Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11241

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8131
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om nadeelcompensatie. Niet is in geschil dat eiseres recht heeft op nadeelcompensatie, maar partijen zijn verdeeld met betrekking tot de hoogte daarvan. Dit ziet met name op de posten: de hoogte van de winstderving, het aanpassen van het GPS-systeem en de waardevermindering van de onderneming van eiseres.

Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van winstderving zoals die door verweerder is berekend onvoldoende gemotiveerd bestreden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten uitgaan van meer of hogere kosten dan de kosten waarvan is uitgegaan in het bestreden besluit. Nu eiseres geen alternatieve route heeft gevaren, zijn evenmin aanpassingen vereist in het GPS-systeem. Verder heeft eiseres niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de afsluiting van de Nieuwe Rijn van invloed is geweest op de totale waarde van de onderneming, anders dan dat zij omzetschade heeft geleden. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8131

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2017 in de zaak tussen

[B.V. X], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R.Th.G. van der Veldt),

en

de burgemeester van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Lever).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie toegewezen tot een bedrag van € 6.160,26.

Bij besluit van 8 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het verzoek om nadeelcompensatie toegewezen tot een bedrag van € 7.075,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017.

Voor eiseres is [persoon A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en [persoon B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarnaast zijn voor verweerder verschenen: [persoon C] en [persoon D].

Overwegingen

1. Bij besluit van 5 juni 2013 heeft verweerder evenementenvergunningen verleend voor de evenementen ijsbaan en kerstmarkt op het water van de Nieuwe Rijn te Leiden. Door beide evenementen was het water van de Nieuwe Rijn gestremd in de periode van maandag 2 december 2013 t/m dinsdag 7 januari 2014. Gedurende de procedure in het kader van de evenementenvergunningen is besloten om de (hoogte van de) nadeelcompensatie in een afzonderlijke procedure te behandelen. De rechtbank heeft het beroep in het kader van de evenementenvergunningen ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2014:7571). De onderhavige procedure heeft betrekking op de (hoogte van de) nadeelcompensatie.

2. Bij brief van 24 december 2013 heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de totaalschade minimaal € 24.593,12 bedraagt. Daarnaast wijst eiseres erop dat de verwachte waardedaling van de onderneming € 100.000 bedraagt. Eiseres heeft dit standpunt onderbouwd met een rapport van Van Arkel en Wiggers Accountants en Adviseurs.

3. Bij brief van 4 juni 2014 heeft verweerder het door eiseres gestelde schadebedrag betwist en om een nadere onderbouwing gevraagd.

4. Bij brief van 8 augustus 2014 heeft eiseres een nieuw accountantsrapport overgelegd. De door de accountant vastgestelde schade bedraagt € 30.848,-.

5. Verweerder heeft het schadebedrag op 3 september 2014 wederom betwist en de bezwaarschriftencommissie verzocht advies uit te brengen over de verdere procedure en eventueel een deskundige te benoemen.

6. Op 18 maart 2015 heeft de bezwaarschriftencommissie een conceptadvies uitgebracht. Beide partijen hebben hierop gereageerd. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres toegewezen tot een bedrag van € 6.160,26.

7. Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingediend en zich op het standpunt gesteld dat de totale schade € 71.843,85 bedraagt:

Schade als gevolg van winstderving € 39.037,82

Kosten GPS-systeem € 3.000,-

Kosten accountant € 1.593,60

Rechtsbijstand € 3.430,-

Totaal € 47.061,42

Wettelijke rente vanaf 8 januari 2014 t/m 4 februari 2015 € 2.408,18

Wettelijke rente vanaf 4 februari 2015 PM

Vermindering waarde onderneming € 22.374,25

Totaal€ 71.843,85 + PM

8. Na het door eiseres ingediende bezwaar stelt de bezwaarschriftencommissie in haar definitieve advies van 17 juni 2016 de totale schade vast op € 11.764,- (waarvan € 6.740,- aan winstderving). Verweerder heeft naar aanleiding van dit advies het bezwaar gegrond verklaard. In afwijking van het definitieve advies heeft verweerder het totale schadebedrag vastgesteld op € 7.075,-.

8.1

Volgens het bestreden besluit komen de volgende posten voor vergoeding in aanmerking:

Winstderving € 2.051,-

Accountantskosten € 1.594,-

Advocaatkosten € 3.430,-

Totaal € 7.075,-

De kosten voor het aanpassen van de GPS-installatie worden niet vergoed en de waardevermindering van de onderneming komt – in deze procedure – niet voor vergoeding in aanmerking, aldus verweerder.

9. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en handhaaft in beroep de door haar ingediende bezwaargronden en de daarbij gehanteerde schadeberekening.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. Het is niet in geschil dat eiseres recht heeft op nadeelcompensatie door verweerder. Partijen zijn echter verdeeld over de hoogte daarvan. Over het vergoeden van de kosten van de accountant en de advocaat is overeenstemming bereikt. De betwiste schadeposten zijn: de (hoogte van de) winstderving, de kosten voor het aanpassen van het GPS-systeem, en de vermindering van de waarde van de onderneming.

De hoogte van de winstderving

12. Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat de winstderving € 727,- bedraagt. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de winstderving € 804,- bedraagt. Omdat verweerder in het verweerschrift in de bezwaarfase al een bedrag van € 2.051,- aan winstderving had toegekend, houdt verweerder vast aan dit laatstgenoemde bedrag.

12.1

Verweerder heeft aan voormelde bedragen de volgende berekening ten grondslag gelegd. De gemiddelde netto omzet van eiseres over de jaren 2010, 2011 en 2012 bedraagt € 243.490,-. Het gemiddelde resultaat voor belastingen over de jaren 2010, 2011 en 2012 bedraagt € 33.039,- per jaar. Deze bedragen zijn door eiseres niet bestreden. Hieruit volgt dat het resultaat voor belastingen ten opzichte van de netto omzet derhalve 13.57% van de netto omzet is. Om de winstderving in december 2013 en 1/3 van januari 2014 te bepalen, is uitgegaan van de netto omzet in november 2013 (€ 7.672,75) plus 5%. Dit bedrag ziet alleen op de omzet die gegenereerd is uit de reguliere rondvaarten. De 5% extra omzet ten opzichte van november 2013 heeft verweerder ontleend aan het door eiseres overgelegde rapport van ‘Van Arkel en Wiggers accountants en adviseurs’ van 20 december 2013. Het omzetverlies komt dan neer op € 10.715,-. Uitgaande van het winstpercentage van 13,57%, is de winstderving in de periode dat de Nieuwe Rijn was afgesloten € 1.454,-. Omdat eiseres gebruik had kunnen maken van de alternatieve vaarroute en daarmee naar schatting 50% van haar ‘normale’ omzet had kunnen genereren, past verweerder een korting toe van 50%. De winstderving wordt daarom in het primaire besluit vastgesteld op € 727,-.

In reactie op het bezwaarschrift heeft verweerder zich bij brief van 17 februari 2016 op het standpunt gesteld dat het winstpercentage 38,28% bedraagt. Daarmee komt het bedrag aan winstderving op € 4.102 (afgerond). Na aftrek van 50% ‘eigen schuld’, stelt verweerder de winstderving vast op € 2.051,-.

De bezwaarschriftencommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat de winstderving € 6.740,- bedraagt. De bezwaarschriftencommissie heeft hiervoor ook de omzet uit de reguliere rondvaarten in de maand november 2013 plus 5% als uitgangspunt genomen. De gederfde omzet bedraagt volgens de bezwaarschriftencommissie dan ook € 10.715,-. Anders dan verweerder stelt de commissie zich op het standpunt dat het percentage voor belastingen 48,4% bedraagt omdat de managementvergoeding en de overige personeelskosten vaste lasten betreffen. Dat komt neer op een bedrag van € 5.185,- minus een bedrag van € 1.210,- wegens een loondoorbetaling in de maand december 2013 (€ 3.975,-). De winstderving bedraagt derhalve € 6.740,- (10.715 – 3975).

In het bestreden besluit heeft verweerder de volgende berekening gehanteerd. Indien eiseres wel zou hebben gevaren in december 2013/januari 2014 zou zij 50% van de berekende omzet van € 10.715,- hebben kunnen genereren (afgerond € 5.360,-). Dat betekent dat de gemiddelde jaaromzet € 248.850,- bedraagt (243.490 + 5.360). Het gemiddelde resultaat voor belastingen is dan € 38.399,- (33.039 + 5360). Omdat eiseres een schipper heeft moeten doorbetalen, wordt daar nog € 1.210,- van afgetrokken en komt het resultaat voor belastingen uit op € 37.189,-. Hiervan uitgaande bedraagt het afgeronde winstpercentage 15% (37.189 / 248.850). Dat levert uiteindelijk een winstderving op van € 804,- (0,15 x € 5.360,-). Zoals reeds in overweging 12 is overwogen, houdt verweerder vast aan het eerder genoemde bedrag van € 2.051,- ondanks de laatste berekening in het bestreden besluit. De rechtbank overweegt dat verweerder met deze berekening voldoende heeft gemotiveerd waarom hij in het bestreden besluit is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie.

12.2

De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij het berekenen van de gederfde omzet alleen de reguliere rondvaarten moeten worden meegenomen. Dat brengt met zich dat verweerder de hoogte van de omzet in de maand november 2013 op de juiste hoogte heeft vastgesteld. Voor de ‘specials’ en gemiste kansen had eiseres immers alternatieven kunnen aanbieden. Nu zij dit heeft nagelaten wordt niet inzichtelijk of daarvoor geen belangstelling zou zijn geweest, zoals eiseres heeft gesteld. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zij in december elke dag zou hebben gevaren en daarbij de door haar berekende gemiddelde dagomzet zou hebben gehaald. Ook heeft verweerder terecht de omzet van de maand november 2013 plus 5% als uitgangspunt genomen. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat verweerder dit onvoldoende gemotiveerd heeft, nu zij immers zelf een accountantsrapport heeft overgelegd waarin wordt uitgegaan van 5 % meer bezoekers in december 2013 ten opzichte van november 2013.

Voor zover eiseres betoogt dat er geen alternatieve vaarroute is, overweegt de rechtbank het volgende. Deze rechtbank heeft in een eerdere procedure van eiseres tegen verweerder in het kader van een verleende evenementenvergunning reeds overwogen dat eiseres over de alternatieve route kan varen (uitspraak van 25 juni 2014, zaaknummer SGR 14/1765). Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 12 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2593) overwogen dat de alternatieve route over de Oude Rijn weliswaar voor een deel minder aantrekkelijk is, maar dat niet kan worden geoordeeld dat de alternatieve route niet bruikbaar is. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat slechts het stuk van de Nieuwe Rijn niet kan worden bevaren. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen. Gelet daarop heeft verweerder mogen verwachten dat eiseres 50 % van haar gemiddelde omzet had kunnen genereren indien zij gebruik had gemaakt van deze alternatieve route. Dat zij met de alternatieve route een risico van imagoschade zou lopen heeft eiseres niet genoegzaam onderbouwd.

Ter zitting heeft eiseres nog betoogd dat verweerder in het bestreden besluit een onjuiste schadeberekening heeft gehanteerd door de kosten van de schipper van de omzet af te halen. De rechtbank overweegt dat dit niet tot een gegrond beroep kan leiden nu – zelfs als verweerder de € 1.210 niet van de omzet had afgetrokken – het bedrag lager zou zijn dan het door verweerder toegekende bedrag van € 2.051,- (38.399 / 248.850 = 0,1543 & 5.360 x 0.1543 = € 827,-).

Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van winstderving onvoldoende gemotiveerd bestreden. De rechtbank ziet, gelet op het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten uitgaan van meer of hogere kosten dan de kosten waarvan is uitgegaan in het bestreden besluit. Voor zover eiseres nog betoogt dat verweerder de Verordening nadeelcompensatie gemeente Leiden 2014 (de Verordening) te nauw interpreteert overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat verweerder gestelde schadeposten niet heeft gecompenseerd omdat zij niet in de Verordening staan.

Het aanpassen van het GPS-systeem

13. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de kosten voor het aanpassen van het GPS-systeem niet voor vergoeden in aanmerking komen. Eiseres heeft immers in betreffende periode december 2013/januari 2014 niet gevaren en dus ook geen gebruik gemaakt van de alternatieve route. Derhalve zijn ook geen aanpassingen vereist in het GPS-systeem van eiseres.

De waardevermindering van de onderneming.

14. Eiseres heeft in dit kader betoogd dat de Nieuwe Rijn nog niet werd afgesloten op het moment dat zij de onderneming overnam van de gemeente Leiden. Inmiddels zijn er per jaar 51 ‘afsluitdagen’ die de waarde van de onderneming hebben verminderd.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat vanwege de betreffende afsluiting van de Nieuwe Rijn de onderneming in waarde is verminderd. Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de afsluiting van de Nieuwe Rijn van invloed is geweest op de totale waarde van de onderneming, anders dan dat zij omzetschade heeft geleden. Deze omzetschade heeft verweerder echter al in de berekening van de nadeelcompensatie betrokken. De beroepsgrond faalt.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. J.M. Ghrib en
mr. G.A.C.M. van Ballegooij, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.