Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2198
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Naar aanleiding van die aanvraag heeft verweerder een onderzoek ingesteld en een huisbezoek afgelegd. Tijdens dat huisbezoek is, behoudens een aantal kledingstukken, een zeer gering aantal persoonlijke eigendommen aangetroffen. Verder was er in de keuken geen eten, drinken of keukengerei aanwezig en heeft eiser geen tot hem te herleiden bezittingen kunnen aantonen. Vervolgens heeft verweerder, naar aanleiding van het huisbezoek, de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering afgewezen.

Eiser voert aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het geringe aantal aangetroffen spullen is verklaarbaar, aangezien eiser van een dakloze situatie naar een zelfstandige woonsituatie is gegaan en derhalve enkel de noodzakelijke spullen bezat, hij zijn administratie en medicatie in de auto bewaart en hij bij zijn nicht eet en drinkt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de beoordelingsperiode zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Eiser heeft geen toereikende verklaring gegeven voor het in het geheel afwezig zijn van levensmiddelen, post, administratie, medicijnen en anderszins tot eiser te herleiden spullen. Bovendien dient de vraag waar eiser zijn hoofdverblijf had, te worden beantwoord aan de hand van de feitelijk aangetroffen situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2198

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.R. Bissessur)

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert)

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder een aanvraag van eiser om een uitkering ingevolge de Participatiewet (PW) afgewezen.

Bij besluit van eveneens 16 december 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder het aan eiser verstrekte voorschot van in totaal een bedrag van € 865,- van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 13 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 27 oktober 2016 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Op zijn aanvraag heeft eiser aangegeven woonachtig te zijn op het adres [adres] te [plaats] (uitkeringsadres). Op 24 november 2016 heeft verweerder eiser een voorschot van € 865,- verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder een onderzoek ingesteld waarbij op

14 december 2016 een gesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Aansluitend is een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in de rapportage van 15 december 2016.

1.2.

In de rapportage naar aanleiding van het huisbezoek is – samengevat – het volgende vermeld. Er is, behoudens een aantal kledingstukken, een zeer gering aantal persoonlijke eigendommen aangetroffen. Verder is in de rapportage opgenomen dat er in de keuken geen eten, drinken of keukengerei aanwezig was. Voorts heeft eiser, blijkens de rapportage geen tot hem te herleiden bezittingen kunnen tonen.

1.3.

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de aanvraag van eiser naar aanleiding van de rapportage afgewezen wegens het ontbreken van voldoende inlichtingen voor het vaststellen van het recht op bijstand. Bij het primaire besluit II heeft verweerder het aan eiser verstrekte voorschot van hem teruggevorderd.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt zijn hoofdverblijf te hebben op het uitkeringsadres. De rapportage van het huisbezoek bevestigt dit standpunt, nu hieruit blijkt dat de hoeveelheid aangetroffen persoonlijke spullen zeer gering is en eiser bovendien niet heeft aangetoond dat de spullen aan hem toebehoorden. Het ontbreken van persoonlijke correspondentie en medicijnen weegt hierbij zwaar. Verder had verweerder een redelijke grond voor het afleggen van dit bezoek nu het uitkeringsadres van eiser in de Kernregistraties Gebouwen en Adressen is aangemerkt als een winkelpand.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser heeft wel degelijk, ook ten tijde van het huisbezoek op

14 december 2016, zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Het geringe aantal spullen dat is aangetroffen tijdens het huisbezoek is verklaarbaar, aangezien eiser over de periode van juli 2016 tot en met november 2016 van een dakloze situatie naar een zelfstandige woonsituatie is gegaan. Hij bezat enkel de noodzakelijke spullen. Eiser at vaak bij zijn nicht waar tevens zijn correspondentie lag. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen, aldus eiser.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode bij een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 27 oktober 2016 tot en met 16 december 2016.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5) moet een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder afdoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de beoordelingsperiode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het betoog van eiser over de afwezigheid van persoonlijke bezittingen, namelijk omdat hij vanuit een dakloze situatie kwam, zijn administratie en medicatie in de auto bewaart en bij zijn nicht eet en drinkt, slaagt niet. Dit betoog geeft immers geen toereikende verklaring voor het in het geheel afwezig zijn van levensmiddelen, post, administratie, medicijnen en anderszins tot eiser te herleiden spullen. Bovendien dient de vraag waar eiser zijn hoofdverblijf had, te worden beantwoord aan de hand van de feitelijk aangetroffen situatie. Aan de stelling van eiser dat de door hem gegeven verklaring overeen kwam met de feitelijke situatie en tijdens het huisbezoek op 14 december 2016 spullen zijn aangetroffen die hij tijdens het gesprek op voormelde datum heeft genoemd, komt in dit geval geen betekenis toe. Deze omstandigheden zijn, gelet op de bevindingen tijdens het huisbezoek, namelijk op zichzelf niet voldoende om te kunnen vaststellen dat eiser in de te beoordelen periode feitelijk verbleef op het uitkeringsadres. Ten slotte heeft eiser in beroep een verklaring overgelegd van [bedrijf] van 28 augustus 2017. Deze enkele verklaring is naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het voorgaande – onvoldoende, te meer nu de verklaring achteraf is opgesteld, onvoldoende feitelijkheden bevat en niet weerlegt wat tijdens het huisbezoek is geconstateerd.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Als gevolg daarvan is verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden de ten onrechte verleende bijstand in de vorm van voorschotten van eiser terug te vorderen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.W. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.