Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11488

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.7761
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel Algerije, dienstplicht, geloofwaardigheid, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7761


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).


Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.7762, plaatsgevonden op 19 september 2017. Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 17 augustus 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft hij, samengevat, het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en bezit de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft Algerije verlaten omdat hij de dienstplicht niet wil vervullen. Daarnaast heeft hij problemen gehad met gewapende groeperingen, waardoor hij in het ziekenhuis is beland.

2. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. De redenen voor het verlaten van zijn land van herkomst.

Eiser heeft geen relevante documenten overgelegd die zijn identiteit en herkomst aantonen. Daarnaast heeft hij verklaard eind 2011 18 jaar oud te zijn geweest, terwijl hij volgens zijn eigen opgegeven geboortedatum 17 jaar oud was. Dit doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn identiteit en herkomst. Dat eiser in het geheel geen documenten kan overleggen met betrekking tot deze elementen wordt hem tegengeworpen. Eisers nationaliteit wordt door verweerder wel geloofwaardig geacht.

Ten aanzien van de militaire dienstplicht heeft verweerder overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de dienstplicht moet vervullen, en dat hij niet inzichtelijk heeft kunnen maken waarom hij niet in dienst wil. Verweerder hecht daarom geen geloof aan eisers stelling dat hij wegens de dienstplicht Algerije heeft verlaten.

Ten aanzien van de problemen met de gewapende groeperingen heeft eiser geen coherente en concrete verklaring afgelegd, waardoor aan deze problemen geen geloof gehecht wordt.

Nu Algerije als veilig derde land wordt aangemerkt en eiser niet heeft aangetoond dat er in zijn geval niet van kan worden uitgegaan, is eisers aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.

3. Eiser is van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit en herkomst ondersteunen, nu hij op jonge leeftijd Algerije heeft verlaten. De rechtbank stelt voorop dat het aan de vreemdeling is zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. De rechtbank overweegt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn herkomst en identiteit niet aannemelijk gemaakt heeft. Eiser heeft namelijk in het geheel geen documenten betreffende zijn identiteit overgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op zeer jonge leeftijd uit Algerije is vertrokken en toen nog niet in het bezit was van een identiteitsdocument. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser op het moment dat hij beweerdelijk uit Algerije vertrok, wel in het bezit had kunnen zijn van een identiteitskaart. Daarnaast heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser in het geheel geen documenten heeft overgelegd met betrekking tot zijn identiteit. Vanwege het ontbreken van enig identificerend document heeft verweerder de identiteit en herkomst van eiser terecht ongeloofwaardig geacht.

4. De rechtbank stelt verder voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:630) heeft geoordeeld dat Algerije als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt en dat het dan aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat in zijn geval geen bescherming kan worden verkregen.

Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet onderbouwd dat de autoriteiten hem voor wat betreft de gestelde problemen met gewapende groeperingen, zo die al geloofwaardig zijn, niet kunnen of willen helpen. Niet is gebleken dat eiser zich hiervoor tot de autoriteiten heeft gewend terwijl dit wel van hem had mogen verwacht.

5. Voor wat betreft de problemen vanwege de gesteld dienstweigering heeft verweerder deze problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daartoe heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser zijn gestelde oproep niet heeft overgelegd en hiermee zijn dienstplicht niet heeft onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder de verklaringen die eiser heeft gegeven voor zijn dienstplichtweigering niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, nu zijn verklaringen vaag, summier en niet concreet zijn.

6. Dat Algerije in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is, heeft eiser gelet op het voorgaande dan ook niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.