Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11317

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
17/8325
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vv medische behandeling, restitutie leges, Macedonie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/8325

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 augustus 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H.M. Post.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2017 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2017. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig M.E.J.M. Teulings, tolk in het Macedonisch, en de echtgenoot van eiseres.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Macedonische nationaliteit. Op 9 februari 2017 is haar aanvraag van 15 december 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘medische behandeling’ ingewilligd. Op 19 januari 2017 heeft eiseres om restitutie gevraagd van de in het kader van de aanvraag betaalde leges, ten bedrage van € 985. Bij besluit van 10 februari 2017 heeft verweerder de gevraagde restitutie geweigerd.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard.

3. Wat daartegen in beroep is aangevoerd, wordt bij de beoordeling in de onderstaande rechtsoverwegingen betrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Niet meer in geschil is dat eiseres tijdig – dat wil zeggen: voorafgaande aan de beslissing op haar aanvraag – om restitutie van de betaalde leges heeft gevraagd.

5. Wel is in geschil, gelet op de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting, of de gestelde betalingsonmacht van eiseres had moeten leiden tot vrijstelling van de verplichting om leges te betalen en dus tot terugbetaling van de reeds betaalde leges.

6. De rechtbank is van oordeel, gelet op het verblijfsdoel van haar aanvraag en gelet op artikel 3.34a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, dat het nationaal recht geen mogelijkheid biedt om eiseres vanwege ontbrekende middelen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de verplichting tot betaling van leges. Eiseres heeft dat ter zitting ook niet bestreden.

7. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres aldus dat de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), al dan niet in onderlinge samenhang beoordeeld, een verplichting tot betaling van leges in het geval van eiseres niet toelaten. Verder heeft eiseres ter zitting een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13006.

8. De vraag of legesheffing in het geval van eiseres leidt tot schending van de artikelen 3 en 13 van het EVRM, wordt ontkennend beantwoord. Zelfs als eiseres geen aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had kunnen indienen, dan nog had zij zonder kosten een aanvraag tot het verlenen van uitstel van vertrek om medische redenen, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000, kunnen indienen. Het risico van schending van artikel 3 van het EVRM doordat zij dreigt te worden uitgezet doet zich dan niet voor. Artikel 13 van het EVRM – het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel – dreigt evenmin geschonden te worden, nu verdragsschending zich niet voordoet.

9. De vergelijking met de zaak waarin deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, de voormelde uitspraak van 27 oktober 2016 heeft gedaan, gaat mank. In die zaak betrof het de uitvoering van Unierecht en ging het om de vraag of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel was geschonden gelet op de hoogte van de in rekening gebrachte leges. In de zaak van eiseres is Unierecht niet aan de orde, maar verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op medische gronden naar nationaal recht. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.