Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11252

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
NL17.8245, NL17.8247
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, verantwoordelijkheid Malta niet vervallen nu eisers niet hebben aangetoond drie maanden buiten Dublingebied te hebben verbleven, geen nova 4:6 Awb, beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.8245

NL17.8247


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2017 in de zaken tussen

[eiser], eiser

en

[eiseres] , eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen:

[kind 1]

[kind 2]

samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 5 september 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 18 juli 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8246 en NL17.8248, plaatsgevonden op 21 september 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tuma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en eiseres op [geboortedatum] 1981.

2. Eisers hebben eerder op 19 april 2016 een asielaanvraag ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 9 september 2016 zijn deze aanvragen afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Malta op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling hiervan. Deze besluiten zijn door uitspraak van 6 december 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in rechte vast komen te staan.

3. Op 18 juli 2017 hebben eisers deze opvolgende asielaanvragen ingediend. Zij hebben hieraan ten grondslag gelegd dat zij van 23 december 2016 tot 13 april 2017 in Turkije hebben verbleven. Ter onderbouwing hebben zij Turkse identiteitskaarten (Kimliks) en een huurovereenkomst voor een woning in Istanbul overgelegd. Eisers betogen dat, door hun verblijf van meer dan drie maanden buiten het Dublingebied, de verplichting tot overname voor Malta op grond van artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening is komen te vervallen. Hierdoor is Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van hun asielaanvragen.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Kimliks en de huurovereenkomst onvoldoende bewijs leveren voor eisers’ stelling dat zij het grondgebied van de lidstaten hebben verlaten. Uit de huurovereenkomst blijkt enkel dat zij een woning huurden, niet dat zij hierin daadwerkelijk hebben gewoond. Van de Kimliks kan Bureau Documenten de authenticiteit niet vaststellen wegens onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. Het is aan eisers de gestelde authenticiteit te onderbouwen, waarin zij niet zijn geslaagd. Ook de inhoud van de Kimliks biedt volgens verweerder onvoldoende inzicht in de verblijfsduur van eisers buiten het Dublingebied. Eiser heeft ook vaag verklaard over de reisroute naar Turkije en terug naar Nederland. Dat eiseres op grond van artikel 16 van de Dublinverordening graag bij haar familie in Nederland wil verblijven, is al in het besluit van 9 september 2016 beoordeeld. Hetgeen eisers hebben aangevoerd kan daarom niet worden aangemerkt als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid dat afdoet aan de besluiten van 9 september 2016, waarin vast is komen te staan dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen.

5.1

Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij stellen dat de door hen overgelegde documenten wel als nieuwe feiten en omstandigheden aangemerkt moeten worden. Zij stellen voldoende te hebben bewezen drie maanden buiten het Dublingebied te zijn geweest. De huurovereenkomst is in persoon in Turkije ondertekend en een Kimlik kan alleen in persoon in Turkije aangevraagd worden. Eisers betogen dat verweerder nader onderzoek had moeten doen. Zij wijzen op de samenwerkingsplicht als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn). Verweerder had de Nederlandse ambassade in Istanbul kunnen laten onderzoeken of de Kimliks authentiek zijn. Eisers betwisten ook summier te hebben verklaard. Verder stellen eisers dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, op grond waarvan verweerder hun asielaanvragen inhoudelijk moet beoordelen. In Nederland verblijft namelijk de oma van de kinderen van eisers, aan wie zij erg gehecht zijn.

5.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten heeft vermeld dat de termijn voor overdracht naar Malta is verlengd tot 26 januari 2018, omdat eisers op 20 december 2016 met onbekende bestemming waren vertrokken. Eisers’ stelling in beroep dat verweerder dit heeft nagelaten te vermelden, is dan ook niet juist. Hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, dat de Dienst Terugkeer en Vertrek van een andere vertrektermijn zou uitgaan, is niet met stukken onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding uit te gaan van een andere overdrachtstermijn dan die is vermeld in het bestreden besluit.

In geschil is of Malta nog steeds verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvragen, of dat eisers hebben aangetoond het Dublingebied voor ten minste drie maanden te hebben verlaten, waardoor Nederland hiervoor verantwoordelijk is geworden. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een huurovereenkomst geen bewijs oplevert van verblijf buiten het Dublingebied. Dat deze overeenkomst is ondertekend door zowel huurder als verhuurder, toont dit ook niet aan. Onderzoek door Bureau Documenten naar de juistheid en echtheid van de huurovereenkomst kan hier geen verandering in brengen. Ten aanzien van de Kimliks heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan zijn onderzoeksplicht voldaan, door deze te laten onderzoeken door Bureau Documenten. Dat Bureau Documenten de authenticiteit van de Kimliks niet kan vaststellen, maakt niet dat verweerder hier nader onderzoek naar had moeten laten doen. Dit ligt op de weg van eisers. Ook indien er vanuit wordt gegaan dat eisers in Turkije deze Kimliks hebben aangevraagd, tonen deze documenten niet aan dat eisers drie maanden in Turkije hebben verbleven.

Nu niet is aangetoond dat eisers drie maanden buiten het Dublingebied hebben verbleven, blijft verweerder terecht uitgaan van de in rechte vaststaande besluiten van 9 september 2016 waarin is overwogen dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvragen. Dat de oma van de kinderen van eisers in Nederland verblijft, is reeds uitgebreid meegewogen in de besluiten van 9 september 2016, zodat verweerder ook dit op goede gronden niet heeft aangemerkt als nieuw feit of nieuwe omstandigheid dat tot een ander besluit zou moeten leiden. Eisers’ enkele stelling dat niet bekend is hoe de situatie in Malta zal zijn en of zij hier zullen kunnen beschikken over de basisbehoeftes, is onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Malta. De door eisers aangehaalde jurisprudentie waaruit volgt dat altijd een beoordeling van het risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij terugkeer naar het land van herkomst moet plaatsvinden, is niet relevant. Zoals verweerder ter zitting ook heeft benadrukt, zal in het geval Malta niet meer bereid blijkt eisers asielaanvragen te behandelen, Nederland de aanvragen inhoudelijk beoordelen. Van uitzetting naar hun land van herkomst zonder inhoudelijke beoordeling van hun asielaanvragen is dan ook geen sprake.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.