Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1132

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
NL16.3700 & 16.3699
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De asielaanvraag van eiser is afgewezen, omdat zijn gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig wordt geacht. Tevens is eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de prejudiciële vragen van Hongarije aan het Hof van Justitie met betrekking tot de beoordeling van de gestelde homoseksualiteit, zoals door eiser is verzocht. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming gehandeld met werkinstructies 2014/10 en 2015/9. De rechtbank acht in dit verband mede van belang dat, zoals ook tot uitdrukking wordt gebracht in de door de Raad van Europa onderschreven Yogyakarta Principles die in WI 2015/9 worden aangehaald, iemands homoseksuele geaardheid geen ‘medical condition’ is, die als zodanig kan worden onderzocht. De rechtbank ziet daarom geen reden om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen. Daarnaast heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd, omdat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser een strafblad heeft. De laatste veroordeling dateert echter van 2012 en de betreffende (laatste) misdrijven zijn in 2010 gepleegd. De stellingen van verweerder ter zitting dat onduidelijk is of eiser zich na zijn terugkeer in Irak heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en nog maar kort in Nederland is, wat van deze stellingen ook zij, nopen evenmin tot de conclusie dat sprake is van een werkelijke en actuele dreiging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft deze motivering dan ook ten onrechte aan het terugkeerbesluit en het inreisverbod ten grondslag gelegd. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3012).

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL 16.3700 (beroep)

NL 16.3699 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 23 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts is de ongewenstverklaring opgeheven en wordt aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd op grond van artikel 66a Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is als getuige verschenen [naam getuige] .

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

1.1

Op 29 oktober 2006 heeft eiser voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 2 mei 2007 is de asielaanvraag van eiser afgewezen, maar is hem een reguliere verblijfsvergunning “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” verleend van 29 oktober 2006 tot 29 oktober 2007.

1.2

Op 21 september 2007 heeft eiser verzocht om een verlenging van de verblijfsvergunning regulier, welke hem is verleend met een geldigheid van 29 oktober 2007 tot 29 oktober 2008. Op 24 november 2008 heeft eiser wederom verzocht om een verlenging. Dit verzoek is bij beschikking van 4 september 2009 afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is op 24 november 2009 ongegrond verklaard. Op 20 mei 2010 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep tegen de beschikking van 24 november 2009 ongegrond verklaard (AWB 09/46860).

1.3

Bij beschikking van 11 juni 2010 is eiser ongewenst vreemdeling verklaard. Het uitreiken van de beschikking aan eiser bleek niet mogelijk, waarop deze op 26 augustus 2010 aan de toenmalige advocaat is uitgereikt en de ongewenstverklaring op 30 augustus 2010 in de Staatscourant is gepubliceerd.

1.4

Op 27 augustus 2010 heeft eiser tegen de ongewenstverklaring bezwaar gemaakt op nader aan te voeren gronden. Aan eiser is een termijn van twee weken verleend voor de aanvulling van de gronden. De termijn is op 17 september 2010 ongebruikt verstreken. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, van 27 oktober 2010 is het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard (AWB 10/30216). Bij beschikking van 5 november 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen de ongewenstverklaring niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 7 juni 2011 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard (AWB 10/41713).

1.5

Op 24 augustus 2011 is eiser vrijwillig teruggekeerd naar Irak. Eiser is naar eigen zeggen in september 2015 begonnen met zijn reis naar Nederland. Eiser heeft zich vervolgens gemeld in Ter Apel en is daarop gedetineerd. Op 30 november 2015 heeft eiser diens onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit Irak, is Koerd en homoseksueel. Sinds zijn terugkeer naar Irak is eiser politieagent geworden in [plaats] en werkte met twee andere bewakers. Hij had met één van de bewakers, [naam 1] , vanaf november 2013 een relatie. De relatie was geheim. Op een gegeven moment zijn ze door de nachtinspectie op hun werk betrapt. Vervolgens heeft eiser Irak verlaten. Hij vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst gevangenisstraf en te worden gedood door de familie van [naam 1] .

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, Vw. Daarbij heeft verweerder de volgende elementen als relevant aangemerkt:
- de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser;
- de seksuele gerichtheid van eiser;
- de betrapping op zijn werk.
Eiser wordt gevolgd in zijn nationaliteit, identiteit en herkomst. De overige elementen worden niet geloofwaardig geacht.

3.1

Eiser heeft volgens verweerder niet eenduidig verklaard op welk moment het hem duidelijk werd dat hij homoseksuele gevoelens heeft en op welk moment hij heeft geaccepteerd dat hij homoseksueel is, zeker mede gezien de situatie van homoseksuelen in Koerdistan/Irak nu dit voor hem op persoonlijk en maatschappelijk vlak grote gevolgen zou kunnen hebben. Voorts wordt overwogen dat de verklaringen van eiser op belangrijke onderdelen ontwijkend of vaag zijn. Eiser heeft derhalve geen inzicht gegeven in hoe lang het proces bij hem heeft geduurd om te komen van bewustwording tot zelfacceptatie. Dat eiser in Nederland ook een vriendin heeft gehad terwijl hij al heel lang wist dat hij geen behoefte had aan contact met meisjes, wordt zeer opmerkelijk geacht. Dat dit een onderdeel zou zijn van zijn coming out wordt in dit geval niet aannemelijk geacht. Daarnaast wordt overwogen dat niet valt in te zien waarom eiser tijdens zijn eerdere verblijf in Nederland niet al naar voren heeft gebracht dat hij homoseksueel is. Eiser wist hoe er binnen de Iraakse/moslim gemeenschap over homoseksualiteit wordt gedacht, hij is na het overlijden van zijn ouders zelf door een streng religieuze oom opgevoed en hij heeft er vanwege zijn culturele achtergrond en angst bijna nooit over gesproken, maar hij, volgens zijn eigen verklaringen, in Nederland zijn homoseksuele geaardheid heeft leren accepteren. Gelet hierop is het zeer bevreemdingwekkend dat eiser in 2011 vrijwillig naar Irak is teruggekeerd met de wetenschap dat hij homoseksueel is en dit (in het geheim) zou gaan praktiseren en dat hij geen aanvraag voor verblijf op deze grond heeft gedaan. De omstandigheid dat eiser pas na terugkeer in Nederland een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend vanwege zijn gestelde seksuele gerichtheid, doet daarom verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn relaas is verder van belang dat eiser over zijn gestelde relatie(s) in Nederland ontwijkend, vaag en summier heeft verklaard. Dat eiser, die van 2006 tot 2011 in Nederland heeft verbleven en zich toen al bewust was van zijn homoseksuele oriëntatie, nooit eerder van een LHBT-organisatie heeft gehoord, wordt zeer opmerkelijk geacht en dit versterkt de ongeloofwaardigheid van het door eiser gestelde eens te meer. Van iemand die stelt homoseksueel te zijn mag worden verwacht dat hij zich verdiept in de rechten van homoseksuelen in het land waar hij de bescherming van inroept. Ten slotte wordt nog overwogen dat het bevreemding wekt dat eiser, die stelt zijn geaardheid geaccepteerd te hebben, er ook in Nederland niet openlijk voor uit komt. Nu is geoordeeld dat het niet geloofwaardig is dat eiser homoseksueel is, bestaat reeds hierom twijfel aan de geloofwaardigheid van de betrapping van eiser met [naam 1] tijdens zijn werk als politieagent. Mede gezien de omstandigheid dat eiser weet had van hoe de Koerdische maatschappij over het algemeen over homoseksualiteit denkt, laat staan over een homoseksuele relatie waarbij twee mannen dan worden betrapt, en de omstandigheid dat eiser weet heeft van de strafbaarstelling van homoseksualiteit in de KAR, wordt overwogen dat niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser en zijn partner zich dan op gestelde wijze hebben laten betrappen.

3.2

Verweerder heeft voorts vastgesteld dat betrokkene op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde vormt. Gelet hierop heeft verweerder aan eiser een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden en hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, een en ander op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, Vw, artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, Vw, artikel 66a, vierde lid, Vw en artikel 6.5a, vijfde lid, Vb.

4. Eiser voert allereerst aan dat alles wat bij de zienswijze is ingebracht als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiser in zijn zienswijze heeft ingebracht. De enkele verwijzing in dit verband naar de zienswijze, zonder daarbij aan te geven in welk opzicht verweerders reactie daarop in het bestreden besluit tekortschiet, is onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waarop de rechtbank in moet gaan.

5. Eiser voert voorts – verkort en zakelijk weergegeven – aan dat niet alleen sprake is van miscommunicatie tussen hem en de gehoorambtenaar, maar dat eiser de verschillende begrippen (bewustwording, acceptatie en eerste homoseksuele ervaring) niet heeft begrepen en van elkaar heeft kunnen onderscheiden. De gehoorambtenaar had dit moeten vaststellen en heeft dit nagelaten.

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het advies van FMMU niet valt op te maken dat sprake is geweest van medische/psychische omstandigheden die van enig invloed zouden kunnen zijn voor het nader gehoor. Voorts blijkt dat eiser door de gehoorambtenaar, waar nodig, in de gelegenheid is gesteld om zo volledig mogelijk zijn asielmotieven nog toe te lichten. De gehoorambtenaar heeft dit gedaan door eiser op zijn gemak te stellen, de vragen te herhalen waar dit nodig bleek, de vragen te herformuleren en de antwoorden samen te vatten. Bovendien blijkt niet uit de antwoorden van eiser dat hij de vragen niet goed gehoord of begrepen heeft, want in dat geval zou hij een totaal ander antwoord op de vragen hebben gegeven. Evenmin is gebleken dat hij zich tijdens het gehoor op enig moment onder druk gezet heeft gevoeld of op een andere manier niet op zijn gemak was en dat hij daarom niet meer rationeel heeft kunnen nadenken. Afsluitend heeft eiser verklaard dat het gesprek prima is verlopen en dat hij de vragen van de tolk goed heeft begrepen en verstaan. Uit vorenstaande is niet gebleken dat er sprake is geweest van miscommunicatie tussen de gehoorambtenaar en eiser tijdens het nader gehoor.

5.2

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verslagen van de gehoren blijkt dat eiser ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om zijn verhaal te doen. De vragen zijn op een duidelijke manier gesteld, zonder moeilijke termen te gebruiken. Zo nodig zijn vragen herhaald en is nadere uitleg gegeven. Er is, op verschillende manieren, (door)gevraagd naar wat eiser heeft meegemaakt en naar zijn gedachten en gevoelens. Dat eiser een laag opleidingsniveau heeft, een moeilijke jeugd heeft gehad, op straat leefde ten tijde van de gehoren en psychische problemen heeft, maakt op zichzelf niet dat hij hierover niet kan verklaren. Uit de antwoorden op de gestelde vragen blijkt niet dat misverstanden zijn ontstaan, dat eisers psychische problemen van invloed zijn geweest op zijn verklaringen of dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn antwoorden toe te lichten. Bovendien heeft eiser na afloop van het nader gehoor desgevraagd verklaard dat hij geen op- of aanmerkingen heeft over de manier waarop dit gesprek heeft plaatsgevonden, dat het prima was, dat hij geen op- of aanmerkingen heeft over de gehoormedewerker of de tolk, en dat hij de tolk goed heeft begrepen. De beroepsgrond faalt.

6. Voorts voert eiser aan dat verweerder bij de integrale geloofswaardigheidsbeoordeling heeft nagelaten relevante informatie te betrekken. Zo heeft verweerder de brief van psycholoog [naam 2] niet bij het besluit betrokken, waarin deze tot de conclusie komt dat het relaas op hem veel eerder geloofwaardig dan ongeloofwaardig overkomt. Ook heeft verweerder de psychische problemen van eiser niet betrokken bij de besluitvorming. Zijn psychische problemen, die zich uiten in automutilatie en verslaving, sluiten aan bij psychische processen van adolescenten die worstelen met hun homoseksuele geaardheid.

Eiser voert daarnaast aan dat het standpunt van verweerder om de brief van psycholoog [naam 2] niet te betrekken in de besluitvorming niet langer houdbaar is sinds de prejudiciële vragen van een Hongaarse rechtbank aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) (C-473/16-F) of de beoordeling van iemands seksuele geaardheid niet beter kan worden gedaan door een daartoe meer deskundig iemand, anders dan een ambtenaar die, zelfs als hij ‘dit met de nodige kwalificaties en gevoeligheid’ doet tegen de achtergrond van het gestelde in artikel 4 van de Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (Kwalificatierichtlijn) zelfs niet altijd een juist resultaat zal hebben. Als de rechtbank hiertoe reden ziet zal eerst de beantwoording van deze vragen door het HvJ moeten worden afgewacht.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder gezien de samenwerkingsverplichting ex artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn de gevraagde rapportage van de psycholoog/psychiater van het detentiecentrum Zaandam had moeten opvragen. Eiser heeft namelijk daar voor het eerst in zijn leven echt besproken dat hij homoseksueel is. Om die reden is het relevant de rapportage in te zien die toentertijd is opgemaakt. Gelet op het feit dat deze rapportage zich in handen van het bestuur bevindt had het in de rede gelegen dat verweerder in het kader van de samenwerkingsverplichting deze rapportage zou hebben opgevraagd. Verweerder meent ten onrechte dat hij deze rapportage niet heeft hoeven opvragen, omdat het relaas ongeloofwaardig is geacht. Eiser heeft op 3 januari 2017 de rechtbank correspondentie doen toekomen over de pogingen van eiser zelf om zijn dossier te bemachtigen.

Door bovengenoemde omstandigheden niet te betrekken bij de beoordeling heeft verweerder gehandeld in strijd met Werkinstructie (WI) 2014/10 en WI 2015/9. Immers, er is geen sprake van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wanneer geen rekening wordt gehouden met de individuele merites van de zaak.

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is geacht en het aan eiser zelf is om middels zijn verklaringen zijn asielrelaas aannemelijk te maken. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van eiser heeft plaatsgevonden in overeenstemming met WI 2015/9 en middels een interne vragenlijst. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat iedere zaak op zijn individuele merites moet worden beoordeeld en dat – zeker bij een onderwerp als seksuele oriëntatie – niet alles te vatten is in objectief meetbare criteria. Daarnaast is uit het advies van FMMU naar voren gekomen dat er geen aspecten aan de orde waren die enige belemmering voor het gehoor zouden kunnen vormen. Daar komt bij dat de verklaringen van eiser tijdens deze asielprocedure alsmede zijn ongerijmde handelingen ertoe hebben bijgedragen dat zijn gestelde seksuele geaardheid niet geloofwaardig kan worden geacht. De brief van psycholoog [naam 2] kan niets afdoen aan de ongeloofwaardig bevonden verklaringen van eiser over zijn gestelde homoseksualiteit. Verweerder heeft mede daarom geen aanleiding gezien het medisch dossier van toentertijd bij DJI op te vragen.

6.2

De rechtbank overweegt als volgt.

6.2.1

Volgens paragraaf 3.2.1 van de door verweerder gehanteerde WI 2014/10 maakt verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de relevante elementen van het relaas gebruik van interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren. Bij de interne geloofwaardigheidsindicatoren gaat het om alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen. Bij de externe geloofwaardigheid gaat het om alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen dan de vreemdeling zelf. Bij de beoordeling van de interne geloofwaardigheid wordt bezien in welke mate de verklaringen van de vreemdeling gedetailleerd en specifiek zijn (en dus niet vaag en summier) en geen sprake is van tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en inconsistenties in de informatie die de vreemdeling heeft aangedragen. Vervolgens wordt aan de hand van de externe geloofwaardigheidsindicatoren bezien of de verklaringen van de vreemdeling consistent zijn met eventuele informatie van andere getuigen en met hetgeen algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst.

In WI 2015/9 is te lezen dat een medisch onderzoek of een medische test, waaronder ook psychologisch onderzoek valt, niet wordt gebruikt voor de vaststelling van de geloofwaardigheid van iemands seksuele geaardheid. Verder is te lezen dat wanneer een vreemdeling zelf met ‘medisch’ bewijs komt, bijvoorbeeld in de vorm van een rapport van een psycholoog, verweerder dat niet in de besluitvorming betrekt. Verweerder sluit hierbij aan bij de Yogyakarta Principles waaruit onder andere het volgende blijkt: “No person may be forced to undergo any form of medical or psychological treatment, procedure, testing, or be confined to a medical facility, based on sexual orientation or gender identity. Notwithstanding any classifications to the contrary, a person’s sexual orientation and gender identity are not, in and of themselves, medical conditions and are not to be treated, cured or suppressed.”. Psychologische rapporten bevatten blijkens WI 2015/9 geen wetenschappelijke grondslag waaruit geconcludeerd kan worden dat een psycholoog iemands seksuele gerichtheid kan vaststellen.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder met WI 2015/9 de tekortkomingen die zijn geconstateerd in de uitspraak van 8 juli 2015 heeft weggenomen (zie de uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630). Het is aan de rechtbank om (aan de hand van de beroepsgronden) te toetsen of verweerder WI 2015/9 heeft toegepast.

6.2.2

Het uitgangspunt in zowel WI 2014/10 als WI 2015/9 is dat eiser met zijn verklaringen zijn gestelde homoseksualiteit aannemelijk dient te maken. Op basis van de verklaringen beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas. In deze zaak heeft verweerder de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig geacht, omdat eiser hierover ontwijkend, vaag en summier heeft verklaard. De informatie die eiser betrokken wil zien worden bij de besluitvorming, maakt in de eerste plaats niet dat hiermee zijn relaas kan worden aangevuld en maakt zijn relaas niet geloofwaardig. Voorts geldt wat in WI 2015/9 is opgenomen, namelijk dat met de brief van psycholoog [naam 2] de seksuele geaardheid van eiser niet kan (en mag) worden vastgesteld. Verweerder heeft de betreffende brief dan ook terecht, en geheel in overeenstemming met WI 2015/9, niet bij zijn beoordeling betrokken. Hetzelfde geldt voor informatie uit eisers medische dossier bij DJI.

6.2.3

Ten aanzien van het betoog zijdens eiser betreffende de Hongaarse prejudiciële vragen, overweegt de rechtbank als volgt.

6.2.3.1 De Hongaarse rechter heeft de navolgende vragen gesteld aan het HvJ:

“1) Moet artikel 4 van richtlijn 2004/83/EG in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat, wanneer LGBTI’s een asielaanvraag indienen, een deskundig advies van een gerechtspsycholoog wordt ingewonnen dat op projectieve persoonlijkheidstests is gebaseerd, en dat hiermee bij de beoordeling rekening wordt gehouden, wanneer dit advies wordt opgesteld zonder dat aan de asielzoeker vragen over zijn seksuele gewoonten worden gesteld en zonder dat hij aan een lichamelijk onderzoek wordt onderworpen?

2) Indien het in de eerste vraag genoemde deskundig advies niet als bewijs kan worden gebruikt, moet artikel 4 van richtlijn 2004/83/EG dan in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat, wanneer de asielzoeker ter ondersteuning van zijn aanvraag aanvoert dat hij wegens zijn seksuele geaardheid wordt vervolgd, noch de administratieve autoriteiten noch de rechterlijke instanties de mogelijkheid hebben om aan de hand van een deskundigenonderzoek de geloofwaardigheid van de asielzoeker te onderzoeken, ongeacht de specifieke eigenschappen van de bij dit onderzoek gebruikte methode?”.

6.2.3.2 De rechtbank kan, zowel gelet op de inhoud van de verwijzingsuitspraak als gezien de hiervoor geciteerde vragen, eiser niet volgen in zijn standpunt dat hieruit blijkt dat het niet in de besluitvorming betrekken van de brief van psycholoog [naam 2] niet langer houdbaar is. Wat de Hongaarse rechter in wezen wil weten, is of het is uitgesloten psychologische tests te gebruiken als meer ‘objectieve methode’ om de homoseksuele geaardheid van een vreemdeling vast te stellen, naast of in plaats van een beoordeling van zijn of haar verklaringen. Dat hierin gelezen kan worden dat de beoordeling van iemands seksuele geaardheid (wellicht) beter kan worden gedaan door een daartoe ‘meer deskundig’ iemand dan een ambtenaar van verweerder, zoals eiser betoogt, ziet de rechtbank niet. De rechtbank acht in dit verband mede van belang dat, zoals ook tot uitdrukking wordt gebracht in de door de Raad van Europa onderschreven Yogyakarta Principles die in WI 2015/9 worden aangehaald, iemands homoseksuele geaardheid geen ‘medical condition’ is, die als zodanig kan worden onderzocht. De rechtbank ziet daarom geen reden om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.

6.2.4

Het is aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en te staven met documenten. De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 maart 2013 overwogen dat de vormgeving van de asielprocedure in de Nederlandse wet en regelgeving voldoet aan de vereisten die artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn stelt (ECLI:NL:RVS:2013:BZ4985). De samenwerkingsplicht strekt er niet toe dat verweerder het relaas moet onderbouwen met documenten en gehouden is informatie op te vragen. Dit ligt op de weg van eiser.

6.2.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zorgvuldig en in overeenstemming met zowel WI 2014/10 als WI 2015/9 gehandeld en de door eiser gevraagde informatie terecht niet betrokken bij de besluitvorming.

7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn relaas ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft daarbij ten onrechte tegengeworpen dat hij ‘vrijwillig’ is teruggekeerd naar Irak, ondanks zijn homoseksualiteit. Eiser had namelijk geen alternatief dan terugkeren naar Irak, omdat hij in bewaring zat en toen nog van homoseksuelen werd verwacht dat zij in de kast zouden blijven. Ook voert eiser aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig is dat eiser op het werk met een andere man is betrapt. Dat mensen handelen op basis van emoties en driften zou dus volgens verweerder ongeloofwaardig zijn zodra dit mogelijk risico’s met zich meebrengt. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder nalaat in te gaan op de argumenten in de zienswijze met betrekking tot LHBTI-instellingen in Nederland. Eiser bestrijdt dat hij niet eenduidig over zijn relatie met [naam 3] heeft verklaard. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de naam van het hotel in [plaatsnaam] aanmerkt als hoofdzaak op basis van WI 2014/10. Het betreft immers niet een relevant gegeven bij de beoordeling van zijn vrees voor vervolging. Niet wordt in twijfel getrokken dat eiser is teruggekeerd uit Irak en rond die periode weer naar Nederland is gekomen. Evenmin kan het al dan niet kunnen duiden van het moment van contact met de politiechef vanuit Turkije als hoofdzaak worden aangemerkt. Eiser heeft aangegeven dat dit rond eind augustus/begin september was. Dit is ook geen reden om aan de problemen op het werk te twijfelen.

7.1

Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Gelet op hetgeen is overwogen in het voornemen, dat in het bestreden besluit is herhaald en ingelast, ligt het niet in de lijn der verwachting dat eiser juist gezien het homofobe klimaat in zijn land van herkomst vrijwillig terugkeert naar Irak. Een dergelijke handelwijze van eiser is simpelweg niet logisch. Terecht is dit als bevreemdingwekkend aangemerkt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op de stelling van de betrapping op zijn werk geen toelichting geeft. Het ongerijmde handelen van eiser, dat tevens niet in overeenstemming is met zijn eigen verklaringen, komt dan voor rekening en risico van eiser. Hoewel de definitie van het hebben van een relatie voor elk individu verschillend kan zijn, is het aan eiser om uitleg te geven hoe dit in zijn persoonlijke geval precies in elkaar zit. Over de wijze waarop eiser precies uiting en invulling heeft gegeven aan de relatie tussen hem en [naam 3] mag worden verwacht dat hij hierover enig inzicht kan verschaffen. Eiser heeft echter niet eens basale informatie over [naam 3] naar voren weten te brengen, terwijl hij voor zijn vertrek uit Nederland zeker acht of negen maanden een relatie met hem zou hebben onderhouden. Bij terugkeer uit Irak heeft hij wederom de relatie opgepakt.

Voorts heeft eiser aangegeven al op jonge leeftijd bekend te zijn met zijn homoseksuele geaardheid. Daarnaast heeft hij jaren in Nederland geleefd en gewoond. Bovendien wordt verwezen naar WI 2015/9 met betrekking tot het horen en beslissen in zaken waarin LHBT-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd. Voorts wordt overwogen dat eiser met het enkel verwijzen naar de bijlage van het COC zijn gestelde seksuele geaardheid nog niet aannemelijk maakt. Hetgeen in het voornemen is overwogen op dit punt blijft onverkort van kracht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verblijf van eiser in het hotel een onderdeel is van zijn vlucht. Daarnaast heeft eiser zelf zich op het standpunt gesteld dat dit een hoofdzaak zou zijn. Echter, de vlucht is een gevolg van zijn gestelde ondervonden problemen. Verwacht mag worden dat hij de naam van het hotel kan noemen waar hij heeft verbleven. Voor het onderscheid tussen hoofd- en bijzaken wordt verwezen naar WI 2014/10. Tevens mag van eiser worden verwacht dat hij enige aanduiding geeft van wanneer hij contact heeft gehad met zijn politiechef. Niet wordt begrepen waarom eiser pas bij de zienswijze terugkomt op zijn verklaringen tijdens het nader gehoor. Verweerder volgt niet dat eiser moeite heeft gehad met het noemen van data nu hij andere data wel heeft weten te benoemen tijdens zijn nader gehoor.

7.2

De rechtbank overweegt dat verweerder met voorgaande motivering kan worden gevolgd in het standpunt dat de gestelde homoseksualiteit en de betrapping op eisers werk ongeloofwaardig zijn, nu eiser hierover wisselend, ontwijkend, vaag en summier heeft verklaard. Daarbij heeft verweerder onder meer niet ten onrechte in aanmerking genomen dat eiser is teruggekeerd naar Irak terwijl hij wist dat hij daar niet openlijk zijn gestelde homoseksualiteit zou kunnen uiten en dat het bevreemding wekt dat eiser destijds geen asielaanvraag heeft gedaan, terwijl hij zich op dat moment al bewust was van zijn homoseksuele geaardheid. Dat eiser voorafgaand aan zijn terugkeer in bewaring verbleef en zijn keuze mede is ingegeven door de som geld die hij meekreeg, doet hieraan niets af. Ook heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser er enerzijds alles aan deed om zijn relatie met [naam 1] geheim te houden, maar wel zo’n risico nam door op zijn werk intiem met hem te zijn. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser niet consistent en niet gedetailleerd over zijn relatie met [naam 3] weet te verklaren, terwijl zij acht of negen maanden een relatie zouden hebben gehad, zowel voor als na eisers tussentijdse verblijf in Irak. Dat verweerder zou hebben nagelaten in het bestreden besluit op de standpunten van eiser in de zienswijze te reageren, ziet de rechtbank niet.

8. Tenslotte voert eiser aan dat verweerder het terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Met het enkel verwijzen naar de vele antecedenten van eiser geeft verweerder onvoldoende kenbaar gemotiveerd aan waarom eisers persoonlijke gedragingen actueel en voldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde, zoals is geoordeeld in de zaak Z.Zh. en I.O. van het HvJ van 11 juni 2015 (C/554-13) (ECLI:EU:C:2015:377). Daarom had aan eiser een vertrektermijn van vier weken moeten worden gegund. Gezien bovengenoemde uitspraak van het HvJ voldoet ook de motivering van het inreisverbod van tien jaar niet. Ook hier wordt door verweerder niet gemotiveerd waarom het persoonlijke gedrag van eiser een daadwerkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar oplevert voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het enkel verwijzen naar strafbare feiten is hiertoe onvoldoende.

8.1

Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit en inreisverbod ten grondslag gelegd dat betrokkene op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde vormt. Dit is gebaseerd op het uittreksel JD-online, waaruit onder meer het volgende is gebleken.
Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 december 2015 veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 197 Wetboek van Strafrecht. Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 augustus 2012 veroordeeld tot 72 dagen gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 300, eerste lid, artikel 287, artikel 45, eerste lid, artikel 302, eerste lid, artikel 304 aanhef/sub 2, en artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 mei 2009 veroordeeld tot 210 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens overtreding van artikel 300, eerste lid, artikel 350, eerste lid, artikel 141, eerste lid, artikel 47, eerste lid aanhef/sub 1, en artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Eiser is op 29 oktober 2007 veroordeeld tot een transactie welke is voldaan (transactievoorwaarde: werkstraf) wegens overtreding van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van het uittreksel JD-online is sprake van een ernstig misdrijf hetgeen een zelfstandige afwijzing van de aanvraag vormt. Hieruit is immers gebleken dat eiser bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, dan wel aan hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd, en de opgelegde straf of maatregel in totaal meer dan 10 maanden bedraagt, en in ieder geval één van de veroordelingen betrekking heeft op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert. Niet is gebleken dat de gepleegde misdrijven zijn verjaard. Voorts is er sprake van een ‘gevaar voor de gemeenschap’ gezien de aard van de gepleegde misdrijven en de opgelegde straf, nu is gebleken dat eiser meerdere keren voor geweldsmisdrijven is veroordeeld. Eiser heeft onder meer mishandelingen gepleegd tegen personen van de overheid, en openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen personen. Hij is veroordeeld voor ‘overige moord en doodslag’, het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van enig goed dat aan anderen toebehoort, en het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en aantasting van de persoonlijke integriteit. Dat eiser een deel van de misdrijven heeft gepleegd toen hij minderjarig was, maakt dit niet anders, nu hij ook op volwassen leeftijd geweldsmisdrijven heeft gepleegd. Dat eiser laatstelijk in 2010 geweldsmisdrijven heeft gepleegd en nadien niet meer, maakt dit niet anders. Immers, nadien is hij teruggekeerd naar zijn land van herkomst en volgens eigen zeggen pas recentelijk in 2015 weer naar Nederland gekomen.

8.2

De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3012) onder meer het volgende overwogen:
“6.2. In punt 50 van het arrest Z.Zh. en I.O. heeft het Hof van Justitie uitleg gegeven van het voor terugkeerbesluiten geldende begrip 'gevaar voor de openbare orde', bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Op grond van die bepaling hebben de lidstaten de bevoegdheid om wegens het bestaan van een dergelijk gevaar af te zien van het toekennen van een vertrektermijn of een termijn toe te kennen die korter is dan zeven dagen. Om van deze bevoegdheid gebruik te maken, moeten de lidstaten volgens het Hof van Justitie per geval beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

De Afdeling heeft uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat de staatssecretaris bij zijn onderzoek naar de vraag of hij wegens het bestaan van een gevaar voor de openbare orde een vertrektermijn onthoudt of de duur ervan verkort alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die gaan over de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals de aard en ernst van dit strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Voorts moet de staatssecretaris het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering. Indien een vreemdeling voorafgaand aan het nemen van een terugkeerbesluit omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet de staatssecretaris aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579).

6.3.

In onder meer haar uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550, heeft de Afdeling de onder 6.2. beschreven onderzoeks- en motiveringsplicht voor de staatssecretaris ook van toepassing geacht op de uitvaardiging van een inreisverbod voor meer dan vijf jaren wegens het bestaan van een ernstige bedreiging voor de openbare orde, bedoeld in artikel 11, tweede lid, tweede volzin, van de Terugkeerrichtlijn. Er bestaat geen grond om wat betreft de reikwijdte en de toepassing van het begrip 'gevaar voor de openbare orde', bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw, anders te oordelen dan het Hof van Justitie in het arrest Z.Zh. en I.O. heeft gedaan bij de uitleg van dat begrip in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Ook bij de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw moet de staatssecretaris dus per geval beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokken vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.”.

8.3

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedreiging voor de openbare orde vormt in de hiervoor bedoelde zin. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser een strafblad heeft. De laatste veroordeling dateert echter van 2012 en de betreffende (laatste) misdrijven zijn in 2010 gepleegd. De stellingen van verweerder ter zitting dat onduidelijk is of eiser zich na zijn terugkeer in Irak heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten en nog maar kort in Nederland is, wat van deze stellingen ook zij, nopen evenmin tot de conclusie dat sprake is van een werkelijke en actuele dreiging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft deze motivering dan ook ten onrechte aan het terugkeerbesluit en het inreisverbod ten grondslag gelegd.

9. Vanwege dit motiveringsgebrek wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Gelet op de aard van de procedure (Algemene Asielprocedure) ziet de rechtbank geen aanleiding toepassing te geven aan de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag.

10. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

11. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

12. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

13. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 495,- in verband met het beroep (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,-, te betalen aan eiser.

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.