Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1139

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
C/09/524770 / KG ZA 17/23
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Staat heeft strafrechtelijke ontruiming van een gekraakt pand aangezegd. Vordering strekkende tot een verbod om tot ontruiming over te gaan is afgewezen. Niet aannemelijk dat belang van de kraker bij het blijven bewonen van het pand moet prevaleren boven het belang van de Staat om een einde te maken aan een strafbare toestand en het belang van de eigenaar om naar eigen goeddunken over het pand te kunnen beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/524770 / KG ZA 17/23

Vonnis in kort geding van 13 januari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. drs. E. Tamas te Den Haag,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag ,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde 7 producties;

- de op 10 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat een pleitnota is overgelegd.

1.2.

[eiser] heeft ter zitting zijn eis vermeerderd (met de vordering zoals hierna onder 3.1, onder II, is weergegeven), eerst mondeling en vervolgens heeft [eiser] deze eis alsnog op schrift gesteld. De Staat heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering, omdat deze niet – zoals voorgeschreven in artikel 11.1 van het Procesreglement rechtbanken kort geding handel/familie – zo spoedig mogelijk, voor de zitting is aangekondigd. De voorzieningenrechter laat de eisvermeerdering desondanks toe. Hiertoe is redengevend dat de eisvermeerdering weliswaar niet voorafgaand aan de zitting schriftelijk is aangekondigd, doch dat dit mede te wijten is aan het feit dat de Staat eerst op 9 januari 2017 de stukken heeft overgelegd die aanleiding vormden voor de eiswijziging. Bovendien moet de zaak op zeer korte termijn behandeld worden, omdat de Staat niet bereid was een vonnis in dit kort geding af te wachten – indien dit vonnis na de aangekondigde ontruimingsdatum zou volgen – alvorens tot ontruiming over te gaan. Tot slot is in dit verband relevant dat de Staat niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad, nu de vermeerderde eis eenvoudig van aard is en de Staat – na schorsing van de mondelinge behandeling – voldoende in de gelegenheid is geweest daartegen verweer te voeren.

1.3.

Op 13 januari 2017 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De staat Curaçao is eigenaar van het pand aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het pand). Het pand is onderdeel van het terrein waarop de ambtswoning van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao is gelegen (aan de [adres 2] te [plaats] , hierna: de ambtswoning). Op het terrein is tevens gelegen het pand aan de [adres 3] te [plaats] (hierna: het naastgelegen pand).

2.2.

Op 28 september 2015 is een koopovereenkomst gesloten door de eigenaar strekkende tot verkoop van het pand, de ambtswoning en het naastgelegen pand. In de koopovereenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen in verband met de nog benodigde toestemming van het parlement van Curaçao. De termijn voor het inroepen van deze ontbindende voorwaarde is bij allonge op de koopovereenkomst verlengd tot 15 maart 2017.

2.3.

[eiser] bewoont, samen met enkele anderen, sinds medio december 2016 het pand. Op 20 december 2016 is door de eigenaar van het pand aangifte gedaan van huisvredebreuk.

2.4.

De ambtswoning is tot eind december 2016 in gebruik geweest bij de voormalig Gevolmachtigde Minister van Curaçao. De nieuwe Gevolmachtigde Minister arriveert op 13 januari 2017 in Nederland en de bedoeling is dat de Gevolmachtigde Minister de ambtswoning zal betrekken.

2.5.

Bij brief van 29 december 2016 heeft de officier van justitie “aan allen die wonen of vertoeven in het pand: [adres 1] en aangrenzende garage” als volgt bericht:

“(…)

Hierbij kondig ik u aan dat al degenen die thans wonen of vertoeven in bovengenoemd(e) pand(en) zijn aangemerkt als verdachten van overtreding van (een van de) de artikel 138, 138a en/139 van het Wetboek van Strafrecht. Het voornemen bestaat om dit pand, alsmede de op/aan dit perceel liggende garage te ontruimen. Deze ontruiming zal plaatsvinden op dinsdag 17 januari 2017.

(…)

Als u wilt dat een rechter zal oordelen over de rechtmatigheid van de voorgenomen ontruiming kunt u een kort geding aanhangig maken. Het OM zal, om u in de gelegenheid te stellen een kort geding aan te spannen, de eerste zeven dagen na dagtekening van deze brief niet overgaan tot ontruimen, behoudens bijzondere omstandigheden.

In verband met het feit dat de garage door de eigenaar gebruikt werd, in welk gebruik de eigenaar momenteel door u gehinderd wordt, alsmede het spoedeisend belang dat de eigenaar heeft bij ontruiming van zowel die garage als het pand [adres 1] , heb ik besloten af te wijken van de gebruikelijke toezegging dat in beginsel gewacht wordt met ontruiming totdat vonnis is gewezen. De ontruiming zal zoals gezegd plaatsvinden op voornoemde datum.

(…)”

2.6.

Op 9 januari 2017 heeft het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao een samenwerkingsovereenkomst betreffende bruikleen en leegstandsbeheer van een pand gesloten met Interveste. Voor het pand aan de [adres 3] te [plaats] is een vergelijkbare overeenkomst gesloten met een andere leegstandsbeheerder.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –:

I. de Staat, en via hem de Officier van Justitie, dan wel de Politie te verbieden op strafrechtelijke gronden tot ontruiming van [eiser] uit het pand over te gaan tot (i) in dit geschil een vonnis is gewezen en (ii) eerder, dan wel op dan wel na 17 januari 2017;

II. de Staat te bevelen om te bemiddelen bij de eigenaar om in aanmerking te komen voor anti-kraakbewoning van het pand, zoals dat mogelijk is op grond van de leegstandsbeheerovereenkomst die gesloten is tussen de eigenaar en de leegstandsbeheerder;

met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, dan wel – voor zover de vordering van [eiser] wordt afgewezen – met compensatie van de proceskosten en met verlening aan [eiser] van vrijstelling van het griffierecht.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt in strijd met het beleid van de procureurs-generaal bij voorgenomen strafrechtelijke ontruiming van kraakpanden (Staatscourant, 2010, nr. 19500) door de aankondiging dat af wordt geweken van de gebruikelijke toezegging dat in beginsel wordt gewacht met de ontruiming totdat vonnis in een kort geding is gewezen. Geen van de in dat beleid genoemde uitzonderingssituaties – waarbij wordt afgeweken van het uitgangspunt dat een vonnis in kort geding wordt afgewacht – is in dit geval aan de orde. Deze handelswijze is in strijd met artikel 13 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de individuele vrijheden (EVRM), het staatsrechtelijke beginsel van scheiding der machten, het algemene rechtszekerheidsbeginsel en rechtsgelijkheidsbeginsel. [eiser] is door deze aankondiging onder druk gezet af te zien het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter ter bescherming van zijn huisrecht in de zin van artikel 8 EVRM. De reden van de afwijking van het beleid berust bovendien op een onjuiste grondslag, omdat de garage niet in gebruik is bij [eiser] (en/of de andere bewoners van het pand) en het gebruik daarvan door de eigenaar niet wordt verhinderd.

3.3.

De strafrechtelijke ontruiming dient geen ander doel dan de bescherming van het eigendomsrecht van de eigenaar, terwijl de eigenaar niet binnen afzienbare tijd gebruik zal gaan maken van het pand en het gevolg van de strafrechtelijke ontruiming verdere leegstand van het pand zal zijn. De verkoop van het pand is niet aan de orde. Het parlement van Curaçao is nooit over de verkoop geïnformeerd en is het daar ook niet mee eens. De verkoopprijs is te laag. [eiser] en de andere bewoners van het pand zijn inwoners van de gemeente [gemeente] en hebben geen of een zeer laag inkomen. Gezien hun inkomsten komen zij niet in aanmerking voor sociale huisvesting of het huren van een woning op de particuliere woningmarkt. Omdat zij geen vast adres hebben, komen [eiser] en de andere bewoners van het pand ook niet in aanmerking voor een volwaardige bijstandsuitkering. Evenmin komen zij in aanmerking voor een daklozenuitkering. Als dit anders zou zijn, geldt dat de wachttijden voor toewijzing van een sociale huurwoning in [plaats] lang zijn. De gevolgen van de strafrechtelijke ontruiming zijn dakloosheid in de winterperiode en geen toegang tot de noodopvang, omdat [eiser] en de andere bewoners niet onder de gehanteerde criteria voor noodopvang vallen. Deze gevolgen zijn zeer disproportioneel in verhouding tot het belang van de Staat bij ontruiming. Leegstandsbeheer van het pand kan – naar de maatstaven van artikel 8, lid 2, EVRM – een inbreuk op artikel 8, lid 1, EVRM niet rechtvaardigen. De voorgenomen ontruiming dient bovendien geen enkel strafvorderlijk doel en er zullen bewijzen van het veronderstelde strafbare feit worden vernietigd. De officier van justitie heeft geen enkele stap ondernomen om tot vervolging over te gaan en aangenomen moet worden dat dat niet anders zal worden. De strafvorderlijke ontruiming wordt dus als zelfstandig doel toegepast en niet in dienst van een strafrechtelijk onderzoek. Dat is in strijd met het in Europese jurisprudentie ontwikkelde doelbindingsbeginsel en misbruik van recht. Bovendien wordt met de ontruiming geen openbare orde belang gediend, omdat [eiser] en de medebewoners geen overlast of risico veroorzaken.

3.4.

[eiser] wil bij afwijzing van zijn vordering een compensatie van de proceskosten, omdat er sprake is van een zeer ongelijke inkomenspositie tussen [eiser] en de Staat. De Staat zou haar proceskosten heel snel kunnen terugverdienen, terwijl een proceskostenveroordeling voor [eiser] een bestaansvernietigend effect en tenminste drie jaar schuldsanering tot gevolg zou kunnen hebben. Bovendien is de Staat actief bij het innen van dergelijke proceskosten, om kritische burgers te ontmoedigen tegen de Staat te procederen. Voorts moet in verband met artikel 6 en 13 EVRM vrijstelling worden verleend van de heffing van griffierecht. Het maandelijkse inkomen van [eiser] overstijgt niet 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

3.5.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

verbod ontruiming

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] geen belang meer heeft bij beoordeling van zijn stellingen over de onrechtmatigheid (op diverse gronden) van het niet afwachten van het vonnis in kort geding alvorens tot ontruiming wordt overgegaan, in strijd met – aldus [eiser] – het beleid van de procureurs-generaal. Hoewel de Staat heeft aangezegd de uitkomst van een eventueel kort geding niet te zullen afwachten, wordt het vonnis in dit kort geding feitelijk gewezen voor de aangekondigde ontruimingsdatum. Een kort geding geldt als effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM (vgl. HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880) [eiser] heeft derhalve, alvorens tot de aangekondigde ontruiming overgegaan kan worden, gebruik kunnen maken van een effectief rechtsmiddel. Dat de voorzieningenrechter door deze handelswijze van de Staat onder druk wordt gezet om op zeer korte termijn na de behandeling ter zitting een vonnis te wijzen, waardoor inbreuk gemaakt wordt op de onpartijdigheid en onafhankelijkheid, is niet aan de orde. Een kort geding is bij uitstek bedoeld voor ordemaatregelen in spoedeisende zaken, zoals hier aan de orde is. Niet valt in te zien dat de onpartijdigheid en onafhankelijkheid in het geding zouden zijn als de voorzieningenrechter op korte termijn uitspraak moet doen. Dat een kort geding feitelijk geen effectief rechtsmiddel zou zijn omdat volgens de stelling van [eiser] in geen enkele zaak in het voordeel van krakers wordt beslist is evenmin aannemelijk geworden. Het toetsingskader in kort geding is duidelijk en biedt wel degelijk de mogelijkheid om vorderingen van krakers toe te wijzen. De enkele omstandigheid dat vorderingen van krakers meestal worden afgewezen rechtvaardigt niet de (vergaande) conclusie dat een kort geding geen effectief rechtsmiddel zou zijn. Tot slot geldt dat [eiser] de in het beleid van de procureurs-generaal – dat in lijn is met voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en conform vaste jurisprudentie tot uitgangspunt kan worden genomen – genoemde termijn van tenminste zeven dagen gegund is om een kort geding aanhangig te maken, zodat ook niet aan de orde is dat [eiser] in zijn belangen is geschaad omdat hem een te korte termijn gegeven is om een rechtsmiddel in te stellen.

4.2.

[eiser] heeft voorts geen belang meer bij zijn vordering zoals weergegeven onder I-(i), nu dit vonnis is gewezen voor de datum van de aangezegde ontruiming. Dat deel van de vordering zal reeds daarom worden afgewezen.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de vordering zoals weergegeven onder I-(ii) het volgende voorop. Bij wet van 24 juli 2010 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (Sr), de Leegstandswet en enige andere wetten in verband met het verder terugdringen van kraken en leegstand (Wet kraken en leegstand), in werking getreden op 1 oktober 2010, is een nieuw artikel 138a Sr ingevoerd, dat een algehele strafbaarstelling van kraken bevat. Daarnaast is artikel 551a Wetboek van Strafvordering (Sv) ingevoerd, waarmee de wetgever heeft beoogd strafrechtelijke ontruimingen op grond van verdenking van overtreding van 138a Sr van een wettelijke basis te voorzien. Voor de uitoefening van de aan politie en openbaar ministerie verleende ontruimingsbevoegdheid van artikel 551a Sv is een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter niet noodzakelijk. Bij geschillen bij de civiele rechter omtrent de rechtmatigheid van een voorgenomen strafrechtelijke ontruiming zal onderzocht dienen te worden of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de krakers, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan echter alleen plaatsvinden als de krakers feiten of omstandigheden aanvoeren en aannemelijk maken, die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880).

4.4.

Uit voormeld toetsingskader volgt al dat de stellingen van eisers dat de ontruiming geen strafvorderlijk doelt dient gepasseerd dienen te worden, nu immers voor strafvorderlijke ontruiming voldoende is dat sprake is van verdenking van overtreding van artikel 138a Sr. Dat er van een dergelijke verdenking terecht sprake is, is door [eiser] niet betwist.

4.5.

De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat [eiser] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd of aannemelijk heeft gemaakt die er toe leiden dat het in beginsel prevalerende belang van de Staat bij ontruiming in concreto moet wijken. De stellingen van [eiser] in dit kader dat hij een zeer laag inkomen heeft en niet in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering, niet in aanmerking komt voor sociale huisvesting of woonruimte op de particuliere woningmarkt, de wachttijden voor het krijgen van een huurwoning lang zijn en hij dakloos zal worden in de winterperiode, zonder toegang tot noodopvang zijn in dit kader ontoereikend. Dergelijke belangen zijn in abstracto al betrokken bij de door de wetgever gemaakte belangenafweging.

4.6.

Daar komt bij dat ook voldoende gebleken is van het belang van de Staat en eigenaar bij de aangekondigde ontruiming. De Staat heeft in dit kader gemotiveerd gesteld – en mede aan de hand van de door de Staat overgelegde foto’s is dit naar het oordeel voorzieningenrechter ook genoegzaam gebleken – dat het kraken van het pand in de weg staat aan een ongehinderd gebruik van de ambtswoning. In dit kader kan niet uit het oog worden verloren dat het pand is gelegen op het terrein waarop tevens (in de nabijheid van het pand) de ambtswoning van de Gevolmachtigde Minister van Curaçao is gelegen. De Staat is op grond van artikel 22 lid 2 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer gehouden maatregelen te nemen om de gebouwen van diplomatieke vertegenwoordigers van een ander land tegen indringers en tegen het toebrengen van schade te beschermen en te verhinderen dat de rust van de diplomatieke vertegenwoordiging wordt verstoord of aan haar waardigheid afbreuk wordt gedaan. Gezien het bepaalde in artikel 1 van dat Verdrag geldt het bepaalde in artikel 22 lid 2 ook ten aanzien van het pand. Voorts is relevant dat de eigenaar het pand in leegstandsbeheer wil geven en aldus zelf de huurders/gebruikers voor het pand wil kiezen. Dit levert voldoende belang van de eigenaar op om over het pand te kunnen beschikken om een ontruiming te rechtvaardigen.

4.7.

Voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat [eiser] voorshands niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belang bij het blijven bewonen van het pand moet prevaleren boven het belang van de Staat om een einde te maken aan een strafbare toestand en het belang van de eigenaar om naar eigen goeddunken over het pand te kunnen beschikken. Dit betekent dat de vordering van [eiser] als weergegeven onder I-(ii) ook moet worden afgewezen. De overige stellingen van [eiser] kunnen onbesproken blijven.

bemiddelen ten behoeve van anti-kraakbewoning

4.8.

De Staat is geen partij bij een eventuele overeenkomst tussen [eiser] en de eigenaar/leegstandsbeheerder met betrekking tot anti-kraakbewoning. De vordering om de Staat de bevelen om te bemiddelen bij de eigenaar om in aanmerking te komen voor anti-kraakbewoning van het pand mist wettelijke grondslag. Nu de Staat bovendien geen partij is bij een eventuele overeenkomst tussen [eiser] en de eigenaar en [eiser] verdacht wordt van strafbare feiten, kan van de Staat niet gevergd worden dat hij bemiddelt op de door [eiser] beoogde wijze. De daartoe strekkende vordering zal worden afgewezen.

proceskosten en vrijstelling griffierecht

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het bepaalde in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en over te gaan tot compensatie van de proceskosten.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vordering strekkende tot vrijstelling van het griffierecht dat dit bij uitzondering aan de orde kan zijn, indien voldaan wordt aan de richtlijnen zoals die volgen uit HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354. Deze richtlijnen houden onder meer in dat het griffierecht op nihil kan worden gesteld als de rechtzoekende (zijnde een natuurlijk persoon) aannemelijk maakt dat het maandelijks netto inkomen waarover hij kan beschikken minder is dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Nu [eiser] uitsluitend een uitkeringsspecificatie heeft overgelegd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij aan deze maatstaf voldoet. De vordering strekkende tot nihilstelling van het griffierecht zal dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

- veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen na nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2017.

idt