Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
NL17.8815
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

hc volgberoep - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8815


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra).

Procesverloop

Verweerder heeft op 22 mei 2017 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1967 en van Angolese nationaliteit te zijn.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 juli 2017 (in de zaak NL17.5232) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan verwijdering en dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Daartoe voert eiser aan dat tussen de met hem op 13 juli 2017 en 18 augustus 2017 gevoerde vertrekgesprekken meer dan een maand is verstreken. Verder voert eiser aan dat zich in zijn dossier geen verslagen van de vertrekgesprekken van 22 juni 2017 en 18 augustus 2017 bevinden, waardoor onvoldoende informatie beschikbaar is om te toetsen of zijn houding de voortduring van de bewaring op dat moment rechtvaardigde. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 15 september 2017, dat zich wel in zijn dossier bevindt, blijkt volgens eiser voorts dat hij op dat moment niet in staat was om het gesprek aan te gaan omdat hij last had van zijn hoofd. Eiser betoogt verder dat hij volledige medewerking heeft verleend aan de vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit door zijn identiteitsbewijs in kopie te overleggen, door te blijven uitleggen dat hij de Angolese nationaliteit heeft en door mee te werken aan zijn presentatie op 28 augustus 2017 bij de Congolese autoriteiten, die bevestigden dat hij inderdaad niet van Congolese afkomst is. Eiser leidt voorts uit de voortgangsrapportage af dat de Angolese autoriteiten pas een laissez-passer zullen afgeven bij bekendmaking van de vluchtgegevens en dat pas een vlucht voor hem zal worden geboekt nadat Bureau Medische Advisering (BMA) een advies heeft uitgebracht en er op zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw is beslist. Nu BMA, ingevolge de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Paposhvili tegen België (appl. nr. 41738/10), ook de daadwerkelijke toegankelijkheid van medische voorzieningen dient te toetsen, en nu BMA blijkens de voortgangsrapportage pas eind augustus 2017 over alle benodigde gegevens beschikte om een onderzoek te kunnen starten, valt volgens eiser niet te verwachten dat er op korte termijn een vlucht voor hem zal worden geboekt.

In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Uit de voortgangsrapportage van 15 september 2017 blijkt dat Angolese autoriteiten op 14 september 2017 hebben toegezegd dat zij aan eiser een laissez-passer, geldig voor een maand, zullen verstrekken indien zijn vluchtgegevens worden getoond en dat er, na afhandeling van eisers verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw, zo snel mogelijk een vlucht voor hem zal worden geboekt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aangetoond dat er een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. De enkele omstandigheid dat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande en op het feit dat verweerder blijkens de voortgangsrapportage bij BMA zal rappeleren en verweerder nog op 15 september 2017 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd ziet de rechtbank voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Dat de verslagen van de vertrekgesprekken van 22 juni 2017 en 18 augustus 2017 ontbreken maakt het vorenstaande niet anders. Over het ontbreken van het verslag van het vertrekgesprek van 22 juni 2017 heeft deze rechtbank in haar uitspraak van 31 juli 2017 (NL17.5232) al geoordeeld. Uit de voortgangsrapportage blijkt voorts dat ook op 17 augustus 2017 met eiser is gesproken en dat hij daarbij geen omstandigheden heeft aangevoerd naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Eisers standpunt dat hij op 15 september 2017 het vertrekgesprek niet kon aangaan omdat hij last had van zijn hooft, volgt de rechtbank wegens het ontbreken van een nadere onderbouwing niet. De rechtbank deelt verweerders standpunt, zoals weergegeven in de voortgangsrapportage, dat eiser op 15 september 2017 niet met de DT&V wilde praten.

Eiser voert verder aan dat hij detentieongeschikt is. Als psychiatrisch patiënt (o.a. schizofrenie, psychotische klachten, posttraumatische stress) op leeftijd die wil worden behandeld en die ook al op de wachtlijst van Equator stond om behandeld te worden, valt de detentie hem naar eigen zeggen zeer zwaar. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers gestelde medische klachten zijn immers niet met documenten onderbouwd en daarbij zijn voor dit oordeel geen concrete aanknopingspunten in zijn dossier aanwezig. Verder blijkt uit de eerdere uitspraak van 13 juni 2017 (in de zaak AWB 17/10752) dat eiser in het detentiecentrum wordt behandeld, dat de zorg in het detentiecentrum voldoende is en dat daaraan door psychische hulpverleners wordt bijgedragen.

Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.