Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2554
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is gescheiden en een alleenstaande ouder met drie kinderen. Verweerder heeft de maandelijkse kinderalimentatie van eiseres in mindering gebracht op haar bijstandsuitkering. Daarnaast heeft verweerder – over één maand – de (geïndexeerde) kinderalimentatie verrekend met de bijstandsuitkering.

Eiseres voert aan dat in te beoordelen periode sprake was van co-ouderschap waardoor de kinderalimentatie niet volledig in mindering diende te worden gebracht op haar bijstandsuitkering. Zij had immers niet de volledige beschikkingsmacht over deze inkomsten.

De rechtbank is van oordeel dat bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt en derhalve alle middelen, alsook kinderalimentatie, van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking genomen dienen te worden. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij niet volledig kon beschikken over de kinderalimentatie die gestort wordt op de ‘en/of-rekening’. Daarbij overweegt de rechtbank dat gelet op het aanvullende karakter van de Participatiewet en de ruime omschrijving in artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet, er geen aanleiding is om de kinderalimentatie niet volledig te rekenen tot de middelen van eiseres.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bovendien bij de verrekening van de bijstandsuitkering van eiseres terecht rekening gehouden met de geïndexeerde bedragen aan kinderalimentatie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2554

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. de Jongh)

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: drs. L.J.A. Edelaar)

Procesverloop

Bij uitkeringsspecificaties van 2 september 2016 heeft verweerder de maandelijkse kinderalimentatie van € 707,93 respectievelijk € 756,75 in mindering gebracht op de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 3 december 2015 tot en met 31 augustus 2016.

Bij uitkeringsspecificatie van 26 oktober 2016 heeft verweerder de (geïndexeerde) kinderalimentatie van € 803,24 verrekend met de bijstandsuitkering van eiseres over de maand oktober 2016.

Bij besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de uitkeringsspecificaties van 2 september 2016 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 februari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de uitkeringsspecificatie van 26 oktober 2016 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is gescheiden en een alleenstaande moeder van drie kinderen. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 mei 2011 is bepaald dat de voormalige echtgenoot van eiseres met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voor de verzorging en de opvoeding van de kinderen aan eiseres, die de kinderen verzorgt en opvoedt, een bedrag van € 252,25 per maand per kind (derhalve een totaalbedrag van € 756,75 per maand) zal betalen, welk bedrag zal worden gestort op de kinderrekening van eiseres en haar voormalige echtgenoot. Eiseres en haar voormalige echtgenoot hebben op 18 augustus 2011 schriftelijk verklaard dat in voornoemde uitspraak de vermelding, dat eiseres de kinderen verzorgt en opvoedt, onjuist is en dat zij de kinderen in co-ouderschap opvoeden en verzorgen.

1.2.

Bij besluit van 19 juli 2016 is aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder per 3 december 2015. Op 2 september 2016 zijn aan eiseres uitkeringsspecificaties over de periode van 3 december 2015 tot en met 31 augustus 2016 toegezonden. Deze uitkeringsspecificaties tonen een inhouding vanwege kinderalimentatie. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat eiseres over voormelde periode over de kinderalimentatie kon beschikken, dit als inkomen aangemerkt en deze inkomsten volledig in mindering gebracht op haar bijstandsuitkering. Bij de uitkeringsspecificatie van 26 oktober 2016 heeft verweerder vervolgens het geïndexeerde bedrag aan kinderalimentatie met de bijstandsuitkering van eiseres verrekend.

2.1.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder in afwijking van het advies van

de Regionale Commissie Bezwaarschriften (de Commissie) van 22 december 2016 het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij stelt verweerder zich op het standpunt dat volgens vaste jurisprudentie het uitgangspunt is dat wanneer een bankrekening op naam van een belanghebbende staat, dat de conclusie rechtvaardigt dat het tegoed op die bankrekening een bestanddeel vormt van het inkomen of vermogen waarover de belanghebbende kan beschikken, tenzij het tegendeel wordt aangetoond. Eiseres beschikte over een bankpas om bedragen op te nemen en kon derhalve over alle bedragen welke op de en/of-rekening staan beschikken. Van enige beperking van de beschikkingsmacht van eiseres is niet gebleken. Voorts heeft verweerder naar eigen zeggen terecht het gehele bedrag aan kinderalimentatie in mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Dat eiseres en haar voormalige echtgenoot bijzondere afspraken hebben gemaakt over de betaling van de kinderalimentatie, doet volgens verweerder aan de beschikking van deze rechtbank niet af.

2.2.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hierbij stelt verweerder zich op het standpunt dat kinderalimentatie elk jaar, automatisch, wordt verhoogd met de wettelijke indexering. Eiseres heeft redelijkerwijs over deze indexering kunnen beschikken en ze had pogingen kunnen ondernemen om de aanspraak op de indexering te gelde te maken. Zij heeft dit echter nagelaten.

3.1.

Eiseres kan zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voert aan dat verweerder ten onrechte de inkomsten uit kinderalimentatie in zijn geheel heeft verrekend met de bijstandsuitkering van eiseres. In de te beoordelen periode was namelijk sprake van co-ouderschap waardoor de kinderalimentatie niet volledig in mindering diende te worden gebracht op haar uitkering. Eiseres had immers niet de volledige beschikkingsmacht over deze inkomsten. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar standpunt op het advies van Commissie en stelt dat verweerder dit advies ten onrechte niet heeft gevolgd.

Ter zitting heeft eiseres er voorts nog op gewezen dat de hoogte van de bijstandsuitkering zowel voor een alleenstaande als een alleenstaande ouder gelijk is. Eiseres leidt hieruit af dat de door haar ontvangen uitkering dan ook niet mede is verstrekt ten behoeve van de verzorging en opvoeding van haar kinderen. Dat onder deze omstandigheden wel kinderalimentatie in mindering wordt gebracht op haar uitkering, vindt eiseres onacceptabel.

3.2.

Ten aanzien van het bestreden besluit II voert eiseres aan dat verweerder rauwelijks, zonder eerst een redelijke termijn te geven, is overgegaan tot indexering. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiseres hierover eerst in te lichten.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van het bestreden besluit I

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit I is afgeweken van het advies van de Commissie. Verweerder is daartoe ook bevoegd, maar er geldt dan wel, ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een zwaardere motiveringsplicht bij het nemen van het bestreden besluit. Anders dan eiseres betoogt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de in het bestreden besluit gegeven motivering en verwijzing naar en weerlegging van het advies van de Commissie, heeft voldaan aan de op hem rustende verzwaarde motiveringsplicht.

6.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 3 december 2015 tot en met 31 augustus 2016.

6.2.1.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de Pw wordt onder gezin onder meer verstaan de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.

6.2.2.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

6.2.3.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon.

6.2.4.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw, voor zover hier van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw dienen deze middelen betrekking te hebben op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan.

6.3.

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen (Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de Nederlandse overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. Uit artikel 21, aanhef en onder a, van de Pw volgt dat de bijstandsnorm voor een ‘alleenstaande ouder’ gelijk is gesteld aan de bijstandsnorm voor een ‘alleenstaande’. In de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders wordt voorzien door middel van een ‘alleenstaande- ouderkop’ (alo-kop), als onderdeel van het kindgebonden budget, een toeslag die wordt uitbetaald door de Belastingdienst. Het begrip ‘alleenstaande ouder’ is in de Pw gehandhaafd en heeft voor andere aspecten (bijvoorbeeld ten aanzien van de arbeidsinschakeling en de in aanmerking te nemen middelen) nog wel betekenis.

6.4.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet hervorming kindregelingen (Kamerstukken II 2012/2013, 33 716, nr. 3, blz. 34) blijkt dat de alleenstaande ouder als gezinshoofd de volledige zorg draagt voor de tot zijn last komende kinderen en dat de bijstand zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen wordt verstrekt. Kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen. Een voorbeeld hiervan is kinderalimentatie. Volgens vaste rechtspraak sluit dit aan bij het complementaire karakter van de bijstand (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2496).

6.5.

Gelet op het voorgaande dient, anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, tot uitgangspunt te worden genomen dat haar bijstand mede ten behoeve van haar kinderen wordt verstrekt. Er is dan ook geen grond voor de door eiseres ter zitting betrokken stelling, dat de kinderalimentatie in geen geval op haar bijstandsuitkering in mindering kan worden gebracht. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6.6.

Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres, dat zij vanwege de co-ouderschapsregeling niet volledig kon beschikken over de kinderalimentatie die werd gestort op de gezamenlijke bankrekening van eiseres en haar voormalige echtgenoot, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1792) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

6.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om het tegendeel aannemelijk te maken. Daartoe wordt overwogen dat zij op geen enkele wijze met objectiveerbare en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat zij beperkt was in de beschikkingsmacht over de gelden op de en/of-rekening. Dat eiseres en haar voormalige echtgenoot hebben gekozen voor een en/of-rekening waarop de kinderalimentatie wordt gestort en dat haar voormalige echtgenoot tevens van deze rekening gebruik kan maken, doet niet af aan het feit dat eiseres als mederekeninghouder over de gelden welke op deze rekening staan kon beschikken en deze feitelijk kon aanwenden ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. Dat de kinderen van eiseres in de periode in geding feitelijk zowel bij eiseres als bij de voormalige echtgenoot verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres, zoals zij heeft bevestigd ter zitting, degene was die voornamelijk pinde en dat haar voormalige echtgenoot uitsluitend de overschrijvingen voor de sportclubs van de kinderen regelde. De rechtbank stelt vast dat de beschikbare bankafschriften van de en/of-rekening een groot aantal opnames laten zien en ook overigens blijk geven van een intensief gebruik van de rekening. Dit bevestigt dat eiseres ten tijde in geding feitelijk gebruik maakte van de en/of-rekening en dus redelijkerwijs over (de tegoeden op) die rekening kon beschikken. (zie ook de uitspraak van de CRvB van 7 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7848).

6.8.

Mede gelet op het aanvullende karakter van de Pw en de ruime omschrijving in artikel 31, eerste lid, van de Pw, is er geen aanleiding om de kinderalimentatie niet volledig te rekenen tot de middelen van eiseres. Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat eiseres over de maandelijkse kinderalimentatie van € 707,93 respectievelijk

€ 756,75 kon beschikken en zijn deze inkomsten in de periode in geding terecht op de bijstandsuitkering van eiseres in mindering gebracht.

7. Het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het bestreden besluit II

8.1.

Zoals hiervoor is overwogen, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van eiseres terecht als inkomsten is aangemerkt en met de bijstandsuitkering van eiseres kan worden verrekend. Dit geldt ook voor de kinderalimentatie over de periode in geding, te weten de maand oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de jaarlijkse wettelijke indexatie op deze kinderalimentatie van toepassing is. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of het geïndexeerde bedrag aan kinderalimentatie – zonder voorafgaande aankondiging door verweerder aan eiseres – met haar uitkering mag worden verrekend.

8.2.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomstensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Door eiseres is niet bestreden dat zij ten tijde in geding aanspraak kon maken op het geïndexeerde bedrag aan kinderalimentatie. Ter zitting heeft eiseres voorts verklaard dat zij deze aanspraak weliswaar alsnog achteraf te gelde kan maken, maar dat zij om haar moverende redenen ervoor heeft gekozen om dit niet te doen. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres redelijkerwijs kon beschikken over het geïndexeerde bedrag aan kinderalimentatie en dit brengt mee dat verweerder dit bedrag terecht heeft verrekend met haar bijstandsuitkering. Dat verweerder eiseres hierover vooraf niet heeft gewaarschuwd, maakt dit niet anders nu eiseres zo nodig achteraf aanspraak kan maken op het geïndexeerde bedrag. Dat eiseres om haar moverende redenen geen pogingen wenst te ondernemen om deze aanspraak te gelde te maken, komt voor haar rekening en risico.

8.3.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij de verrekening van de bijstandsuitkering van eiseres in de periode in geding terecht rekening heeft gehouden met de geïndexeerde bedragen aan kinderalimentatie.

9. Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, is eveneens ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I en het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.W. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.