Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11363

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
C/09/519159 / HA ZA 16-1121
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intelletuele Eigendom. Leenrecht. Bibliotheek van de Gemeente "voor het publiek toegankelijke instelling" in de zin van artikel 12 lid 3 Aw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/519159 / HA ZA 16-1121

Vonnis van 4 oktober 2017

in de zaak van

de stichting

DE STICHTING LEENRECHT,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

advocaat mr. J.W.A. Meddens te Amsterdam,

tegen

het kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek

GEREFORMEERDE GEMEENTE IN NEDERLAND TE BARNEVELD,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde,

advocaat mr. A. Klaassen te Barneveld.

Partijen zullen hierna Stichting Leenrecht en GGNB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 september 2016 met producties 1 t/m 9;

  • -

    de conclusie van antwoord van 14 december 2016;

  • -

    het vonnis van 15 februari 2017 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 13 april 2017 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Stichting Leenrecht heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt; haar brief van 8 mei 2017 is aan het proces-verbaal gehecht en maakt onderdeel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Stichting Leenrecht is door de Minister van Justitie (hierna: de Minister) op grond van artikel 15f lid 1 Auteurswet (hierna: Aw) aangewezen als organisatie die de leenvergoedingen van door bibliotheken verrichte uitleningen incasseert en verdeelt.

2.2.

GGNB is een zelfstandig (reformatorisch) kerkgenootschap dat is aangesloten bij het kerkverband van de landelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland. GGNB heeft een gesloten toelatingsbeleid dat, kort gezegd en voor zover relevant, inhoudt dat personen slechts kunnen toetreden door doop of et tHetHeena toestemming van (de kerkenraad van) GGNB. De leden van GGNB verplichten zich hun dagelijks leven in te richten naar de richtlijnen van de door GGNB beleden leer van de bijbel (waaronder het weren van televisiebezit) en onderwerpen zich aan kerkelijke tucht. GGNB had in 2015 3636 leden. Van GGNB gaat een school uit die eenzelfde gesloten toelatingsbeleid hanteert (hierna: de school).

2.3.

GGNB organiseert onder meer catechetisch onderwijs en beheert een bibliotheek (hierna: de bibliotheek). De bibliotheek is uitsluitend toegankelijk voor leden van GGNB en voor (ouders van) leerlingen van de school die lid zijn van de bibliotheek. Het lidmaatschap van GGNB brengt niet automatisch lidmaatschap van de bibliotheek mee. Leden die kiezen voor lidmaatschap van de bibliotheek betalen daarvoor apart lidmaatschapsgeld.

2.4.

De bibliotheek leent – onder andere – auteursrechtelijk beschermde boeken uit.

2.5.

In het kader van de inning van de leenvergoeding door Stichting Leenrecht heeft het samenwerkingsverband christelijke bibliotheken de vraag opgeworpen of het leenrecht wel op christelijke bibliotheken van toepassing is. In een brief van 10 oktober 2005 namens de Minister gericht aan het samenwerkingsverband christelijke bibliotheken is in dat verband, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Bij brief d.d. 22 augustus vraagt het samenwerkingsverband christelijke bibliotheken aandacht voor de toepasbaarheid van het leenrecht. Bij de bij het samenwerkingsverband aangesloten bibliotheken is onrust ontstaan naar aanleiding van aanschrijvingen door de Stichting Leenrecht. In uw brief beargumenteert u waarom deze bibliotheken vrijgesteld zouden moeten blijven van de plicht tot betaling van een billijke leenrechtvergoeding. Onder meer voert u als argument aan dat genoemde bibliotheken niet gesubsidieerd worden en ook dat de christelijke bibliotheken hoofdzakelijk werken met vrijwilligers.

(…)

Op basis van de Auteurswet geldt het leenrecht in beginsel voor alle publiek toegankelijke instellingen die auteursrechtelijk beschermde werken (zoals boeken, cd’s en video’s) zonder winstoogmerk ter beschikking stellen. (…) Daarnaast geeft de Auteurswet alleen vrijstelling aan de bibliotheken voor blinden en slechtzienden, de bibliotheken van onderwijs- en onderzoeksinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek.

In de door u aangevoerde argumenten kunnen wij geen grond zien om deze vrijstelling uit te breiden naar de christelijke bibliotheken. Zo is de wijze van financiering (publiek dan wel privaat) in onderhavig geval niet relevant en dragen ook de reguliere openbare bibliotheken bij aan de sociale cohesie en het moreel besef.(…)”

2.6.

GGNB heeft aan Stichting Leenrecht over de jaren 2006 tot en met 2014 opgave gedaan van de door de bibliotheek verrichte uitleningen. Volgens de opgaven worden per jaar ongeveer 20.000 tot ongeveer 23.000 boeken uitgeleend, met als uitschieters de jaren 2011 en 2012 met ongeveer 49.000 opgegeven uitleningen. Vanaf 2015 heeft GGNB aan Stichting Leenrecht geen opgave meer gedaan van het aantal uitgeleende boeken.

2.7.

GGNB heeft leenvergoeding aan Stichting Leenrecht afgedragen over de periode 2006 tot en met 2014. De factuur van Stichting Leenrecht voor de leenvergoeding over het jaar 2015 ter hoogte van € 5.583,13 (geprognotiseerd op basis van de opgave over 2014) heeft GGNB niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Stichting Leenrecht vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- zal verklaren voor recht, dat uitleningen door (de bibliotheek van) GGNB kwalificeren als uitlening in de zin van artikel 12 Aw;

- GGNB zal veroordelen binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis (i) conform artikel 15g Aw opgave te doen van het aantal door GGNB verrichte uitleningen over het jaar 2015 met vermelding van de titelgegevens van de betreffende werken, (ii) een bedrag van € 5.583,13 te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 juli 2016 tot aan de datum van voldoening;

- GGNB zal veroordelen om na betekening van het in dezen te wijzen vonnis conform artikel 15g Aw steeds uiterlijk voor 1 april opgave te doen van het aantal door GGNB verrichte uitleningen over het kalenderjaar daaraan voorafgaand met vermelding van de titel gegevens van de betreffende werken,

een en ander met veroordeling van GGNB in de proceskosten en, voor wat betreft de gevorderde opgaven, op verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Stichting Leenrecht legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. GGNB is leenvergoeding verschuldigd. De bibliotheek is voor het publiek toegankelijk en niet vrijgesteld van de betaling van leenvergoeding. GGNB heeft gedurende vele jaren ook opgave als bedoeld in artikel 15g Aw gedaan en leenvergoeding betaald.

3.3.

GGNB voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Juridisch kader van de leenvergoeding

4.1.

Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (hierna: Lrl 1992) ligt aan de basis van het uitleenrecht. Lrl 1992 is thans vervangen door Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (hierna: Lrl 2006). Lrl 2006 bepaalt, voor zover relevant:

HOOFDSTUK I

VERHUUR- EN UITLEENRECHT

Artikel 1

Voorwerp van de harmonisatie

1. Overeenkomstig dit hoofdstuk en onverminderd artikel 6 stellen de lidstaten een recht in om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1, toe te staan of te verbieden.

2. De in lid 1 genoemde rechten worden niet uitgeput door verkoop of enige andere vorm van verspreiding van originelen of kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken of anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1.

Artikel 2

Definities

1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

b) „uitlening”: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen;

(…)

Artikel 3

Rechthebbenden en voorwerp van het verhuur- en uitleenrecht

1. Het uitsluitende recht verhuur en uitlening toe te staan of te verbieden, komt toe aan:

a. a) de auteur, met betrekking tot het origineel en kopieën van zijn werk;

(…)

Artikel 6

Afwijking van het uitsluitende openbare uitleenrecht

1. De lidstaten kunnen ten aanzien van openbare uitlening afwijken van het in artikel 1 bedoelde uitsluitende recht, mits ten minste de auteurs een vergoeding krijgen voor deze uitlening. Met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten, kunnen de lidstaten de hoogte van deze vergoeding vrij vaststellen.

(…)

3. De lidstaten kunnen bepaalde categorieën instellingen vrijstellen van betaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde vergoeding.

4.2.

De considerans bij de Lrl 2006 vermeldt, voor zover van belang:

(2) De verhuur en uitlening van auteursrechtelijk beschermde werken (…) spelen steeds een belangrijker rol, met name voor auteurs, (…)

(3) De doeltreffende bescherming, door middel van verhuur- en uitleenrechten, van auteursrechtelijk beschermde werken (…) kunnen bijgevolg voor de economische

en culturele ontwikkeling van de Gemeenschap van fundamenteel belang worden geacht.

(5) Het creatieve en artistieke werk van auteurs (…) maakt een passend inkomen noodzakelijk als basis voor verder creatief en artistiek werk (…) en de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, kan alleen daadwerkelijk

worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.

(…)

(12) Een regeling moet worden ingevoerd die een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding waarborgt aan auteurs (…)

4.3.

In Nederland is de Lrl 1992 geïmplementeerd bij wet van 21 december 1995, Stb. 1995, 653 (hierna: de implementatiewet). Daarbij is er, blijkens artikel 12 Aw, voor gekozen om uitlenen aan te merken als een species van openbaarmaking:

Artikel 12

1. Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan:

(…)

3°. het verhuren of uitlenen van (…) van het werk (…) of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht;

(…)

3. Onder uitlenen als bedoeld in het eerste lid, onder 3°, wordt verstaan het voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen door voor het publiek toegankelijke instellingen.

4.4.

Uit artikel 15c lid 1 Aw blijkt dat de Nederlandse wetgever gebruik heeft gemaakt van de door artikel 6 Lrl 2006 (artikel 5 Lrl 1992) geboden mogelijkheid het uitsluitend recht van de auteur ten aanzien van uitlening te vervangen door een vergoedingsrecht. Artikel 15c Aw bepaalt, voor zover relevant:

Artikel 15c

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd het uitlenen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3°, van het geheel of een gedeelte van een exemplaar van het werk of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt. (…)

2. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het eerste lid.

(…)

4. De in het eerste lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de maker of diens rechtverkrijgende afstand heeft gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De maker of diens rechtverkrijgende dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15d en 15f bedoelde rechtspersonen.

5 De beoordeling

Bevoegdheid

5.1.

De rechtbank is op grond van artikel 15e Aw bevoegd kennis te nemen van de vorderingen.

Voor het publiek toegankelijke instelling?

5.2.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of uitleen door de bibliotheek is aan te merken als uitlening in de zin van artikel 12 lid 3 Aw. Niet in geschil is dat de bibliotheek voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch voordeel auteursrechtelijk beschermde werken ter beschikking stelt aan haar leden. Partijen houdt echter verdeeld of de bibliotheek is aan te merken als een instelling die toegankelijk is voor het publiek.

5.3.

GGNB voert aan dat de bibliotheek geen voor het publiek toegankelijke instelling is omdat deze niet openbaar toegankelijk is, maar uitsluitend voor een exact bepaalbare groep leden die tot een bepaalde private organisatie, het kerkgenootschap, behoort. De bibliotheek is dan ook niet een voor het publiek toegankelijke instelling, evenmin als een bedrijfsbibliotheek. Ter onderbouwing wijst GGNB op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ)1 over een mededeling respectievelijk verspreiding ‘aan het publiek’. Daaruit volgt, naar zij aanvoert, dat met ‘publiek’ wordt gedoeld op een onbepaald aantal potentiële ontvangers, of wel personen in het algemeen, met andere woorden, niet beperkt tot specifieke individuen die tot een bepaalde private groep behoren. De groep (potentiële) leden van de bibliotheek valt hier niet onder omdat deze niet kwalificeert als een onbepaald aantal potentiële ontvangers; het gaat immers om een besloten bibliotheek die alleen toegankelijk is voor leden van de GGNB. Een belangrijk argument van GGNB is voorts dat bedrijfsbibliotheken in de wetsgeschiedenis van de implementatiewet worden genoemd als voorbeeld van instellingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn. De passages waarop zij zich beroept, luiden:

“De notie «voor het publiek toegankelijke instellingen» in de definitie van uitlenen leidt ertoe dat het uitleenverkeer in bibliotheken die niet voor het publiek toegankelijk zijn, bijvoorbeeld bedrijfsbibliotheken, niet onder de werkingssfeer van de richtlijn c.q. het onderhavige wetsvoorstel valt.2

en

“In de definitie van uitlening is voorts in de richtlijn als criterium opgenomen dat de uitlening plaats vindt via voor het publiek toegankelijke instellingen. Dit betekent, zoals de leden van de SGP-fractie terecht opmerken, dat uitlening door particulieren of door bedrijfsbibliotheken die niet voor het publiek toegankelijk zijn niet als uitlening in de zin van de richtlijn c.q. het onderhavige wetsvoorstel kan worden aangemerkt.” 3

5.4.

Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Het begrip ‘uitlening’ van artikel 12 lid 3 Aw – waarvan de wetgever de definitie bij de implementatie van de Lrl 1992 woordelijk heeft overgenomen van artikel 1 lid 3 Lrl 1992 (welke definitie gelijkluidend is aan artikel 2 lid 1, aanhef en onder b, Lrl 2006, hiervoor weergegeven) – moet richtlijnconform worden uitgelegd4. Voorts geldt als uitgangspunt bij de harmonisatie van het auteursrecht steeds een hoog beschermingsniveau voor auteurs en bij (de invoering van) een uitleenrecht is als doel van (de invoering van) de leenvergoeding omschreven het de auteurs mogelijk te maken een passend inkomen te ontvangen5.

5.5.

Het Unierechtelijke begrip ‘publiek’ is een bestanddeel van de definitie van ‘uitlening’. Over de term ‘publiek’ is in de totstandkomingsgeschiedenis van Lrl 1992 – in de aan de rechtbank beschikbaar gestelde Engelse tekst – het volgende opgenomen6:

“The term “public” is to have a very broad meaning: only such institutions which lend only to a limited group of persons who are either personally connected by mutual relations or personally connected to the organizer of the institution have to be regarded as not accessible to the public. For example, even if libraries of university institutes are accessible only to specified groups of students, there will mostly not be such personal connections so that in general also these libraries for the purpose of granting a lending right under this Directive have to be regarded as accessible to the public.”

5.6.

Het HvJ heeft de term ‘publiek’ in de definitie van uitlening niet uitgelegd. De rechtbank gaat er met partijen van uit dat de jurisprudentie van het HvJ over de uitleg van ‘publiek’ in de zinsneden ‘mededeling aan het publiek’ als bedoeld in onder meer artikel 8 Lrl 2006 en ‘aan het publiek’ in het kader van het distributierecht, relevant is voor de uitleg van het begrip publiek in deze zaak. Het HvJ heeft in die uitspraken bepaald, kort gezegd, dat onder ‘publiek’ een onbepaald aantal potentiële ontvangers wordt verstaan, waarbij er sprake is van onbepaaldheid wanneer het gaat om ‘personen in het algemeen’ en dus niet om personen die tot een private groep behoren. Ook volgt uit de jurisprudentie van het HvJ dat de groep verder moet bestaan uit een vrij groot aantal personen, waarmee wordt bedoeld dat een zekere de-minimisdrempel moet worden overschreden, en een te klein of zelfs onbeduidend aantal personen niet voldoet aan het criterium. Het HvJ sluit voor de uitleg aan bij de WIPO-woordenlijst7, waarin ‘the public’ wordt gedefinieerd als: “a group consisting of a substantial number of persons outside the normal circle of a family and its closest social acquaintances.”

5.7.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande mee dat het begrip ‘publiek’ in artikel 2 lid 1, aanhef en onder 2, Lrl 2006 en artikel 12 lid 3 Aw ruim moet worden uitgelegd. Een andere uitkomst is niet verenigbaar met het uitgangspunt van een hoge bescherming van de auteurs en de toekenning van een passende uitleenvergoeding als (wettelijke) uitzondering op de hoofdregel van een verbodsrecht voor de auteur. Een instelling is alleen dan niet-toegankelijk voor het publiek wanneer sprake is van een persoonlijke verhouding tussen de leden van de groep aan wie uitlening plaatsvindt en de uitlenende ‘instelling’, zoals bij uitlening aan particulieren in de privésfeer. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Van de personen die toegang hebben tot de bibliotheek kan niet worden gezegd dat zij tot een private groep behoren, zoals een familie- of nabije kennissenkring, en is – gezien het aantal personen dat in potentie toegang heeft tot de bibliotheek (de ruim 3600 leden van GGNB) – sprake van een vrij groot aantal personen. Het gaat ook om een substantieel aantal uitleningen. GGNB heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de personen die toegang hebben tot de bibliotheek onderling dan wel met de (exploitant van) de bibliotheek, allemaal een persoonlijke band hebben die gelijk te stellen is aan die van een familie- of nabije kennissenkring. Onvoldoende is het standpunt van GGNB dat zij een strikt toelatingsbeleid hanteert en dat haar leden een hechte gemeenschap vormen, omdat dit, wat daarvan verder ook zij, niet betekent dat de leden een familieband hebben of een nabije kennissenkring vormen. De door hen gedeelde gemeenschappelijke levens- en/of godsdienstige overtuiging maakt dit niet anders8.

5.8.

De stelling van GGNB dat de bibliotheek niet is aan te merken als een voor het publiek toegankelijke instelling omdat zij gelijk moet worden gesteld met een bedrijfsbibliotheek, waarover in de nationale wetsgeschiedenis is opgemerkt dat deze niet voor het publiek toegankelijk zijn, kan haar niet baten. Voor zover de door haar aangehaalde passages in de wetsgeschiedenis niet reeds zijn achterhaald door een brief van de Minister aan de kamer van later datum9, “(…) «Bedrijfsbibliotheek» blijkt derhalve geen hanteerbaar begrip. De term als zodanig komt ook niet voor in de richtlijn zelf. De interpretatie van de notie «voor het publiek toegankelijk» in de richtlijn is overigens een zaak van de rechter.”, kan er niet van worden uitgegaan dat de – uitsluitend in de Nederlandse parlementaire geschiedenis genoemde – opmerking dat bij bedrijfsbibliotheken geen sprake is van uitlening omdat die bibliotheken ‘niet publiek toegankelijk zijn’, zich verdraagt met een richtlijnconforme uitleg van Lrl 2006, waarbij de bescherming van de rechten van de auteur als uitgangspunt dient. Ook in de hiervoor onder 2.5 aangehaalde brief van de Minister is als standpunt ingenomen dat christelijke bibliotheken niet in aanmerking komen voor een vrijstelling en wordt niet gerept over (niet-)toegankelijkheid voor het publiek als mogelijke uitstuitingsgrond, zoals bij bedrijfsbibliotheken. Het standpunt van GGNB dat de bibliotheek ten opzichte van andere christelijke bibliotheken een uitzonderingspositie inneemt, is, niet, althans onvoldoende, toegelicht.

5.9.

Een en ander brengt mee dat de bibliotheek een voor het publiek toegankelijke instelling is. De door de bibliotheek verrichte uitleningen zijn uitleningen in de zin van artikel 12 lid 3 Aw. GGNB is, gelet op het voorgaande, in beginsel leenvergoeding verschuldigd. Dit is slechts anders wanneer GGNB kan aantonen dat de maker of diens rechtverkrijgende afstand heeft gedaan van het recht op een billijke vergoeding (artikel 15c lid 4, eerste volzin, Aw). Laatstgenoemde situatie doet zich hier niet voor. Tijdens de comparitie van partijen is namens Stichting Leenrecht onbetwist aangevoerd dat van de auteurs geen bericht van afstand is ontvangen.

Vrijstelling?

5.10.

GGNB heeft nog een beroep gedaan op de vrijstelling voor onderwijsinstellingen van artikel 15c lid 2 Aw, omdat, naar zij aanvoert, uitleningen door de bibliotheek gelijk moeten worden gesteld aan uitleningen door een schoolbibliotheek. De vraag of de bibliotheek kan worden vrijgesteld van de betaling van leenvergoeding beantwoordt de rechtbank ontkennend. Het op artikel 6 lid 3 Lrl 2006 gebaseerde artikel 15 lid 2 Aw, dat een uitzondering maakt op artikel 15 lid 1, eerste volzin, Aw moet eng worden uitgelegd10. Artikel 15c lid 2 Aw moet zo worden opgevat dat enkel een instelling waarbij onderwijs (of onderzoek) de enige activiteit is, moet worden aangemerkt als een van vergoeding vrijgestelde instelling. Het kan niet worden volgehouden dat onderwijs of onderzoek de enige activiteit van GGNB is. GGNB organiseert weliswaar catechetisch onderwijs en onbetwist is dat van de GGNB een school uitgaat, maar zo dit al betekent dat de school is aan te merken als dezelfde rechtspersoon – dit is gesteld noch gebleken - houdt GGNB zich, naar zij zelf stelt, in de eerste plaats bezig met andere kerkelijke activiteiten.

5.11.

De slotsom is dat GGNB leenvergoeding aan Stichting Leenrecht verschuldigd is en de door (de bibliotheek van) GGNB verrichte uitleningen jaarlijks aan Stichting Leenrecht moet opgeven.

De vorderingen

5.12.

De vorderingen van Stichting Leenrecht komen voor toewijzing in aanmerking. GGNB heeft de hoogte van de leenvergoeding over het jaar 2014 en de over dat bedrag gevorderde rente niet betwist, zodat een en ander zal worden toegewezen. De gevorderde veroordelingen tot het doen van opgave conform artikel 15g Aw, met verstrekking van de titelgegevens van de uitgeleende werken, enerzijds over het verleden, anderzijds voor de toekomst, worden eveneens toegewezen, onder oplegging van dwangsommen, met dien verstande dat, ter voorkoming van executieproblemen en gelet op het tijdsverloop sinds de dagvaarding waardoor de voor de opgave over 2016 relevante datum van 1 april 2017 inmiddels is verstreken, de rechtbank de vordering zo uitlegt dat ook opgave over 2016 wordt gevorderd op een termijn van vier weken na betekening van het vonnis. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd. Gelet op de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging worden de te verbeuren dwangsommen per dag of gedeelte daarvan bepaald op € 100,- en het maximum op € 10.000,-.

Proceskosten

5.13.

GGNB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Leenrecht worden – nu geen proceskosten op grond van artikel 1019h Rv zijn gevorderd11 – conform het liquidatietarief begroot op € 2.927,08, bestaande uit € 94,08 voor kosten dagvaarding, € 1.929,- aan griffierecht en € 904,- voor salaris (2,0 punten × € 384,00).

6. De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat uitleningen door GGNB in het kader van haar bibliotheekactiviteiten van auteurs- en/of nabuurrechtelijk beschermde werken, kwalificeren als uitlening in de zin van artikel 12 Aw;

6.2.

veroordeelt GGNB om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan Stichting Leenrecht te betalen een bedrag van € 5.583,13, vermeerderd met de wettelijke met ingang van 27 juli 2016 tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt GGNB om binnen vier weken na betekening van dit vonnis conform artikel 15g Aw opgave te doen van het aantal door GGNB verrichte uitleningen over de jaren 2015 en 2016, met vermelding van de titelgegevens van de uitgeleende werken;

6.4.

veroordeelt GGNB om aan Stichting Leenrecht een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 6.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;

6.5.

veroordeelt GGNB om na betekening van dit vonnis conform artikel 15g Aw steeds jaarlijks uiterlijk voor 1 april opgave te doen van het aantal door GGNB verrichte uitleningen over het kalenderjaar daaraan voorafgaand, met vermelding van de titelgegevens van de uitgeleende werken;

6.6.

veroordeelt GGNB om aan Stichting Leenrecht een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 6.5 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;

6.7.

veroordeelt GGNB in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Leenrecht tot op heden begroot op € 2.927,08;

6.8.

verklaart de veroordelingen onder 6.2 t/m 6.7 uitvoerbaar bij voorraad,

6.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Kokke en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.

1 HvJ 8 september 2016, ECLI:EU:C:2016:644, GS Media – Sanoma Media, r.o. 36; HvJ 31 mei 2016, ECLI:EU:C:2016:379, Reha – GEMA, r.o. 41-41, HvJ 15 maart 2012, ECLI:EU:C:2012:141, Phonographic Performance, r.o. 32-35, HvJ 15 maart 2012, ECLI:EU:C:2012:140, Del Corso – SCF, r.o. 83-85 en 95

2 Memorie van Toelichting, Kamerstukken 1993-1994, 23 247, nr. 3, p. 14

3 Memorie van Antwoord, Kamerstukken 1993-1994, 23 247, nr. 5, p. 11

4 HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7484, Stichting Leenrecht – VOB, r.o. 3.4.2

5 HvJ 10 november 2016, ECLI:EU:C:2016:856, VOB – Stichting Leenrecht, r.o. 46 en 47 en HvJ 30 juni 2011, ECLI:EU:C:2011:442, VEWA – Belgische Staat, r.o. 34

6 Proposal for a Council Directive on rental right, lending right, and on certain rights related to copyright, COM(90) 586 final, paragraaf 1.3, p. 35-36 (de toelichting bij het voorstel voor Lrl 1992) van 24 januari 1991

7 Guide to the Copyright and Relate Rights Treaties administered by WIPO and Glossary of Copyright and Related Right Terms

8 Vgl. in dit verband, voor wat betreft de uitleg van de zinsnede ‘familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring’ in (thans) artikel 12 lid 4 Aw, HR 9 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8594, Stichting Willem Dreeshuis/Buma, waar met betrekking tot een bejaardenhuis (waarvan was aangevoerd dat de bewoners, gedragen door eenzelfde levens- en/of wereldbeschouwing of godsdienstige overtuiging medebewoners zijn geworden van een bejaardentehuis, dat voor hen de vervanging vormt van de familie- en/of vriendenkring) werd overwogen dat dit niet de conclusie wettigt “dat tussen hen banden van persoonlijke aard bestaan, die nauwelijks minder hecht zijn dan familiebanden en banden van vriendschap”

9 Brief van de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen, Kamerstukken II 1994-1995, 23 247, nr. 21, p. 8

10 HvJ 6 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:448, Commissie – Portugal, r.o. 22, HvJ 26 oktober 2006, ECLI:EU:C:2006:672, Commissie – Spanje, r.o. 31, HvJ 30 juni 2011, ECLI:EU:C:2011:442, VEWA – Belgische Staat, r.o. 42

11 Terwijl die regeling wel van toepassing is, gelet op HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7484, Stichting Leenrecht – VOB, r.o. 3.7