Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11434

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
NL17.9169 en NL17.9170
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen maatregel van bewaring. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.9169 en NL17.9170


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer] ,

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer] ,

en hun minderjarige kinderen,

[kind 1] , V-nummer [V-nummer] ,

[kind 2] , V-nummer [V-nummer] ,

[kind 3] , V-nummer [V-nummer] , en

[kind 4] , V-nummer [V-nummer] ,

hierna te noemen eisers

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).


Procesverloop

Bij separate besluiten van 20 september 2017 (de bestreden besluiten) is aan eiser en eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De opgelegde maatregelen ziet ook toe op hun minderjarige kinderen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. De beroepen strekken van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 27 september 2017 met ingang van 26 september 2017 de maatregel van bewaring opgeheven, wegens uitzetting van eisers naar Kosovo.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2017. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers stellen de nationaliteit van Kosovo te bezitten en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1983, [geboortedatum] 1991, [geboortedatum] 2011, [geboortedatum] 2014, [geboortedatum] 2015 en [geboortedatum] 2017.

2. Nu de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregelen vorderde, omdat het risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers:


3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen hebben onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;
3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer.


Als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eisers:


4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.

4. Hoewel eisers betwisten dat zij te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer en dat zij meerdere verblijfsaanvragen hebben ingediend die niet tot vergunningverlening hebben geleid, worden de overige zware en lichte gronden door hen niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden welke niet door eisers zijn betwist, ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb, voldoende om ten aanzien van eisers een risico op onttrekking aan het toezicht aan te nemen. Verweerder heeft deze gronden voldoende deugdelijk gemotiveerd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de motivering van de maatregel tevens blijkt dat verweerder ten aanzien van de minderjarige kinderen een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder ook de laatste zware grond aan de inbewaringstelling ten grondslag heeft mogen leggen. Zoals door gemachtigde van verweerder ter zitting terecht is betoogd blijkt uit hetgeen eisers tijdens de met hen gevoerde vertrekgesprekken hebben verklaard niet dat zij gevolg geven aan hun verplichting tot terugkeer. Eisers hebben onder meer verklaard dat zij niet bereid zijn mee te werken aan terugkeer en dat zij bij ongegrondverklaring van het beroep tegen hun afwijzende asielbeschikking een herhaalde asielaanvraag zullen indienen (8 augustus 2017), dat zij niet over terugkeer nadenken (28 augustus 2017), en dat zij geen actie hebben ondernomen om terugkeer te realiseren (12 september 2017). Verweerder concludeert derhalve terecht dat eisers te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer. De omstandigheid dat eisers tijdens het vertrekgesprek van 21 september 2017 – na te hebben aangegeven dat zij niet willen vertrekken naar Kosovo – hebben gevraagd om nog twee weken uitstel om wat zaken te regelen in Kosovo, maakt niet dat verweerder tot een andere conclusie had dienen te komen.

De vraag of eisers meerdere verblijfsaanvragen hebben ingediend die niet tot vergunningverlening hebben geleid laat de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, buiten beschouwing.

5. Eisers voeren verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Voorafgaand aan de inbewaringstelling zijn eisers op 7 augustus 2017 op grond van artikel 56 Vw geplaatst in de Vrijheidsbeperkende Locatie te [plaats] en is aan hen op grond van artikel 54 van de Vw een periodieke meldplicht opgelegd. Volgens eisers was er voor verweerder op 20 september 2017 geen reden om dit lichtere middel niet voort te zetten en hen in plaats daarvan in bewaring te stellen in de Gesloten Gezinsvoorziening te [plaats].

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Hierbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eisers gedurende de periode dat op hen het lichtere middel van toepassing was geen actie hebben ondernomen om hun vertrek uit Nederland en terugkeer naar Kosovo te realiseren. Verwezen wordt in dit verband naar de hierboven aangehaalde uitspraken die eisers tijdens verschillende vertrekgesprekken hebben gedaan. Nu het lichtere middel niet tot het vrijwillige vertrek van eisers heeft geleid heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat het lichtere middel niet kon volstaan. Verder heeft verweerder in dit verband terecht in aanmerking genomen dat de bewaring van het gezin met minderjarige kinderen niet onnodig lang hoefde te duren, omdat de diplomatieke vertegenwoordiging van Kosovo de nationaliteit van de gezinsleden al had bevestigd en een laissez-passer had afgegeven en er al een vlucht stond gepland op
26 september 2017.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.