigenaar B.V. X] in de periode van 2 juli 2013 tot en met 20 september 2013 van belang. Uit de inhoud van deze gesprekken volgt niet alleen, zoals eisers erkennen, dat er veel contact is geweest tussen [eiser] en [eigenaar B.V. X]. Uit de getapte gesprekken blijkt ook dat zij regelmatig praten over het bedrijf, de aanwezigheid van [eiser] daar, de werkzaamheden en de werknemers. Daarbij stelt de rechtbank vast dat [eiser] niet slechts bij [eigenaar B.V. X] informeert naar het reilen en zeilen van diens bedrijf. Duidelijk is dat [eiser] bij [B.V. X] een eigen rol heeft met eigen werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Zo blijkt uit het verslag van het gesprek op 17 september 2013 dat [eiser] zelfstandig twee projecten heeft aangenomen. Uit het verslag van het gesprek op 13 augustus 2013 blijkt dat [eiser] werkafspraken met [persoon B] heeft gemaakt en zegt [eigenaar B.V. X] dat [eiser] de gewerkte uren van [persoon B] moet bijhouden. Uit het gespreksverslag van 19 september 2013 blijkt dat [eiser] bij [eigenaar B.V. X] vraagt naar een oplossing voor de facturen en vraagt hij [eigenaar B.V. X] wanneer hij, [eiser], de facturen moet versturen.

6.7.

De getuigenverklaringen en de inhoud van de tapgesprekken worden ondersteund door het volgende. [eiser] heeft in (een deel van) de periode van december 2012 tot en met de tweede week van december 2013 gebruik gemaakt van een telefoon op naam van [B.V. X]. Voorts heeft hij gereden in een auto op naam van dit bedrijf, waarmee hij op 26 januari 2013 als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval. In deze auto is werkbescheiden van [B.V. X] gevonden alsmede een visitekaartje met daarop vermeld de naam van [eiser] en de naam [naam B.V. X]. De daarover ingenomen standpunten van eisers acht de rechtbank, in het licht bezien van al het voorgaande, niet aannemelijk.

6.8.

Voornoemd bewijs rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat [eiser] in de periode van december 2012 tot en met de eerste week van december 2013 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf [B.V. X], van welke werkzaamheden eisers geen melding hebben gemaakt bij verweerder. Nu het eisers redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de werkzaamheden van [eiser] voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, hebben zij, door van die werkzaamheden geen melding te maken bij verweerder, de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb geschonden.

6.9.

Voor de periodes voorafgaand aan december 2012 en na de eerste week van december 2013 is onvoldoende bewijs aanwezig ter onderbouwing van het standpunt dat [eiser] ook in deze periodes op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

Voor het standpunt dat [eiser] wederrechtelijk verkregen voordeel uit frauduleuze overboekingen heeft ontvangen ontbreekt ieder concreet bewijsmiddel. Het dossier bevat slechts vermoedens van die strekking. Ook ten aanzien van de money transfer op

21 juni 2012 ontbreekt draagkrachtig bewijs. In het dossier bevindt zich slechts de opmerking in het proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2014 (dossierstuk 162) dat in het bedrijfsprocessensysteem van de politie Den Haag een mutatie voorkomt, inhoudende een Melding Ongebruikelijke Transacties, dat [eigenaar B.V. X] aan [eiser] € 1.960,- heeft overgemaakt. Deze opmerking in het proces-verbaal is, zonder het onderliggend bewijs, onvoldoende om van de feitelijke juistheid van de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde money transfer uit te gaan. De rechtbank laat daarbij nog daar dat verweerder niet heeft gemotiveerd hoe deze money transfer bijdraagt aan zijn conclusie dat [eiser] op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

7. Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting

een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Gelet op bovenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van eisers in de periode van december 2012 tot en met december 2013 - nu het recht op bijstand per maand wordt vastgesteld en in de maand december 2013 nog werkzaamheden zijn verricht door [eiser] - niet vast te stellen is. Een (deugdelijke) administratie van de werkzaamheden van [eiser] ontbreekt en op grond van de stukken is niet voldoende inzicht te krijgen in het geheel van de door [eiser] verrichte activiteiten en de in verband daarmee ontvangen inkomsten en gedane uitgaven.

8. Verweerder is op grond van het voorgaande ten onrechte tot intrekking en terugvordering van het recht op bijstand voorafgaand aan december 2012 en na

december 2013 overgegaan. Het bestreden besluit is niet voorafgegaan door een zorgvuldige voorbereiding en berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, zoals hierna in de beslissing vermeld, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding tot toepassing van een bestuurlijke lus of andere vormen van finale geschilbeslechting. Verweerder kan immers het geconstateerde gebrek herstellen door de intrekking en terugvordering te beperken tot de periode van december 2012 tot en met december 2013 dan wel alsnog trachten bewijs te vergaren over de gehele periode in geding. Nu het de rechtbank niet duidelijk is welk alternatief de voorkeur van verweerder heeft en de laatstgenoemde optie nader onderzoek vergt, waarvan niet duidelijk is op welke termijn dit kan worden afgerond, zal zij volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder voor de nieuw te nemen beslissing geen termijn stellen, maar brengt uitdrukkelijk onder de aandacht dat verweerder blijkens de Memorie van Toelichting behorende bij artikel 8:72 van de Awb gehouden is de nieuwe beslissing zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te nemen en dat daarbij in elk geval met bijzondere voortvarendheid dient te worden gehandeld.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het recht op bijstand van eisers is ingetrokken over de periodes voorafgaand aan december 2012 en na december 2013 en voor zover het betreft de terugvordering;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan op 5 oktober 2017 door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. A.L. Frenkel en mr. L. Koper, leden, in aanwezigheid van mr. M. Demoed-van Dongen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.