Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6864
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, Iran, bekering christendom; niet geloofwaardig.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/6864

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Vw.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017.

Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is ter zitting verschenen H. Porsadani, tolk Farsi.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser verblijft als vreemdeling in Nederland.

2 Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Iran is bekeerd tot het christendom en de Iraanse politie bij het doorzoeken van zijn auto – terwijl hij aan de overkant van de straat een broodje was gaan eten – Bijbels en ander materiaal heeft gevonden.

3 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de gestelde identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig zijn.

Ten aanzien van de bekering tot het christendom stelt verweerder zich op het standpunt dat met name eisers verklaringen over het proces van bekering in Iran niet aannemelijk worden geacht. Dat hij vrijwel direct na zijn bekering zou zijn overgegaan tot het verspreiden van Bijbels en dergelijke en onwetend zou zijn dat deze activiteiten in Iran streng verboden zijn, wordt niet geloofwaardig geacht. Daarom wordt evenmin geloofwaardig geacht dat eiser thans wordt gezocht vanwege het in zijn auto aangetroffen materiaal. Voorts acht verweerder van belang dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij na aankomst in Nederland kennelijk geen specifieke wensen had ten aanzien van de vraag bij welke kerk hij zich ging aansluiten en hij slechts globaal kan verklaren over de kerkgang en keuze voor juist deze kerk. Wat betreft zijn kennis van het christendom, worden zijn antwoorden op vragen daarover te globaal geacht. Eiser heeft daarbij onvoldoende kunnen uitleggen waarom het christendom hem zo persoonlijk aansprak. Het overleggen van een doopakte op 17 juli 2016 is gezien het vorenstaande niet van doorslaggevende betekenis en kan op zichzelf niet dienen als bewijs voor bekering. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

4 Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn bekering tot het christendom niet geloofwaardig is. Voorts heeft hij in beroep een verklaring overgelegd van Father’s House Movement over de kerkelijke activiteiten van eiser in Nederland. Ook heeft hij verklaard dat hij van zijn broer in Iran van makelaar van eisers woning heeft vernomen dat na eisers vertrek een aantal keren veiligheidsagenten voor hem aan de deur zijn geweest.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) past verweerder bij de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde bekering een vaste gedragslijn toe. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die, voor zover toepasselijk in het concrete geval, grofweg kunnen worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van een bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en de geloofspraktijk. Ten slotte verwacht verweerder dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt verweerder ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Uit deze uitspraak volgt voorts dat verweerder ervan uitgaat dat aan een bekering steeds een welbewuste en weloverwogen keuze van de vreemdeling vooraf gaat en dat hij om die reden bijzondere waarde hecht aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over die motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen geloof hecht aan de gestelde bekering in Iran. Uit eisers relaas volgt dat hij zich na een ontmoeting in zijn taxi met een voor hem voorheen onbekende man heeft bekeerd en op diens verzoek Bijbels en ander materiaal is gaan verspreiden, welke hij in zijn auto vervoerde. Dat eiser naar eigen zeggen depressief was en een alcoholprobleem had, vormt geen afdoende verklaring voor deze plotselinge keuze voor het christendom. Daarbij is opmerkelijk te achten dat eiser stelt dat hij in Iran de Bijbel niet zelf is gaan bestuderen en nooit een (huis)kerk heeft bezocht. Dit klemt temeer nu algemeen bekend is dat op bekering of afvalligheid van Iraanse moslims maar met name op evangelisatie door - al dan niet bekeerde - christenen, in Iran zeer strenge straffen staan. Ook is vaag gebleven waarom eiser voor het protestantisme heeft gekozen en of hem het verschil tussen de verschillende christelijke geloofsrichtingen in Iran bekend was (of überhaupt interesseerde). Hierbij acht de rechtbank opmerkelijk dat eiser na zijn komst naar Nederland de [kerk] in [plaats] (baptisten) bezocht – naar eigen zeggen omdat iemand in het AZC hem dat aanraadde - terwijl hij inmiddels is overgestapt naar de Pinkstergemeente [pinkstergemeente].

Met betrekking tot de overgelegde doopakte overweegt de rechtbank dat verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven zien voor een ander standpunt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:850), biedt een doopakte op zichzelf geen inzichten in de eerdere motieven voor en het proces van de bekering in Iran. Verweerder mag verwachten dat eiser zelf op overtuigende wijze over zijn gestelde bekering kan verklaren en verweerder mag hierop het zwaartepunt van de beoordeling leggen, zoals ook volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie vorengenoemde uitspraak van 6 maart 2014 en de uitspraak van 5 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1911).

Eiser is hierin gezien het voorgaande niet geslaagd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers bekering tot het christelijk geloof niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hieruit volgt dat de verklaringen van eiser ten aanzien van het vervoeren van Bijbels in zijn auto en het doorzoeken door de politie van deze auto eveneens terecht ongeloofwaardig zijn geacht.

6 Eiser komt gelet op het voorgaande niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

7 Het beroep is ongegrond.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017.

Rechtmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).