Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11479

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.9204
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 59 Vreemdelingenwet, beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9204


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.M. van der Vlis).


Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.K. van Middelkoop, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.K. Abashidze. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1988 en de Georgische nationaliteit te bezitten.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:


3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.

Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:


4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Namens eiser is ter zitting aangevoerd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, waarbij erop is gewezen dat eiser Nederland volgens de regels van de Dublinverordening is ingereisd. Dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om Nederland te verlaten en dat hij te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer is onjuist, nu hij nog in procedure is en er dus nog geen vertrekplicht bestaat. Dat eiser meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid wordt namens eiser eveneens bestreden.

4. Hoewel een aantal van de zware en lichte gronden worden betwist, is namens eiser ter zitting nadrukkelijk aangegeven dat de overige gronden de maatregel kunnen dragen. Ook naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden die niet zijn betwist, ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb, voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder ook de bestreden zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. De omstandigheid dat eiser Nederland op grond van de Dublinverordening is ingereisd maakt niet dat hij Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Zoals gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht is een laissez-passer dat ter uitvoering van de Dublinverordening wordt verstrekt geen geldig grensoverschrijdingsdocument dan kan dienen ter staving van identiteit en nationaliteit. Nu eiser blijkens hetgeen in de maatregel en ook door gemachtigde van verweerder ter zitting is betoogd tot dusver geen enkel document ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft overgelegd, heeft verweerder hieraan naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden mogen verbinden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd.

Verweerder concludeert voorts terecht dat eiser eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven, en dat eiser meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid. Eiser heeft immers blijkens zijn dossier al tweemaal asiel aangevraagd in Nederland, welke aanvragen bij besluiten van 24 november 2016 en 20 september 2017 zijn afgewezen. Uit deze beschikkingen vloeide tevens een vertrekplicht voort waaraan door eiser niet is voldaan. Voor zover eiser stelt dat er op hem nog geen vertrekplicht rust omdat er nog geen uitspraak is gedaan op het door hem tegen het afwijzende besluit van 20 september 2017 ingestelde beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening, wordt hij niet gevolgd. Blijkens het afwijzende besluit van 20 september 2017 heeft het instellen van beroep daartegen immers geen opschortende werking en mogen de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet in Nederland worden afgewacht.

Verweerder heeft ook op goede gronden geoordeeld dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Tijdens het vertrekgesprak van 28 augustus 2017 heeft eiser onder meer verklaard dat hij niet terug wil keren en dat hij niet aan terugkeer zal meewerken en ook tijdens het gehoor van 20 september 2017, dat aan de inbewaringstelling voorafging, heeft eiser te kennen gegeven dat hij niet bereid is terug te keren.

5. Namens eiser is ter zitting verder aangevoerd dat eiser bij aanvang van het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw ten onrechte is medegedeeld dat de vragen die hem zouden worden gesteld gelijk zijn aan de vragen die hem zijn gesteld tijdens het gehoor voorafgaande aan de eerdere inbewaringstelling op grond van artikel 59b, Vw. Omdat de grondslag voor de inbewaringstelling op 20 september 2017 een andere was dan die voor de inbewaringstelling op 22 augustus 2017 konden de vragen volgens de waarneemster van eisers gemachtigde niet dezelfde impact hebben en hetzelfde zijn. Het voorgaande leidt volgens haar tot een motiveringsgebrek in de maatregel.

6. Deze beroepsgrond slaagt vanwege het ontbreken van een voldoende onderbouwing niet. De waarneemster van eisers gemachtigde kon ter zitting desgevraagd niet inzichtelijk maken waarom en in hoeverre eiser in zijn belangen is geschaad als gevolg van het feit dat hem bij aanvang van het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling op 20 september 2017 is medegedeeld dat de vragen die hem zouden worden gesteld gelijk zijn aan de vragen die hem zijn gesteld tijdens het gehoor voorafgaande aan de eerdere inbewaringstelling. Ook kon zij desgevraagd niet duiden op welk punt eiser bij de inbewaringstelling op 20 september 2017 andere vragen hadden moeten worden gesteld dan bij de eerdere inbewaringstelling.

7. Namens eiser is ter zitting verder verwezen naar een verklaring in eisers dossier van het Georgische Ministerie van Buitenlandse Zaken van 26 september 2017, waaruit blijkt dat eiser als onderdaan van Georgië is geïdentificeerd en dat Georgië, op grond van artikel 2 van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, bereid is tot wedertoelating van eiser. Nu eisers beroep tegen de afwijzende asielbeschikking en zijn verzoek om een voorlopige voorziening nog aanhangig zijn, mocht verweerder eiser nog niet bij de Georgische autoriteiten presenteren. De waarneemster van eisers gemachtigde heeft in dit verband verwezen naar paragrafen A3/4.3 en A3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De presentatie van eiser bij de Georgische autoriteiten hangende het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking en zijn verzoek om voorlopige voorziening, is volgens haar in strijd met het verbod op réfoulement en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

8. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hierboven al is overwogen is eisers laatste asielaanvraag bij besluit van 20 september 2017 afgewezen. Eiser moet Nederland ingevolge dit besluit onmiddellijk verlaten. Zijn beroep tegen dit besluit heeft geen opschortende werking en hij mag de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet in Nederland afwachten. Gelet hierop ziet de rechtbank niet waarom verweerder na afwijzing van eisers herhaalde asielaanvraag bij de Georgische autoriteiten geen verzoek om wedertoelating heeft mogen indienen. Van schending van het verbod op réfoulement dan wel artikel 3 EVRM is geen sprake. Eisers beroep in dit verband op het door verweerder gevoerde beleid, zoals neergelegd in de paragrafen A3/4.3 en A3/6.3 van de Vc, slaagt niet. In paragraaf A3/4.3 van de Vc staat – voor zover hier van belang – dat de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) de presentatie van een vreemdeling bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst niet mag starten indien de (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in behandeling is bij de IND. Van een nog in behandeling zijnde asielaanvraag is in het geval van eiser geen sprake. In paragraaf A3/6.3 van de Vc wordt – samengevat weergeven – een aantal omstandigheden genoemd waaronder ondanks het bestaan van een vertrekplicht niet tot uitzetting wordt overgegaan. In het geval van eiser is van geen van deze omstandigheden sprake.

9. Namens eiser is verder aangevoerd dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, waarbij is gewezen op het feit dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij Valium, Ibuprofen, Diazepam en slaapmedicatie (heeft) gebruikt en dat hij een psycholoog en een psychiater heeft bezocht. Dit valt volgens de waarneemster van eisers gemachtigde niet te rijmen met het standpunt zoals weergegeven in de maatregel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel. Volgens de waarneemster van eisers gemachtigde heeft in dit verband geen kenbare belangenafweging plaatsgevonden. Daarbij vraagt zij zich gelet op het voorgaande af of eiser, gevraagd naar zijn zienswijze op het voornemen om hem een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, daadwerkelijk heeft geantwoord: ‘Het is prima hier.’

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende, maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Buiten beschouwing gelaten of eiser desgevraagd heeft verklaard dat hij het in de bewaringslocatie prima vindt, heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling bij herhaling verklaard dat het, ongeacht zijn medicijngebruik en zijn eerdere bezoeken aan een psychiater en psycholoog, goed met hem gaat en dat hij zich tot de medische dienst op de bewaringslocatie zal wenden als hij zich op enig moment niet goed voelt. Verweerder heeft hieraan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie mogen verbinden dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel. Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig kan worden verondersteld met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.