Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11436

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.9341
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen maatregel van bewaring. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9341


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).


Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door [persoon A], waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Kajouane. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1993 en dat hij de Marokkaanse nationaliteit bezit.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een significant risico op onderduiken is.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:

Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte(n) is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde zware en lichte gronden, die niet door eiser zijn betwist, ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb, voldoende om ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken aan te nemen. Verweerder heeft deze gronden voldoende deugdelijk gemotiveerd.

4. Ter zitting heeft de waarnemer van eisers gemachtigde gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Nu er nog geen datum of indicatie voor een Dublinclaim bekend is, terwijl verweerder al lang op de hoogte is van het feit dat er Dublinindicaties zijn, moet eiser volgens hem in vrijheid worden gesteld.

5. De beroepsgrond slaagt niet. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting terecht betoogd dat het verweerder niet kan worden aangerekend dat er nog geen Dublinclaim is gelegd, nu uit Eurodac meerdere (zeven) treffers naar voren zijn gekomen, waardoor verweerder niet eerder heeft kunnen beoordelen bij welke lidstaat een Dublinclaim kan worden ingediend. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat er aandacht is besteed aan de Dublinindicaties vanaf het moment dat die verweerder bekend waren, dat er op dit moment een claimbeoordeling plaatsvindt en dat er zo spoedig mogelijk een Dublinclaim zal worden gelegd. Verder heeft gemachtigde van verweerder er ter zitting op gewezen dat er op
29 september 2017 al een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit wel van voortvarend handelen.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.