Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11237

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
NL17.8176
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asielaanvraag afgewezen, doodsbedreigingen niet geloofwaardig, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8176


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8177, plaatsgevonden op 21 september 2017. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van de afwijzing asiel

1. Eiser heeft de Albanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1997.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader schulden had en dat zijn vader om die reden in de zomer van 2016 door een aantal mannen op straat is aangevallen en met een mes gestoken. Een van de daders is ter plekke door de politie gearresteerd. Later is hij weer vrijgelaten, wellicht doordat eisers vader geen belastende verklaring wilde afleggen bij de politie. Ongeveer twee weken later ontving eiser telefonische bedreigingen. Hij vermoedt dat dit verband houdt met de aanval op zijn vader. Eiser is vanwege deze bedreigingen op 1 oktober 2016 uit Albanië vertrokken.

3. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, evenals de aanval op eisers vader. Dat eiser in Albanië doodsbedreigingen heeft ontvangen, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Hij heeft zijn verklaringen hierover niet met documenten kunnen staven en heeft hier volgens verweerder wisselende verklaringen over afgelegd. Zo heeft eiser verklaard in Zweden - waar hij verbleef voordat hij naar Nederland kwam - geen asiel te hebben aangevraagd omdat hij geen bewijzen had, maar heeft hij ook verklaard de telefoon waarop hij de dreigberichten had ontvangen in Zweden te zijn verloren. Ook heeft eiser in eerste instantie verklaard een telefoontje te hebben ontvangen van een persoon die hem bedreigde en uitschold, maar later dat hij tweemaal is bedreigd via sms/tekstberichten en niet op andere wijzen. Daarbij heeft eiser volgens verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom juist hij werd bedreigd in het kader van problemen die speelden tussen zijn vader en diens schuldeisers. Verweerder ziet ook niet in dat eisers vader eiser heeft aangeraden te vluchten, maar voor zichzelf en de overige gezinsleden niet tot die conclusie is gekomen. Ook bevreemdt het verweerder dat eiser niet weet of zijn ouders of broer nu nog problemen ondervinden. Eiser heeft in het eerste gehoor verklaard gedurende de vier maanden voor zijn vertrek uit Albanië niets bijzonders te hebben gedaan en zich bezig te hebben gehouden met activiteiten zoals zwemmen in de zee en het uitlaten van zijn hond. Dit strookt niet met zijn latere verklaring dat hij na de bedreiging (twee weken voorafgaand aan zijn vertrek) zijn huis niet meer heeft verlaten. Ten slotte acht verweerder van belang dat eiser reeds in oktober 2016 de Europese Unie is binnen gereisd en sinds mei 2017 in Nederland verblijft, terwijl hij pas op 16 augustus 2017 asiel heeft aangevraagd, nadat hij was aangehouden en in vreemdelingenbewaring was gesteld. Dit, in combinatie met de omstandigheid dat Albanië is aangemerkt als veilig land van herkomst en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit voor hem anders is, heeft verweerder doen besluiten eisers asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) af te wijzen als kennelijk ongegrond.

4.1

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betwist wisselend te hebben verklaard. Zo heeft hij niet verklaard dat hij in Zweden geen asiel heeft aangevraagd omdat hij niet in het bezit was van bewijs. Hij was bij aankomst in Zweden wel in het bezit van de tekstberichten op zijn telefoon, maar was desondanks bang met alleen dit als bewijs niet geloofd te worden. Dat eiser in eerste instantie zou hebben verklaard over een telefoontje is niet correct en de notitie hiervan in het verslag heeft eiser ook gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. Dat eiser daarna zou hebben verklaard ook berichten te hebben gekregen op zijn telefoon, waardoor het volgens verweerder gelet op de context logisch lijkt dat eiser het daarvoor over een telefoontje had, heeft eiser ook gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. Waarom niet duidelijk zou zijn waarom juist eiser werd bedreigd heeft verweerder volgens eiser onvoldoende gemotiveerd. Eiser was direct bij het conflict betrokken, is voor zijn vader opgekomen en heeft de dader van de aanslag bespuugd en beledigd. Dit maakt dat eiser doelwit is geworden, ondanks dat het conflict om een geldschuld ging. Dat de overige gezinsleden van eiser het land niet zijn ontvlucht kan eiser verklaren. In de tekstberichten stond dat ook iedereen die met eiser was vermoord zou worden, maar niet dat dit zijn familie betrof. Daarbij heeft zijn vader een inreisverbod voor de duur van tien jaar, was zijn broertje nog jong en loopt zijn moeder als vrouw geen gevaar in dit soort kwesties. Waarom eisers vader vluchtpogingen heeft ondernomen en of dit is omdat hij nog problemen ondervindt, weet eiser niet omdat zijn vader nooit over zijn problemen spreekt. Dat eiser in het eerste gehoor niets heeft verklaard over het feit dat hij wekenlang ondergedoken heeft gezeten, is volgens eiser voorstelbaar, omdat hem was verteld dat hij pas bij het nader gehoor over zijn problemen mocht praten. Eisers verklaring dat het gewoon vakantie was, dient verweerder niet uit de context te halen. Hij antwoordde dit op de vraag of hij nog cursussen had gedaan. Tot slot wijst eiser op de diverse rapporten die hij bij zijn zienswijze heeft overgelegd om aannemelijk te maken dat hij tegen de bedreigingen geen bescherming kan krijgen van de Albanese autoriteiten. Ten onrechte heeft verweerder zijn asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde doodsbedreigingen aan het adres van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In dit kader volgt de rechtbank verweerder met name in zijn standpunt dat eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren waarom juist hij na de aanslag op eisers vader bedreigd werd en dat het bevreemdt dat eiser niet weet of zijn vader na de aanslag nogmaals problemen heeft ondervonden. Dat eiser niet weet of zijn vader nog problemen ondervindt en of zijn vader om die reden vluchtpogingen onderneemt, omdat zijn vader niet over zijn problemen spreekt, heeft verweerder ongeloofwaardig mogen achten. Ook heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat hij in het eerste gehoor op de vraag wat hij in de laatste maanden voor zijn vertrek deed heeft verklaard niets bijzonders te hebben gedaan, maar naar het strand te zijn gaan, te zijn gaan zwemmen en de hond te hebben uitgelaten. Zelfs als er in meegegaan wordt dat het voorstelbaar is dat eiser niet heeft verklaard dat hij ondergedoken heeft gezeten, omdat het niet de bedoeling was over zijn relaas te verklaren, heeft verweerder mogen verwachten dat eiser op zijn minst verklaard zou hebben dat hij de laatste weken minder of geen buitenactiviteiten ondernam omdat hij veel tijd binnen doorbracht. Voorts heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij niet eerder asiel heeft aangevraagd. Dat dit zou zijn uit angst te worden afgewezen, maakt dit niet anders. Eiser heeft de gestelde bedreigingen niet aannemelijk gemaakt en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de Albanese autoriteiten in zijn specifieke geval geen bescherming kunnen bieden.

4.3

Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van het inreisverbod

5.1

Eiser voert aan dat verweerder hem geen inreisverbod had mogen opleggen, omdat hem ten onrechte een vertrektermijn is onthouden. Bovendien schendt het inreisverbod het recht op eerbiediging van zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Hij is in Italië opgegroeid en zijn vrienden wonen in Italië. Daarnaast heeft eiser familie in Italië, Zweden en Duitsland.

5.2

Omdat hiervoor is geoordeeld dat verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, en daarbij een van de redenen hiervoor is gelegen in het feit dat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst, heeft verweerder in redelijkheid aan eiser een vertrektermijn kunnen onthouden. Verweerder was gelet hierop gehouden op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een inreisverbod aan eiser op te leggen. De enkele stelling dat eiser vrienden en familie in de Europese Unie heeft wonen, zonder nadere concretisering van zijn band hiermee, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat verweerder wegens humanitaire omstandigheden van het inreisverbod had moeten afzien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.