Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:113

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
09/818803-16, 09/817109-15 (tul) en 05/259172-12 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0051
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/818803-16, 09/817109-15 (tul) en 05/259172-12 (tul)

Datum uitspraak: 6 januari 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] ,

[adres] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 december 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T. Berger en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , met dat opzet met zijn auto tegen de auto van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de Oostweg en/of Rijksweg A12), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, (terwijl hij, verdachte met hoge snelheid de A12 opreed en wetende dat hij werd achtervolgd door een voertuig van de politie) op de toerit (hard) te remmen en/of naar links te sturen / van richting te veranderen (waarbij/waardoor de snelheid van zijn, verdachtes voertuig sterk verminderde) en/of het erachter rijdende voertuig een confrontatie niet meer kon voorkomen) waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] (inzittende van dat politievoertuig)) zwaar lichamelijk letsel, te weten een zwaar beschadigde/gescheurde meniscus, in elk geval zwaar knieletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieagenten van Eenheid Den Haag ( [slachtoffer 3] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen terwijl die [slachtoffer 3] naast het voertuig waarin verdachte zich bevond stond, dat voertuig heeft gestart en/of (met hoge snelheid) is weggereden via het weggedeeldte waarop die [slachtoffer 3] stond, waarbij die [slachtoffer 3] tenauwernood kon wegspringen/wegstappen teneinde niet door (de achterzijde van) dat voertuig te worden geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen of of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer een politieagente ( [slachtoffer 3] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, doordat verdachte opzettelijk dreigend terwijl die [slachtoffer 3] naast het voertuig waarin verdachte zich bevond stond, dat voertuig heeft gestart en/of (waarbij die motor veel toeren maakte) is weggereden via het weggedeeldte waarop die [slachtoffer 3] stond, waarbij die [slachtoffer 3] tenauwernood kon wegspringen/wegstappen teneinde niet door (de achterzijde van) dat voertuig te worden geraakt;

3.

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer Politieagenten van eenheid Den Haag ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend rijdende in een auto over de Australieweg en/of de Oostweg terwijl een politievoertuig waarin de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten naast hem, verdachte, reed, een of meermalen met een snelheid van ongeveer 70 km/u en/of ca 100 km/u een of meer sterke stuurbeweging(en) in de richting van dat politievoertuig heeft gemaakt (waardoor dat politievoertuig (telkens) moest uitwijken en/of hard moest remmen teneinde een aanrijding te voorkomen);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Australieweg en/of Oostweg, terwijl een politievoertuig waarin de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten naast hem, verdachte, reed een of meermalen met een snelheid van ongeveer 70 km/u en/of ca 100 km/u een of meer sterke stuurbeweging(en) in de richting van dat politievoertuig heeft gemaakt (waardoor dat politievoertuig (telkens) moest uitwijken en/of remmen teneinde een aanrijding te voorkomen), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

4.

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer [slachtoffer 1] (hoofdagent van Politie Eenheid Den Haag) (door tussenkomst van een of meer collega's) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde hoofdagent telkens dreigend de woorden toegevoegd :"Die kankeragent die op mij geschoten heeft, ga ik opzoeken. Ik ga hem en zijn kankerwijf doodschieten" en/of een of meerdere malen: "die kankerjood die op mij geschoten heeft gaat dood. Jullie weten niet met wie je te maken hebben. Ik schiet hem dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Australieweg en/of het Maximaplein en/of de Oostweg, heeft gereden terwijl hij verdachte onder de invloed verkeerde van alcohol en/of (in die toestand) met een hoge, althans hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan was een of meer kruispunten is overgereden en/of gepasseerd waarbij hij verdachte het rode verkeerslicht negeerde, waardoor een voertuig met een onbekend gebleven bestuurder hard moest remmen om niet geraakt te worden door het voertuig waarin hij verdachte reed, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 11 september 2016 rond 6.15 uur zagen medewerkers van de politie een grijze Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen) een verkeersovertreding begaan. De auto werd aan de kant gehaald voor controle en de bestuurder, verdachte, werd om zijn rijbewijs gevraagd. Verdachte onttrok zich aan deze staandehouding door weg te rijden, waarna door de politie de achtervolging is ingezet. Deze achtervolging is geëindigd in een aanrijding tussen de Volkswagen en een voertuig van de politie.

De rechtbank dient, gelet op de inhoud van de tenlastelegging, de vraag te beantwoorden of zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich op 11 september 2016 te Zoetermeer schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (feit 1 primair), dan wel aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna WVW 1994), terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de WVW 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet (feit 1 subsidiair). Daarnaast dient de rechtbank de vragen te beantwoorden of zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan een politieagent (feit 2 primair) ofwel dat hij deze en andere politieagenten heeft bedreigd (feiten 2 subsidiair, 3 primair en 4) en of hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 (feiten 3 subsidiair en 5).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor feit 2 primair, nu niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie acht de feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 bewezen, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en subsidiair, omdat – kort gezegd – verdachte niet tegen de politieauto is aangereden, omdat geen sprake is geweest van roekeloosheid en omdat door de aanrijding geen zwaar letsel of zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Er is voorts vrijspraak van feit 2 primair en subsidiair bepleit, nu geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de agent zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en verdachte geen opzet heeft gehad op bedreiging.

De verdediging acht feit 3 primair niet bewezen, omdat de feiten en omstandigheden niet als een bedreiging te kwalificeren zijn. Wel kan het onder 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen worden.

Verder is vrijspraak voor feit 4 bepleit, nu de bewoordingen van verdachte niet gericht zijn geweest tegen aangever en er geen redelijke vrees is geweest in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 11 september 2016 zag verbalisant [slachtoffer 3] dat de Volkswagen door rood licht reed. Op de Australiëweg in Zoetermeer heeft zij de Volkswagen een stopteken gegeven. [slachtoffer 3] parkeerde haar politievoertuig bij een bushalte en de bestuurder van de Volkswagen parkeerde daar schuin achter. [slachtoffer 3] stond ter hoogte van de spiegel aan de bestuurderskant en vroeg de bestuurder van de Volkswagen om zijn rijbewijs. Zij rook een alcohollucht in de auto en zag dat de bestuurder wazig uit zijn ogen keek. De bestuurder zei dat hij geen rijbewijs had en probeerde de auto te starten. [slachtoffer 3] heeft zich verplaatst en is halverwege de deur aan de bestuurderskant van de Volkswagen gaan staan. Ze zei tegen de bestuurder dat hij de motor uit moest laten. Zij hoorde vervolgens dat de bestuurder de motor startte en weg begon te rijden. De bestuurder stuurde daarbij naar links en gaf veel gas. [slachtoffer 3] hoorde dit aan het hoge toerental van de motor van de auto. De bestuurder van de Volkswagen reed met hoge snelheid weg. [slachtoffer 3] moest opzij springen om een aanrijding met de auto te voorkomen.2 Ook verbalisant [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag (hierna: [slachtoffer 1] ), beschrijft dat een auto met hoge snelheid wegreed bij de bushalte, dat de auto met een slinger naar links reed en dat [slachtoffer 3] naar links sprong. [slachtoffer 1] zag dat de auto zo wegreed, dat de achterzijde van de auto de plek kruiste waar [slachtoffer 3] net daarvoor had gestaan, voordat zij opzij was gesprongen.3

Verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van de politie eenheid Den Haag hebben de achtervolging van de Volkswagen ingezet. [slachtoffer 2] beschrijft dat de Volkswagen over de Australiëweg reed, in de richting van het Maximaplein. Op de Australiëweg konden verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] al rijdend direct naast de Volkswagen komen. [slachtoffer 2] zag dat de bestuurder van de Volkswagen in de richting van het voertuig van de verbalisanten stuurde, kennelijk om hen van de weg te drukken. [slachtoffer 2] zag en voelde dat [slachtoffer 1] moest uitwijken en afremmen om een aanrijding te voorkomen.4 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze op dat moment met een snelheid van ongeveer 70-80 km/u reden.5 Het lukte [slachtoffer 1] nogmaals om naast de Volkswagen te komen, maar de bestuurder van de auto maakte direct een stuurbeweging in hun richting. Hierdoor moest [slachtoffer 1] nogmaals remmen om een aanrijding te voorkomen. Bij het kruispunt Van de Australiëweg met de Van Aalstlaan reed de bestuurder van de Volkswagen met een snelheid van ongeveer 100 km/u het kruispunt over. Hij nam vervolgens rechtsaf de afrit naar het Maximaplein.6 Vervolgens reed de bestuurder rechtsaf de Oostweg op in de richting van de A12, waarbij hij een rood verkeerslicht op het Maximaplein negeerde.7 Op dat moment kwam er op het Prinses Maximaplein van links een auto aan rijden, die voluit moest remmen om een aanrijding met de Volkswagen te voorkomen.8 Op de Oostweg konden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nogmaals naast de Volkswagen komen. De bestuurder van de Volkswagen maakte weer een scherpe stuurbeweging in de richting van de auto van de verbalisanten. [slachtoffer 1] moest remmen en uitwijken om een aanrijding te voorkomen.9 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze op dat moment met een snelheid van ongeveer 100 km/u reden.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de Volkswagen op de kruising van de Oostweg met de Rijksweg A12 linksaf de oprit naar de Rijksweg A12 opreed. De bestuurder van de Volkswagen negeerde op die kruising een rood verkeerslicht en reed met hoge snelheid de oprit van de Rijksweg A12 op. Het voertuig van [slachtoffer 1] reed achter de Volkswagen de Rijksweg A12 op. Ter hoogte van het puntstuk remde de Volkswagen voluit en sloeg haaks linksaf. De Volkswagen kwam door deze actie dwars voor het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te staan. [slachtoffer 1] remde voluit, maar kon een aanrijding niet meer vermijden. Het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwam met een harde klap tegen de linkerzijde van de Volkswagen.10 Ook verbalisant [slachtoffer 2] beschrijft dat de bestuurder van de Volkswagen op de oprit van de A12 plotseling op zijn rem trapte en naar links stuurde. [slachtoffer 2] zag de remlichten fel opbranden. De Volkswagen stond daardoor plotseling stil. Het voertuig van de verbalisanten reed met de rechter voorzijde tegen de linker achterzijde van de Volkswagen.11 Er was op dat moment geen ander verkeer in zicht waarvoor de auto moest remmen.12 Door de aanrijding kwam [slachtoffer 2] met zijn rechterknie tegen het dashboard van de auto aan. Hij voelde daardoor direct een scherpe pijn in zijn rechterknie. [slachtoffer 2] is uitgestapt en voelde direct weer een stekende pijn in zijn rechterknie.13 Op de eerste hulp is er een zware kneuzing van zijn rechterkniegewricht geconstateerd, alsmede een mogelijk scheurtje in zijn binnenste meniscus. [slachtoffer 2] heeft hierdoor (onder meer) lange tijd aangepast werk moeten verrichten.14

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat verdachte na zijn aanhouding op 11 september 2016 in Zoetermeer heeft gezegd ‘Die kankeragent die op mij geschoten heeft, ga ik opzoeken. Ik ga hem en zijn kankerwijf doodschieten’ en ‘Die kankerjood, die op mij geschoten heeft, gaat dood. Jullie weten niet met wie jullie te maken hebben. Ik schiet hem dood’.15

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van bedreiging. [slachtoffer 1] hoorde van zijn collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat verdachte zou hebben gezegd ‘Die kankeragent die op mij geschoten heeft, ga ik opzoeken. Ik ga hem en zijn kankerwijf doodschieten’ en ‘Die kankerjood, die op mij geschoten heeft, gaat dood. Jullie weten niet met wie jullie te maken hebben. Ik schiet hem dood.’ [slachtoffer 1] heeft bij het incident op de A12 een waarschuwingsschot gelost.16

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de bestuurder was van de Volkswagen. Hij heeft verklaard dat hij 5 of 6 Baco’s had gedronken.17

Bewijsoverwegingen feit 1

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Uit het dossier volgt immers niet dat sprake is geweest van de in de tenlastelegging genoemde handeling, te weten het door verdachte tegen de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aanrijden.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt:

De rechtbank stelt vast dat het voertuig van de agenten tegen het voertuig van verdachte is gebotst. De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat de agenten onvoldoende afstand hebben gehouden, zodat - zo begrijpt de rechtbank- de aanrijding verdachte niet kan worden verweten. De rechtbank ziet dat anders. Er was immers sprake van een achtervolging, waardoor de normaliter geldende regels niet onverkort van toepassing waren. Gezien de uitzonderlijke situatie kon verdachte verwachten dat er een politievoertuig dicht achter hem reed. Verdachte reed met hoge snelheid de A12 op, maar remde plotseling voluit en zonder noodzaak, iets waar de agenten niet op bedacht konden en hoefden te zijn. De rechtbank is onder die omstandigheden van oordeel dat de aanrijding het gevolg is van het handelen van verdachte.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid WVW 1994. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij onder invloed van alcohol, te weten vijf of zes Baco’s, heeft gereden.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of sprake was van roekeloosheid bij verdachte, dan wel of verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig of onoplettend in het verkeer heeft gedragen. Schuld in de zin van roekeloosheid is de zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm, waarvan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn. Voor een bewezenverklaring van deze vorm zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Volgens vaste rechtspraak moet sprake zijn van meer bijzondere omstandigheden dan de strafverzwarende omstandigheden zoals genoemd in artikel 175, derde lid WVW 1994, te weten met een veel te hoge snelheid rijden en onder invloed rijden in de zin van artikel 8, eerste of tweede lid WVW 1994.18

De hiervoor omschreven feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te komen tot de conclusie dat de verdachte roekeloos heeft gehandeld. Het gaat in dit geval met name om de strafverzwarende omstandigheden zoals genoemd in artikel 175, derde lid WVW 1994, te weten het met veel te hoge snelheid rijden en het verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid WVW 1994. In het algemeen moet bij roekeloosheid sprake zijn van bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Ondanks de gevaarzetting die ontegenzeglijk van het rijgedrag van verdachte is uitgegaan, kan uit de gedragingen van verdachte niet worden afgeleid dat bij hem sprake was van een tomeloze onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen van zijn rijgedrag. De handelingen van verdachte zullen in de volksmond weliswaar worden omschreven als roekeloos, maar gelet op de strenge eisen die de Hoge Raad stelt aan roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW 1994 kan daar in dit geval in juridische zin niet van worden gesproken. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat inhoudt dat hij schuld heeft aan het ongeval in de zin van roekeloosheid.

De verdachte kan worden verweten dat hij een auto is gaan besturen terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Ook kan hem worden verweten dat hij zich heeft onttrokken aan een politiecontrole, met te hoge snelheid heeft gereden, diverse rode verkeerslichten heeft genegeerd en vervolgens een aanrijding heeft veroorzaakt. Het gedrag van verdachte kan daarom zonder meer worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig rijgedrag dat verwijtbaar is.

De rechtbank dient als laatste de vraag te beantwoorden of door de aanrijding een ander zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel is toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Vast staat dat verbalisant [slachtoffer 2] als gevolg van de aanrijding met zijn knie tegen het dashboard van de auto is geklapt. Hij voelde direct een scherpe pijn in zijn knie. Vervolgens is hij uitgestapt, heeft hij te voet de achtervolging op verdachte ingezet en is toen - zo blijkt uit het “Spoedeisende Hulp bericht aan de huisarts” d.d. 11 september 2016 - rechtsom gedraaid met zijn voet vast op de grond, waardoor hij het voelde/hoorde knappen. Er is mogelijk sprake van een scheur in de meniscus, maar dit is nog niet vastgesteld. Gelet op de feitelijke gang van zaken kan de rechtbank ook niet vaststellen of de mogelijke scheur in de meniscus het gevolg is van de aanrijding, of van de verdraaiing na de achtervolging. De rechtbank stelt wel vast dat de kneuzing van de rechterknie het gevolg is van de aanrijding. Dit is door de verdediging ook niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke kneuzing bij een politieagent zorgt voor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden. Immers, [slachtoffer 2] heeft ten gevolge van zijn letsel lange tijd aangepast werk moeten doen.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, in die zin dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, waarbij de mate van schuld bestaat uit zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Bewijsoverwegingen feit 2

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat hij het opzet heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt:

Verdachte stond met zijn auto op korte afstand van agent [slachtoffer 3] . Hij heeft zijn auto gestart en is met hoge snelheid weggereden, waarbij hij naar links stuurde, in de richting van die [slachtoffer 3] . In de confrontatie met een voetganger is een auto een potentieel dodelijk wapen. Door op een dergelijke manier weg te rijden, terwijl [slachtoffer 3] op korte afstand van het voertuig stond, kon bij die [slachtoffer 3] de redelijke vrees ontstaan dat verdachte haar zou aanrijden met zijn auto. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling.

Bewijsoverwegingen feit 3

De rechtbank acht, met de officier van justitie, dit feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft tot drie maal toe geprobeerd het voertuig van de agenten van de weg te drukken, door steeds als het politievoertuig links naast hem reed, scherp naar links te sturen. Het politievoertuig reed de eerste keer ongeveer 70 tot 80 km/u, bij de laatste keer reed het politievoertuig ongeveer 100 km/u. Telkens moest het politievoertuig uitwijken en remmen om een aanrijding te voorkomen. Door op een dergelijke manier te rijden, kon bij de agenten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] de redelijke vrees ontstaan dat hun voertuig betrokken zou raken bij een aanrijding met het voertuig van verdachte. Verdachte heeft, door zo te handelen, de beide agenten bedreigd. Gelet op het feit dat de beide auto’s met hoge snelheid reden, ziet de rechtbank dit als een bedreiging tegen het leven gericht.

Bewijsoverwegingen feit 4

De rechtbank stelt voorop dat de woorden die verdachte heeft geuit evident bedreigend zijn. De bedreigingen waren gericht tot de agent die geschoten had. [slachtoffer 1] heeft tijdens de achtervolging een waarschuwingsschot gelost, zodoende waren de bedreigingen gericht tegen [slachtoffer 1] . Gelet op de feitelijke bewoordingen kon bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ook ten uitvoer zou brengen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met de dood heeft bedreigd.

Bewijsoverwegingen feit 5

De rechtbank acht, gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

Feit 1, subsidiair

op 11 september 2016 te Zoetermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de Oostweg en/of Rijksweg A12), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend (terwijl hij, verdachte met hoge snelheid de A12 opreed en wetende dat hij werd achtervolgd door een voertuig van de politie) op de toerit hard te remmen en naar links te sturen (waarbij de snelheid van zijn, verdachtes voertuig sterk verminderde) en het erachter rijdende voertuig een confrontatie niet meer kon voorkomen) waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] (inzittende van dat politievoertuig)) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 2, subsidiair

op 11 september 2016 te Zoetermeer een politieagente ( [slachtoffer 3] ) heeft bedreigd met zware mishandeling, doordat verdachte opzettelijk dreigend, terwijl die [slachtoffer 3] naast het voertuig waarin verdachte zich bevond stond, dat voertuig heeft gestart en (waarbij die motor veel toeren maakte) is weggereden via het weggedeelte waarop die [slachtoffer 3] stond, waarbij die [slachtoffer 3] ternauwernood kon wegspringen teneinde niet door de achterzijde van dat voertuig te worden geraakt;

Feit 3, primair

op 11 september 2016 te Zoetermeer politieagenten van eenheid Den Haag ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend rijdende in een auto over de Australiëweg en de Oostweg terwijl een politievoertuig waarin de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten naast hem, verdachte, reed, meermalen met een snelheid van ongeveer 70 km/u of ca 100 km/u een sterke stuurbeweging in de richting van dat politievoertuig gemaakt (waardoor dat politievoertuig telkens moest uitwijken en hard moest remmen teneinde een aanrijding te voorkomen);

Feit 4

op 11 september 2016 te Zoetermeer [slachtoffer 1] (hoofdagent van Politie Eenheid Den Haag) (door tussenkomst van collega's) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde hoofdagent dreigend de woorden toegevoegd :"Die kankeragent die op mij geschoten heeft, ga ik opzoeken. Ik ga hem en zijn kankerwijf doodschieten" en: "die kankerjood die op mij geschoten heeft gaat dood. Jullie weten niet met wie je te maken hebben. Ik schiet hem dood":

Feit 5

op 11 september 2016 te Zoetermeer als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Australiëweg en het Maximaplein en de Oostweg, heeft gereden terwijl hij, verdachte, onder de invloed verkeerde van alcohol en (in die toestand) met een hoge, althans hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan was kruispunten is overgereden waarbij hij, verdachte, het rode verkeerslicht negeerde, waardoor een voertuig met een onbekend gebleven bestuurder hard moest remmen om niet geraakt te worden door het voertuig waarin hij verdachte reed, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, subsidiair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet;

Feit 2, subsidiair

bedreiging met zware mishandeling;

Feit 3, primair en feit 4, telkens

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 5

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de feiten 1 tot en met 4 een gevangenisstraf van 24 maanden gevorderd, met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaar. De officier van justitie heeft voor feit 5 toepassing van artikel 9a Sr gevorderd, omdat hij geen toegevoegde waarde ziet in een aparte straf voor dit feit.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest wordt opgelegd, met daarbij een relatief lange voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. Indien geïndiceerd zou ook nog een werkstraf kunnen worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft als bestuurder van een auto op onbegrijpelijke en volstrekt ongepaste wijze gereageerd op het legitieme optreden van de verschillende betrokken agenten. Hij is hard weggereden bij een verkeerscontrole, heeft tijdens de daaropvolgende achtervolging diverse verkeersregels aan zijn laars gelapt en heeft meerdere keren geprobeerd een naast hem rijdend politievoertuig van de weg te rijden. Uiteindelijk heeft hij een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een agent letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een totaal onverschillige houding ten opzichte van verkeersregels en het politiegezag. Hij heeft zich tijdens en na de achtervolging enkel bekommerd om zijn eigen belangen. De rechtbank neemt dit hem zeer kwalijk.

Uit de justitiële documentatie d.d. 13 september 2016 blijkt dat verdachte meermalen eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsfeiten waarvan politieambtenaren het slachtoffer zijn geweest.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het reclasseringsadvies van Palier van 30 november 2016. De reclassering constateert dat het delictgedrag van verdachte nauw samenhangt met alcoholgebruik. Hoewel in het verleden diverse interventies in gang zijn gezet met het oog op positieve gedragsbeïnvloeding, is er nu toch weer een nieuwe verdenking van het plegen van geweldsdelicten. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, is het voor de reclassering onduidelijk of het gedrag van verdachte voortkomt uit een psychiatrisch ziektebeeld of uit persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering adviseert oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank mede gelet op de oriëntatiepunten voor dergelijke feiten, te weten 4 maanden gevangenisstraf voor het bedreigen in de zin van het inrijden op een persoon en 160 uur taakstraf en een rijontzegging van 18 maanden voor overtreding van artikel 6 WVW 1994.

De rechtbank acht, gelet op de veelheid en ernst van de feiten, de justitiële documentatie en het advies van de reclassering, niets anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Nu verdachte niet heeft willen meewerken aan het reclasseringsadvies, ziet de rechtbank geen aanleiding een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Indien nodig en wenselijk kunnen te zijner tijd in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling voorwaarden worden geformuleerd.

De rechtbank is van oordeel dat, alles overziende, voor feit 1 tot en met 4 een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is, met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar, met ingang van de dag van invrijheidstelling.

De rechtbank zal, conform de eis van de officier van justitie, met toepassing van artikel 9a Sr, geen aparte straf opleggen voor het onder 5 ten laste gelegde feit.

7. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij helder en toewijsbaar is. Hij heeft daarbij de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van benadeelde partij aanzienlijk te matigen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van € 410,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 (subsidiair) bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 150,- toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 150,-toewijzen vanaf 11 september 2016, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 (subsidiair) tenlastegelegde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 11 september 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] .

8. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij helder en toewijsbaar is. Hij heeft daarbij de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte ontkent dat hij een onrechtmatige daad jegens [slachtoffer 2] heeft gepleegd. Subsidiair komen de gederfde inkomsten niet voor toewijzing in aanmerking, omdat deze geen vast onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor de immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze schade ziet op de gescheurde meniscus, terwijl dat letsel nog niet is vastgesteld en het de vraag is of dat letsel het gevolg is van de aanrijding.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering ter hoogte van € 1.458,25, bestaande uit € 458,25 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde feit.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten geneeskundige kosten (eigen risico) en kosten huur krukken, is door de verdediging niet betwist en voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. De rechtbank zal dit deel toewijzen, te weten een bedrag van € 189,-.

De rechtbank zal ook de gevraagde gederfde inkomsten toewijzen. De benadeelde partij was voor ME-inzet en piketuren ingeroosterd, maar heeft deze werkzaamheden als gevolg van het opgelopen letsel niet kunnen uitvoeren. Zodoende heeft hij daar ook geen vergoeding voor ontvangen. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij deze inkomsten heeft moeten missen als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit. De rechtbank zal ook dit deel toewijzen, te weten een bedrag van € 269,25.

De rechtbank zal ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 500,- toewijzen. De rechtbank weegt hierbij mee dat niet is vast komen te staan dat het mogelijke meniscusletsel het gevolg is geweest van het strafbare feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 958,25.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 958,25 toewijzen vanaf 11 september 2016, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 (subsidiair) tenlastegelegde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 958,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 11 september 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] .

9 De vorderingen tenuitvoerlegging

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijk opgelegde straf met parketnummer 05/259172-12 al ten uitvoer is gelegd. De verdediging heeft verder aangegeven dat de tenlastegelegde feiten niet in de proeftijd zijn gepleegd.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering met parketnummer 09/817109-16 primair op het standpunt gesteld dat de proeftijd met een jaar moet worden verlengd. Subsidiair is gevraagd de vordering toe te wijzen en de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 05/259172-12

De rechtbank acht redenen aanwezig voor het toewijzen van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Arnhem d.d. 2 mei 2014, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij dit vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De proeftijd behorend bij dit vonnis is ingegaan op het moment dat dit vonnis onherroepelijk is geworden, te weten het moment dat door de raadsman het hoger beroep is ingetrokken op 27 januari 2015. Nu de proeftijd 2 jaar bedroeg, is de conclusie dat de bewezenverklaarde feiten gepleegd zijn in de proeftijd. Uit de bij deze rechtbank beschikbare gegeven blijkt bovendien niet deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd.

Parketnummer 09/817109-15

De rechtbank acht redenen aanwezig voor het toewijzen van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Den Haag d.d. 7 april 2015, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij dit vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9 a, 14g, 24c, 36f, 57, 62 en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan op de wijze zoals hierboven onder 3.5 is omschreven, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, subsidiair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet;

ten aanzien van feit 2, subsidiair:

bedreiging met zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3, primair en feit 4, telkens

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 5

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 4 tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 4 voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 jaren;

bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat ter zake van feit 5 geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeeld verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] , een bedrag van € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart benadeelde in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 150,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeeld verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] , een bedrag van € 958,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart benadeelde in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 958,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

Vorderingen tenuitvoerlegging

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter te Arnhem d.d. 2 mei 2014, gewezen onder parketnummer 05/259172-12, te weten gevangenisstraf voor de duur van 3 weken;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter te Den Haag d.d. 7 april 2015, gewezen onder parketnummer 09/817109-15, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Voskens, voorzitter,

mr. D.A.C. Koster, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 januari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016256202 Z, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 145).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 50.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 54

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 50.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 137.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 58.

16 Proces-verbaal van aangifte, p. 33.

17 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 23 december 2016.

18 Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960.