Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.7689
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag, ongegrond, geloofwaardigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7689


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).


Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.7690, plaatsgevonden op 19 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Ghanbari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 27 december 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aan deze aanvraag heeft hij, samengevat, het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en bezit de Iraanse nationaliteit. Hij loopt vanwege zijn seksuele geaardheid gevaar in Iran. Hij heeft in Iran diverse relaties gehad met (jonge) mannen. Als gevolg van een van die relaties, met een vriend van zijn broer, heeft hij in 2006 vier maanden gevangenisstraf en zweepslagen ondergaan. In 2013 is eiser nogmaals aangehouden nadat hij via een applicatie op zijn telefoon, Gay-chat, een afspraak had gemaakt met een man. Eiser is toen twee dagen vastgehouden op het politiebureau en is pas vrijgelaten toen hij een verklaring ondertekend had. In de zomer van 2015 heeft eiser een relatie gekregen met zijn werknemer, [persoon A]. Op een dag zag eiser politie bij zijn winkel, [persoon A] werd daar geslagen door zijn vader. Eiser is weggegaan en heeft bij een vriend verbleven. Hij heeft telefonisch contact gehad met [persoon A], die hem heeft aangeraden uit de buurt te blijven. [persoon A's] vader zou aangifte tegen eiser hebben gedaan. Eiser is daarop gevlucht.

2. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1. Identiteit, herkomst en nationaliteit van eiser;

2. Eiser heeft verklaard homoseksueel te zijn;

3. Eiser heeft verklaard problemen te hebben ondervonden vanwege zijn seksuele geaardheid;

4. Eiser heeft verklaard afvallig te zijn.

3. Bij besluit van 25 augustus 2017 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen en daaraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft het in rechtsoverweging 2 onder 1 vermelde element geloofwaardig geacht. De elementen onder 2, 3 en 4 heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de gronden van artikel 29 van de Vw 2000, aldus verweerder.

4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd ten aanzien van zijn gestelde afvalligheid. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser dit bevestigd. Daarbij heeft hij aangegeven dat het zwaartepunt in deze zaak wat hem betreft ligt op de beoordeling van zijn homoseksuele relatie in Nederland en de eventuele gevolgen daarvan bij terugkeer naar Afghanistan.

6. Ten aanzien van de seksuele gerichtheid van eiser overweegt de rechtbank als volgt.

Bij uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder aan de hand van de in werkinstructie 2015/9 weergegeven onderzoeksmethode op een zorgvuldige manier onderzoek doet naar een gestelde seksuele geaardheid en dat verweerder met deze werkinstructie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid worden beoordeeld.

Eiser plaatst kritische kanttekeningen bij de onderzoeksmethode van verweerder en wijst ter onderbouwing hiervan naar enkele publicaties. Naar het oordeel van de rechtbank doen deze publicaties niet af aan het voornoemde oordeel van de Afdeling.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder in het onderhavige geval overeenkomstig de gedragslijn en de werkinstructie heeft gehoord en beslist. Aan de orde is de vraag of verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de door eiser gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het zeer uitgebreide voornemen en besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft zich eveneens niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om overtuigende verklaringen af te leggen over zijn bewustwordings- en zelfacceptatieproces. Eiser heeft verschillend verklaard over het moment waarop hij homoseksuele gevoelens kreeg, over zijn eerste verliefdheid en over zijn bewustwording met betrekking tot zijn seksuele geaardheid. Hij heeft ook wisselend verklaard over moeilijkheden of twijfels ten aanzien van homoseksualiteit. Juist nu eiser afkomstig is uit een land waar homo’s een zeer slechte maatschappelijke positie hebben en het risico lopen gedood te worden, mag van hem worden verwacht dat hij het proces van bewustwording en de wijze waarop hij zijn gerichtheid, nadat hij zich daarvan bewust is geworden, heeft geaccepteerd, inzichtelijk kan maken. Eiser is hier niet in geslaagd. Aangezien de gestelde problemen voortvloeien uit de gestelde homoseksualiteit heeft verweerder deze problemen op goede gronden ook niet geloofwaardig geacht. Het betoog van eiser faalt.

7. Eiser beroept zich ten slotte op zijn huidige relatie met [persoon B]. Gelet op deze relatie dient eisers homoseksualiteit alsnog aannemelijk geacht te worden, aldus eiser. Bij terugkeer loopt hij daarom een risico tot behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank overweegt het volgende. De door eiser gestelde relatie met [persoon B] doet niet af aan de constatering dat eiser geen inzicht heeft verschaft in het proces van bewustwording en zelfacceptatie, zoals onder punt 6 overwogen. De kern van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid ligt bij de beoordeling van een asielaanvraag vooral op dit punt – naar het oordeel van de rechtbank terecht.

De door eiser gestelde relatie doet geen afbreuk aan de uitkomst van de beoordeling dat eisers verklaringen met betrekking tot zijn homoseksualiteit niet geloofwaardig zijn geacht. Daarbij neemt de rechtbank ook de korte duur van die gestelde relatie en de door [persoon B] ingediende aanvraag om gezinshereniging met zijn in Iran verblijvende zoon in aanmerking.

8. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.