Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11154

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
NL17.8399
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder gaat in het kader van een Dublinprocedure uit van de meerderjarigheid van de vreemdeling, en wijst de verantwoordelijkheid voor de behandeling van diens asielaanvraag dus af, omdat hij in Duitsland als meerderjarig staat geregistreerd. Verweerder hecht geen waarde aan het door de vreemdeling overgelegde paspoort omdat dat is afgegeven op basis van een tazkera, terwijl verweerder twijfels heeft over de wijze van verkrijging van die tazkera. De rechtbank is van oordeel dat het verweerder niet vrij staat aan een door de vreemdeling overgelegd authentiek paspoort, waarvan de echtheid en wijze van opmaak en afgifte niet wordt betwist, geen waarde te hechten, louter op basis van bij hem om andere reden gerezen twijfel. De rechtbank verwijst ter vergelijking naar een uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3312). Indien verweerder twijfelt aan de juistheid van de gegevens zoals die staan vermeld op het paspoort vanwege het brondocument op grond waarvan het paspoort zou zijn afgegeven, namelijk de tazkera, dan ligt het op zijn weg om daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de Afghaanse ambassade in Nederland, die het paspoort heeft afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/255 met annotatie van prof. mr. H. Battjes

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8399

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Pals),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. Luik).


Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8400, plaatsgevonden op 25 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt [eiser] te zijn, geboren op [geboortejaar 2000] en van Afghaanse nationaliteit.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 18 februari 2016 de buitengrens van de lidstaten op illegale wijze heeft overschreden via Griekenland. Uit Eurodac is tevens gebleken dat eiser op 31 oktober 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

Uit dactyloscopisch onderzoek krachtens artikel 34 van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) van 13 februari 2017 is gebleken dat eiser Duitsland is ingereisd op 14 oktober 2016 en op 31 oktober 2016 asiel heeft aangevraagd, onder de personalia [eiser] , geboren op [geboortejaar 1998] en van Afghaanse nationaliteit. Ondanks de Griekse Eurodactreffer heeft Duitsland niet gevraagd eiser over te nemen op grond van de Dublinverordening. In de Duitse procedure zijn in het dossier van eiser geen persoonlijke documenten en geen familieleden in Duitsland aangetroffen. Op 21 december 2016 hebben de Duitse autoriteiten de asielaanvraag van eiser afgewezen. Deze beslissing is op 12 januari 2017 rechtsgeldig geworden.

Voorts is uit een ander dactyloscopisch onderzoek krachtens artikel 34 van de Dublinverordening van 17 maart 2017 gebleken dat eiser op 19 februari 2016 Griekenland op illegale wijze is ingereisd en dat hij in Griekenland staat geregistreerd onder de personalia [eiser] , geboren op [geboortejaar 1996] en van Afghaanse nationaliteit. Er heeft geen leeftijdsonderzoek plaatsgevonden, omdat eiser stond geregistreerd als meerderjarige. Er zijn in Griekenland geen identificerende documenten en familieleden door eiser naar voren gebracht.

Op 24 maart 2017 zijn de Duitse autoriteiten door verweerder verzocht om eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening terug te nemen. Op 28 maart 2017 zijn de Duitse autoriteiten akkoord gegaan om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

3. Zoals ter zitting is bevestigd spitst het geschil zich toe op het beroep van eiser op artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening en dus op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser meerderjarig is. Eiser stelt dat hij inmiddels heeft aangetoond dat hij minderjarig is, en dat verweerder daarom verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser meerderjarig is. Verweerder gaat daarbij uit van de geboortedatum waarmee eiser in Duitsland geregistreerd staat, te weten [geboortejaar 1998] . Daarbij verwijst verweerder naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134) en van 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780). De omstandigheid dat eiser een echt bevonden tazkera en paspoort heeft overgelegd, doet hieraan niet af. Verweerder stelt zich namelijk op het standpunt dat eisers verklaringen over de wijze van verkrijging van de tazkera, namelijk dat hij deze vanuit Nederland via zijn grootvader heeft verkregen, niet overeenkomt met informatie uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van november 2016 (hierna: algemeen ambtsbericht, pagina’s 53 en 54). Hieruit volgt namelijk dat men vanaf de leeftijd van zeven jaar de tazkera in persoon dient aan te vragen en op te halen. Nu de tazkera is gebruikt voor de afgifte van het paspoort, gaat verweerder niet uit van de juistheid van de gegevens zoals vermeld op dat paspoort.

5. De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Uit de eerder genoemde Afdelingsuitspraken van 17 januari 2017 en 20 maart 2017 volgt dat indien een vreemdeling in een andere lidstaat als meerderjarig staat geregistreerd, verweerder in beginsel de vreemdeling ook in Nederland aan kan merken als meerderjarig.

Het ligt vervolgens op de weg van de vreemdeling om middels authentieke en identificerende documenten zijn gestelde minderjarigheid aannemelijk te maken.

7. De rechtbank stelt vast dat de geboortedatum van eiser zoals die in Duitsland staat geregistreerd, niet afkomstig is uit identiteitsdocumenten van eiser.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn minderjarigheid in deze procedure een tazkera en een paspoort heeft overgelegd, waarin de geboortedatum [geboortejaar 2000] staat vermeld. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 14 juli 2017 blijkt dat de tazkera echt is en dat het paspoort echt is en op de juiste wijze is opgemaakt en afgegeven.

8. De rechtbank is van oordeel dat het verweerder niet vrij staat aan een door de vreemdeling overgelegd authentiek paspoort, waarvan de echtheid en wijze van opmaak en afgifte niet wordt betwist, geen waarde te hechten, louter op basis van bij hem om andere reden gerezen twijfel. De rechtbank verwijst ter vergelijking naar een uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3312). Indien verweerder twijfelt aan de juistheid van de gegevens zoals die staan vermeld op het paspoort vanwege het brondocument op grond waarvan het paspoort zou zijn afgegeven, namelijk de tazkera, dan ligt het op zijn weg om daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de Afghaanse ambassade in Nederland, die het paspoort heeft afgegeven.

Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verweerder geen andere gronden dan de twijfels over de tazkera heeft aangevoerd op basis waarvan de juistheid van de gegevens zoals vermeld op het paspoort in twijfel kan worden getrokken. Ter zitting is door verweerder erkend dat de door verweerder in het besluit aangehaalde informatie uit het algemeen ambtsbericht, waaruit blijkt van corruptie en fraude bij Afghaanse documenten, in dit geval ziet op de verkrijging van een tazkera in Afghanistan en niet op de afgifte van een Afghaans paspoort door de Afghaanse ambassade in Nederland.

9. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep zal gelet hierop gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten.

10. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 7 september 2017;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.N.H. Tran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op .

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.