Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11324

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
533677
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

publicatie over Noorse Broeders niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/533677 / KG ZA 17/720

Vonnis in kort geding van 31 juli 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING CHRISTELIJKE GEMEENTE NEDERLAND,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. C.A. Alberdingk Thijm te Amsterdam,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NRC MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaten mr. J.P. van den Brink en mr. E.W. Jurjens te Amsterdam.

Eiseres wordt hierna ‘de CGN’ genoemd. Gedaagden zullen respectievelijk ‘NRC Media’, ‘ [gedaagde sub 2] ’ en ‘ [gedaagde sub 3] ’ worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid als ‘NRC’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 juni 2017, met producties 1-16;

- de conclusie van antwoord van NRC, met producties 1-36;

- de aanvullende producties 17-22 van de CGN;

- de aanvullende producties 37-89 van NRC;

- de e-mail van NRC met aanvullende producties 90-92;

- de e-mail van NRC met aanvullende productie 93;

- de conclusie van repliek van de CGN, met producties 23-27;

- de op 10 juli 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De CGN is een christelijke geloofsgemeenschap met in Nederland ongeveer 1.800-2.000 leden. De CGN is gelieerd aan de Brunstad Christian Church, die oorspronkelijk in Noorwegen is ontstaan. De geloofsgemeenschap wordt ook wel aangeduid als de ‘Noorse Broeders’.

2.2.

NRC Media is onder meer uitgever van NRC Handelsblad en NRC Next. [gedaagde sub 2] is hoofdredacteur van NRC Handelsblad, [gedaagde sub 3] werkt voor NRC Handelsblad als journalist.

2.3.

[gedaagde sub 3] heeft sinds oktober 2016 in het NRC Handelsblad en NRC Next diverse artikelen geschreven over de CGN.

2.4.

[gedaagde sub 3] baseert zijn artikelen mede op documenten die NRC Media in handen zijn gekomen in verband met de arrestatie van een bestuurslid van de stichting Hippo Mundo Charity (HMC). Deze stichting wordt door CGN omschreven als “een goede doelen stichting van CGN”. Het betreffende bestuurslid, dat gedurende zijn bestuurslidmaatschap ook aangesloten was bij de CGN, is gearresteerd vanwege verdenking van het ten eigen voordeel uitgeven van geld van de stichting HMC.

2.5.

Op de website van het NRC Handelblad zijn bij de artikelen van [gedaagde sub 3] links geplaatst naar webpagina’s waar een deel van de in handen van NRC Media gekomen documenten, betrekking hebbend op het onderwerp van het artikel, kunnen worden ingezien.

2.6.

De CGN heeft dit kort geding aanhangig gemaakt naar aanleiding van een recent artikel van [gedaagde sub 3] . Het artikel heeft als kop “Rabo stopt met Noorse broeders”.

2.7.

Het betreffende artikel is op 11 mei 2017 rond 12.20 uur op de website van het NRC Handelsblad geplaatst en de dag erna op de voorpagina van het NRC Handelsblad en NRC Next gepubliceerd. Diverse media hebben vervolgens de inhoud overgenomen.

2.8.

Voorafgaand aan de publicatie door NRC Handelsblad heeft [gedaagde sub 3] contact gehad met een aantal CGN-leden met het verzoek om een reactie. Hierop is als volgt gereageerd:

De informatie waarover u beschikt is niet juist. Ons is bekend dat Rabobank met ons in gesprek wil n.a.v. de publicaties in NRC Handelsblad. Rabobank heeft ons echter bevestigd dat een gesprek niet betekent dat zij de relatie met CGN verbreekt. Ook Rabobank doet aan wederhoor. Wij vertrouwen er op dat de Rabobank de relatie met CGN niet zal verbreken. Van een “uitvoerig onderzoek” is ons niets bekend. Mocht Rabobank beschikken over andere informatie dan de publicaties in NRC Handelsblad, dan zal zij die ons vanzelfsprekend voorafgaand aan een gesprek sturen, zoals dat gebruikelijk is in een relatie tussen bank en klant”.

2.9.

Het volledige artikel is hieronder weergegeven.

2.10.

De brief waaruit in het artikel wordt geciteerd, is door de Rabobank op 28 april 2017 verzonden aan Adsolve B.V., een vennootschap waarvan het onder 2.4 bedoelde ex-lid van de CGN bestuurder is. In de brief wordt de opzegging van de bancaire relatie gemotiveerd met diens arrestatie. De brief vervolgt dan:

Verder stellen wij vast en rekenen wij u aan dat u een actieve bijdrage hebt geleverd aan het in strijd met de geldende fiscale regelgeving inzetten van ANBI faciliteiten/structuren voor commerciële doeleinden. De daarmee gepaard gaande geldstromen heeft u (mede) over rekeningen van Rabobank laten lopen. Ook stellen we vast dat u een actieve rol heeft gehad in het verhullen van werkelijke intenties van de (potentiële) rekeninghouders waardoor onvoldoende transparantie is betracht naar Rabobank om aan de haar gestelde wettelijke vereisten te kunnen voldoen. Het voorgaande is onacceptabel voor Rabobank. In de negatieve publicaties worden verder relaties gelegd met belastingontduiking, overtreding Arbeidstijden wetgeving, kinderarbeid en zelfverrijking van leidinggevenden.

Het feit dat u verdacht wordt van, dan wel in verband wordt gebracht met bovengenoemde feiten neemt Rabobank zeer ernstig op. Rabobank wenst niet geassocieerd te worden met de kwesties waarmee u, terecht of onterecht, in verband wordt gebracht. Ook wenst Rabobank op geen enkele wijze mee te werken, dan wel betrokken te zijn bij kwesties die het aanzien (de reputatie) van de bank kunnen schaden, dan wel een gevaar opleveren voor de integriteit van de bank. Naamverbondenheid van Rabobank met u leidt, althans kan leiden tot aantasting van de reputatie van de bank. Van banken wordt verwacht dat zij – op grond van geldende (o.a.CDD-) regelgeving – de grootst mogelijke integriteit van het financiële stelsel bewaken. Rabobank dient zich dan ook verre te houden van activiteiten die dit (kunnen) aantasten. (…)”.

2.11.

Door de CGN is een e-mail, gedateerd 1 juni 2017, in het geding gebracht, afkomstig van de Rabobank en gericht aan de advocaat van de CGN. Deze e-mail luidt, voor zover relevant:

Rabobank heeft in de brief van 23 mei jl. haar voornemen [om de bancaire relatie met de CGN te beëindigen; rb] toegelicht. (…) Rabobank verwijst in haar brief naar mailverkeer van 27 en 28 januari 2016 van de heren [… 1] , [… 2] en [… 3] . Deze e-mailcorrespondentie is door NRC Handelsblad aan Rabobank verstrekt met het verzoek om hierop commentaar te geven (…).

Daarnaast verwijst Rabobank in haar brief naar mailverkeer tussen de (voormalig) bestuurders van CGN Nederland (…). Deze e-mailcorrespondentie heeft Rabobank uit openbare bron verkregen. U kunt de openbare bron bereiken via de volgende internetlinks:

https://www.nrc.nl/nieuws/2016/12/18/fiscus-pakt-noorse-broeders-hun-goededoelenstatus-af-5846942-a1537298 en https://www.nrc.nl/nieuws/2016/11/02/227538-a1529796.

Verder heeft Rabobank in haar brief onder meer aangegeven dat de verwevenheid tussen de stichtingen en bedrijven door CGN zelf is bevestigd en deze entiteiten gezamenlijk zijn aangeduid als “CGN concern””.

3 Het geschil

3.1.

De CGN vordert, na nadere substantiëring, – zakelijk weergegeven –

I. dat NRC bevolen wordt een rectificatie te plaatsen ter zake de beschuldigingen van kinderarbeid, fraude en de vermelding van opzegging van de bancaire relatie door de Rabobank;

II. dat NRC wordt bevolen alle in de dagvaarding omschreven publicaties niet langer voor het publiek beschikbaar te doen zijn;

III. dat NRC wordt bevolen alle bij eerdere publicaties op haar website geplaatste privé-communicatie en vertrouwelijke stukken niet langer voor het publiek beschikbaar te doen zijn;

IV. dat NRC wordt bevolen in de toekomst niet opnieuw te beweren dat de Rabobank haar relatie met de CGN verbreekt en/of dat de CGN zich schuldig maakt aan kinderarbeid en fraude, en om bij toekomstige artikelen over de CGN te vermelden dat CGN naar aanleiding van de eerdere publicaties een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt;

V. NRC te bevelen op eerste verzoek van de CGN of haar raadsman een kennisgeving van de rectificatie te sturen aan ieder medium dat refereert aan het bericht dat de Rabobank haar relaties met de CGN verbreek;

VI. NRC te bevelen Google en Bing te verzoeken hun zoekmachines zo in te stellen dat het artikel van mei 2017 niet langer vindbaar is;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van NRC in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert de CGN – samengevat – het volgende aan.

3.2.1.

De gehele reeks artikelen van [gedaagde sub 3] over de CGN is onrechtmatig. Dit onder meer omdat daarin onterechte beschuldigingen over kinderarbeid, belastingontduiking en fraude worden gedaan. Daarom zal over de hele reeks een bodemprocedure worden begonnen.

3.2.2.

Dit kort geding heeft betrekking op het artikel van mei 2017, waarin ten onrechte wordt beweerd dat de Rabobank de bancaire relatie met de CGN heeft verbroken. In het artikel wordt verder geciteerd uit een brief. Het gaat dan echter niet om een brief die aan de CGN is gezonden.

3.2.3.

Daarnaast worden in het artikel beschuldigingen van kinderarbeid en fraude herhaald. Van kinderarbeid is echter geen sprake, het enige wat is gebeurd is dat kinderen van 12 jaar incidenteel hebben meegeholpen met vrijwilligerswerk ten behoeve van de kerk en dat 16- en 17-jarigen een enkele keer na 23.00 uur zijn ingezet. Dit is in strijd met de geldende voorschriften en na constatering gecorrigeerd. Van fraude is evenmin sprake. Weliswaar is de ANBI-status van stichting HMC ingetrokken, maar dat rechtvaardigt een dergelijke ernstige beschuldiging niet.

3.2.4.

Het artikel is in strijd met de journalistieke standaarden tot stand gekomen. Alle beweringen zijn terug te voeren tot één bron, namelijk e-mails die zijn verkregen van een voormalig lid van de CGN. Dat ex-lid is echter wegens fraude gearresteerd en heeft er belang bij de CGN in een kwaad daglicht te zetten. Die bron is dus onbetrouwbaar. Ook is in strijd met het principe van hoor en wederhoor gehandeld, de CGN is onvoldoende gelegenheid voor een reactie geboden.

3.2.5.

De CGN wordt als gevolg van de publicaties geschaad in haar door artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde belang van eer en goede naam. Ook het feit dat op de website van NRC Handelsblad interne e-mailcorrespondentie van de CGN voor het publiek toegankelijk wordt gemaakt is een schending van dat artikel.

3.2.6.

De onrechtmatige publicatie heeft ernstige gevolgen voor de CGN en haar leden. Een van de gevolgen is dat de Triodosbank haar relatie met de CGN heeft verbroken.

3.3.

NRC voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

4.1.

NRC betwist het spoedeisend belang van de CGN, aangezien zij al sinds oktober 2016 artikelen over de CGN publiceert. Volgens de CGN heeft dit kort geding echter uitsluitend betrekking op de publicatie van mei 2017 ter zake de bancaire relatie van de CGN met de Rabobank. Voor zover de vorderingen verband houden met dat artikel acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voldoende aanwezig. Consequentie hiervan is dat de CGN niet ontvankelijk is in haar vorderingen als bedoeld in 3.1 onder II en III voor zover deze betrekking hebben op eerdere publicaties dan het hiervoor bedoelde artikel.

Partijen

4.2.

De CGN heeft behalve NRC Media ook [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gedagvaard. Laatstgenoemden zijn werknemers bij NRC Media. Op grond van artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is NRC Media aansprakelijk voor onrechtmatige gedragingen die door [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] in het kader van het dienstverband bij NRC Media zouden zijn gepleegd. NRC Media heeft die (mogelijke) aansprakelijkheid ook niet betwist. Nu de CGN niet inzichtelijk heeft gemaakt dat [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] ook los van hun positie als werknemer van NRC Media onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld zijn de vorderingen voor zover zij zijn gericht tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet toewijsbaar.

Toetsingskader

4.3.

Uitgangspunt is dat toewijzing van de vorderingen van de CGN een beperking zou inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van NRC Media op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen en de wederzijdse belangen te worden afgewogen. Het belang van NRC Media is dat zij vrijelijk moet kunnen publiceren over door haar geconstateerde (vermeende) misstanden of anderszins maatschappelijk relevante onderwerpen. Daar tegenover staat het belang van de CGN om gevrijwaard te blijven van berichtgeving waarin zij ten onrechte in verband wordt gebracht met strafbare feiten of gedragingen die in het maatschappelijk verkeer als diffamerend worden beschouwd.

4.4.

De CGN beroept zich tevens op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder recht op bescherming van goede naam en reputatie. Voor zover moet worden aangenomen dat de CGN als stichting een beroep op dit artikel toekomt, maakt dit het voorgaande niet wezenlijk anders, nu volgens vaste jurisprudentie ook bij een beroep op artikel 8 EVRM aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval nagegaan dient te worden of dit recht zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting.

Het artikel van mei 2017

4.5.

De voorzieningenrechter zal hierna het artikel per passage beoordelen aan de hand van het hiervoor genoemde criterium.

4.6.

De kop en de eerste alinea van het artikel luiden:

“Fraude

Rabo stopt met Noorse broeders

De Rabobank onderzocht het netwerk van de broeders, na berichten over fraude.

Rabobank verbreekt haar relatie met de Noorse broeders. De bank wil stoppen met de financiering van, en het betalingsverkeer aan bedrijven, stichtingen en (ex-) bestuurders van de in opspraak gekomen sektarisch christelijke geloofsgemeenschap. Dat blijkt uit documenten in handen van NRC”.

4.7.

De CGN stelt dat NRC ten tijde van de publicatie, anders dan daarin verwoord, niet beschikte over enig document waaruit blijkt dat de Rabobank haar relatie met de CGN wil beëindigen. Die omstandigheid kan echter niet leiden tot het oordeel dat de publicatie onrechtmatig is. In de eerste plaats is van belang dat in de voorlaatste zin van het hierboven weergegeven citaat wordt verwezen naar “het betalingsverkeer aan bedrijven, stichtingen en (ex-) bestuurders” van de CGN, derhalve een bredere groep dan alleen de CGN zelf. In het artikel wordt verder geciteerd uit een brief die is gericht aan een vennootschap van het onder 2.4 bedoelde (ex-) bestuurslid. Die brief heeft betrekking op beëindiging van de bancaire relatie met die betreffende vennootschap, maar dat besluit wordt mede gemotiveerd met verwijzingen naar publicaties over “belastingontduiking, overtreding Arbeidstijdenwetgeving, kinderarbeid en zelfverrijking van leidinggevenden”. Daarmee bevat de brief een aanwijzing dat de Rabobank ook haar relatie met andere entiteiten die daarvan zijn beschuldigd, wil beëindigen. Tot slot heeft NRC verwezen naar een anonieme bron, die naar zij stelt vanuit zijn of haar positie kon beschikken over informatie op dit punt. Alhoewel een beroep op een anonieme bron vanzelfsprekend met terughoudendheid dient te worden beoordeeld, is het geheel van aanwijzingen waarop NRC zich beroept zodanig dat niet kan worden geoordeeld dat de inhoud van de publicatie geen grond vindt in de feiten en daarom onrechtmatig moet worden geacht.

4.8.

Bovendien blijkt uit in het geding gebrachte stukken dat de Rabobank gesprekken met de CGN heeft geïnitieerd omdat zij voornemens is haar bancaire relatie met de CGN te verbreken. Dat dergelijke gesprekken gaande zijn is door de GCN ook niet betwist. Dat de reden voor deze stap van de Rabobank verband houdt met eerdere berichten over fraude kan, gelet op de onder 2.11 geciteerde brief, eveneens als vaststaand worden aangenomen. Ook daarom is de publicatie niet onrechtmatig. Dat de kop boven het artikel en de eerste zin van het artikel ook kunnen worden opgevat in de zin dat het verbreken van de relatie reeds een vaststaand feit is, hetgeen niet het geval is, leidt niet tot een andere conclusie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die onjuiste suggestie voldoende wordt ontkracht door de tweede zin van het artikel en de (hierna nog te bespreken) aan het slot van het artikel weergegeven reactie namens de CGN.

4.9.

Het artikel vervolgt:

Met de uitvoering van het besluit wordt de financiële infrastructuur van de broeders in Nederland goeddeels platgelegd. Dat is een vergaande maatregel die banken ook inzetten bij criminele organisaties en terrorismeverdachten”

4.10.

Anders dan de CGN betoogt bevat deze passage niet de stelling dat de CGN vergelijkbaar is met een criminele organisatie of terrorismeverdachte, maar dat de jegens haar getroffen maatregel ook wordt toegepast op cliënten van de bank die aan een dergelijke omschrijving voldoen. Dat is een feitelijk juiste, en daarmee niet onrechtmatige opmerking.

4.11.

Daarna volgt:

“Het besluit van de bank volgt op berichtgeving van NRC. Vorig jaar bleek uit die publicaties dat de broeders – die ook bekend staan als Christelijke Gemeente Nederland (CGN) – zich schuldig maken aan belastingontwijking, fraude, kinderarbeid en het schenden van de Arbeidstijdenwet. Ook verrijken leiders zich via belastingparadijzen met het geld dat de veertigduizend aanhangers wereldwijd afstaan. Van hen wonen er tweeduizend in Nederland”.

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat NRC heeft gepubliceerd over de CGN. De verschillende waardering van die publicaties maakt nu juist het onderwerp van het geschil tussen partijen uit. Verder blijkt uit de onder 2.11 geciteerde brief voldoende van een verband tussen de publicaties in het NRC en het (voorgenomen) besluit van de Rabobank. De vraag of die beschuldigingen in die publicaties door NRC mochten worden gedaan valt buiten het bestek van dit kort geding. De CGN heeft aangekondigd hierover een bodemprocedure te willen beginnen. Voor zover de CGN stelt dat het verwijzen naar die beschuldigingen in dit artikel onrechtmatig is, wordt dit verworpen. De (on)rechtmatigheid van het verwijzen naar een beschuldiging kan niet los van de juistheid van de beschuldiging als zodanig worden beoordeeld. Daarvoor ontbreekt echter, als eerder vermeld, het spoedeisend belang. Daar komt bij dat door NRC stukken in het geding zijn gebracht waarop zij de genoemde beschuldigingen baseert. Deze zijn door de CGN niet gemotiveerd weersproken. Dit leidt tot het oordeel dat, hoewel het gaat om ernstige beschuldigingen, er geen grond is om vooruitlopend op een nog te entameren bodemprocedure over die beschuldigingen als zodanig, het verwijzen naar die beschuldigingen als onrechtmatig te bestempelen.

4.13.

Hierna volgt:

“Onder de Noorse broeders in Nederland zijn hoge ambtenaren van ministeries en Belastingdienst. Prominent broeder [A] werd vorig jaar door het kabinet benoemd tot gouverneur van Aruba”.

4.14.

Niet gebleken is dat deze passage onjuistheden bevat. Ook wordt niet gesuggereerd dat al dan niet bij name genoemde bij de CGN betrokken personen ten faveure van de CGN misbruik van hun positie zouden maken. Ook deze passage is derhalve niet onrechtmatig.

4.15.

Het artikel vervolgt daarna met de tekst:

“Reputatie van de bank

Na de publicaties deed Rabobank onderzoek naar het netwerk van de broeders. Daarbij bleek dat fiscale regels zijn overtreden. De betreffende geldstromen liepen over rekeningen van de bank, staat in een brief van de afdeling financial restructuring & recovery van de bank.

Rabobank schrijft „op geen enkele wijze” te willen meewerken aan kwesties „die het aanzien of de reputatie van de bank kunnen schaden, dan wel een gevaar opleveren voor de integriteit van de bank.”

Desgevraagd zegt de bank „nooit mededelingen [te] doen over individuele klantrelaties. In het algemeen is het zo dat de bank bij media-aandacht beziet in hoeverre dit van invloed is op de klantrelatie””.

4.16.

Dat de brief waaruit in de hiervoor aangehaalde passage wordt geciteerd niet is gericht aan de GCN maakt, anders dan de CGN stelt, de publicatie niet onrechtmatig. De eerste zin van de aangehaalde passage verwijst immers naar een onderzoek naar “het netwerk”. Dat is breder dan alleen de CGN zelf. Dat een onderzoek is gestart naar aanleiding van de publicaties in het NRC blijkt uit de onder 2.11 genoemde brief. De brief waaruit wordt geciteerd is in het kader van dat onderzoek geschreven (zie hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen). De hiervoor aangehaalde passage geeft derhalve slechts feiten weer. Voor zover de CGN stelt dat het onrechtmatige karakter erin schuilt dat het geheel van het artikel, en deze passage in het bijzonder, de onterechte suggestie wekt dat de CGN als zelfstandige entiteit ook door de Rabobank in verband wordt gebracht met de in de brief genoemde verwijten wordt dit verworpen. Feit is immers dat het onderzoek zich ook op de CGN richt en dat de Rabobank ook tegenover haar het voornemen heeft geuit de bancaire relatie te beëindigen om redenen die verband houden met de publicaties van het NRC.

4.17.

Hierna volgt:

“Al in 2008 wilde ING in Nederland wegens „compliance problemen” geen zaken doen met de broeders. In Zwitserland sloten UBS (2010) en Credit Suisse (2013) rekeningen van de broeders. In 2014 deed de Bank of Cyprus dat ook. In 2015 volgde de Noorse bank Nordea, en hielden Piraeus Bank, Russian Commercial Bank en Butterfield Bank (Bermuda) de broeders buiten de deur, blijkt uit stukken die NRC heeft.

4.18.

NRC heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat genoemde banken hun banden met aan de CGN dan wel aan de Brunstad Christian Church gelieerde organisaties hebben verbroken. Nu de CGN blijkens de dagvaarding deze passage ook heeft opgevat in die zin dat onder “de broeders” ook andere entiteiten dan alleen de CGN moeten worden verstaan en de gevorderde rectificatie ook niet op het in deze passage vermelde betrekking heeft zal de voorzieningenrechter dit verder onbesproken laten.

4.19.

Het artikel sluit af als volgt

“In Nederland doet Triodos Bank wel zaken. De bank leende 6 miljoen euro aan het conferentiecentrum van de broeders in Stadskanaal. Triodos: „Over relaties met klanten, en de omvang daarvan, doen we geen mededelingen.”

Topman verdacht

De financiële topman van de broeders, de Noor [B] , wordt door het Nederlandse OM verdacht van valsheid in geschrifte. Eerder is ex-broeder [C] . aangehouden op verdenking van onder meer fraude en witwassen”

In een reactie zegt CGN: „Ons is bekend dat Rabobank met ons in gesprek wil. Rabobank heeft ons echter bevestigd dat een gesprek niet betekent dat zij de relatie met CGN verbreekt”.

4.20.

Het bezwaar van CGN tegen deze passage is dat haar reactie in wederhoor, voor het geven waarvan haar slechts kort de tijd werd gegund, onvolledig is overgenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter omvat de overgenomen passage echter de kern van wat CGN in haar reactie op het artikel (zie 2.8) aan NRC heeft laten weten. Dat de reactie niet integraal is overgenomen leidt niet tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatigheid.

4.21.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een onrechtmatige publicatie.

Vorderingen

4.22.

Nu de publicatie niet onrechtmatig wordt geacht, bestaat geen grond voor een verplichting tot rectificatie. Om dezelfde reden worden ook de vorderingen met betrekking tot het informeren van andere media en tot het doen van een verzoek tot verwijdering aan exploitanten van internetzoekmachines afgewezen.

4.23.

Zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen bestaat bij de vorderingen genoemd in rechtsoverweging 3.1 onder II en III onvoldoende spoedeisend belang voor zover deze vordering betrekking hebben op andere artikelen dan het artikel van mei 2017 ter zake de bancaire relatie met de Rabobank. Voor zover de vorderingen betrekking hebben op laatstgenoemd artikel zijn ze ontvankelijk, maar om reden als hiervoor vermeld niet toewijsbaar.

4.24.

Tot slot is ook de vordering ter zake een verbod op het herhalen van beschuldigingen niet toewijsbaar, gelet op hetgeen onder 4.12 is overwogen.

4.25.

Nu geen van de vorderingen toewijsbaar is zal de CGN, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt de GCN in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van NRC begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2017.

[JWR]