Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
AWB 17/1691 en AWB 17/1696
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, vader en zoon uit Iran, beroep vader niet-ontvankelijk wegens vertrek met Internationale Organisatie voor Migratie - beroep zoon ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1691 en AWB 17/1696

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen

[eiser 1], eiser 1, V-nummer [V-nummer],

[eiser 2] , eiser 2, V-nummer [V-nummer],

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Kersten).

Procesverloop

Bij separate besluiten van 3 januari 2017 (de bestreden besluiten) zijn de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Eiser 1 is niet verschenen. Eiser 2 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens verschenen is O. Al Othman, tolk.

Overwegingen

1. Eisers hebben aan hun asielaanvragen -samengevat weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd. Eisers zijn vader en zoon. Zij zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1973 en [geboortedatum] 1999. Eisers zijn in het bezit van de Iraanse nationaliteit. Zij zijn Arabier en Soenniet, afkomstig uit de regio Ahwaz. Eiser 1 vormde in Iran samen met [persoon A] een eenheid die jongeren probeerde bewust te maken van de rechten van de Arabieren in Ahwaz. Op instructie van [persoon A] verspreidde eiser 1 onder meer pamfletten en cd’s met politiek getint materiaal. Toen eiser 1 op 16 september 2015 vernam dat [persoon A] was opgepakt door de Iraanse veiligheidsdienst is hij direct uit zijn woonplaats vertrokken om enige tijd later Iran te verlaten. Twee dagen na het vertrek van eiser 1 uit zijn huis is er daar door de Iraanse inlichtingendienst een inval gedaan, waarbij belastend materiaal is gevonden en meegenomen. Na deze inval kwam eiser 2 erachter dat zijn vader, eiser 1, politiek actief was. Op 16 oktober 2015 is ook eiser 2 uit Iran vertrokken, uit vrees dat hij, bij afwezigheid van zijn vader, als oudste zoon in zijn plaats zou worden gevangengenomen.

2. Verweerder volgt eisers wel in de door hen opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst. Dat eiser 1 politiek actief is geweest en dat eisers als gevolg daarvan de door hen omschreven problemen hebben ondervonden acht verweerder echter ongeloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers daarom bij de bestreden besluiten afgewezen als ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

3. Eisers kunnen zich met de bestreden besluiten niet verenigen. Op hetgeen door hen in beroep is aangevoerd zal hieronder -voor zover van belang- worden ingegaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het beroep van eiser 1

4.1.

Uit een door verweerder op 17 augustus 2017 overgelegde en door eiser 1 ondertekende vertrekverklaring blijkt dat eiser 1 op 14 juli 2017 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vanuit Nederland is vertrokken naar zijn land van herkomst, Iran. Uit deze verklaring blijkt eveneens dat eiser met de ondertekening ermee instemt dat nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd.

4.2.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het onderhavige beroep, nu dat beroep strekt tot verkrijging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Uit het vrijwillige vertrek van eiser naar zijn land van herkomst moet worden afgeleid dat hij niet langer aanspraak wenst te maken op een dergelijke verblijfsvergunning. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraken van 24 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3715) en 31 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2058).

4.3.

Het standpunt van eisers dat eiser 1 naar Iran is teruggekeerd omdat zijn zoon [zoon] door de Iraanse inlichtingendienst is opgepakt, dat hijzelf inmiddels is opgepakt en zijn zoon [zoon] weer is vrijgelaten, dat dit alles de eerder naar voren gebrachte vrees voor vervolging bewijst en dat eiser 1 zich bij ondertekening van de vertrekverklaring niet van de consequenties bewust was, slaagt niet. Voornoemd standpunt doet immers niets af aan het feit dat eiser 1 eerder de vertrekverklaring heeft ondertekend. Door deze verklaring te ondertekenen heeft hij er blijk van gegeven geen prijs meer te stellen op bescherming. In de vertrekverklaring staat dat eiser 1 vrijwillig vertrekt en dat zijn aanvraag voor vertrek met IOM-assistentie niet op oneigenlijke gronden is ingediend. Gesteld noch gebleken is dat hij deze verklaring niet vrijwillig, maar onder dwang of zonder kennis van de inhoud heeft ondertekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2930) laat de ondertekening van de vertrekverklaring geen ruimte voor het aanvaarden van een tegenovergesteld standpunt over deze verklaring na vertrek naar het land van herkomst.

4.4.

Daarbij heeft gemachtigde van verweerder er ter zitting niet ten onrechte op gewezen dat de gestelde arrestatie en detentie van zoon [zoon] en eiser 1 niet met documenten zijn onderbouwd. Verder heeft gemachtigde van verweerder ter zitting niet ten onrechte betoogd dat niet valt in te zien waarom zoon [zoon] niet al voor zijn tiende verjaardag is gevlucht dan wel waarom eiser 1 niet al voor de tiende verjaardag van zoon [zoon] naar Iran is teruggekeerd, terwijl de Iraanse inlichtingendienst de vrouw van eiser 1 eerder al zou hebben gewaarschuwd dat zij zoon [zoon] zouden oppakken als eiser 1 op het moment dat zoon [zoon] tien jaar oud was niet in Iran zou zijn. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting betoogd dat eiser 1 al op 30 mei 2017 een eerste keer bij IOM heeft aangegeven terug te willen keren maar dat hij vervolgens van terugkeer heeft afgezien. Ter onderbouwing heeft gemachtigde van verweerder ter zitting een IOM verificatieformulier getoond. Verweerder betoogt niet ten onrechte dat, indien zoon [zoon] daadwerkelijk dreigde te worden gearresteerd en gedetineerd, niet valt in te zien waarom eiser 1 aanvankelijk van terugkeer heeft afgezien om pas later daadwerkelijk terug te keren. De verklaring van eiser 2 ter zitting dat zijn vader de dreiging met arrestatie en detentie van zoon [zoon] aanvankelijk niet serieus nam en dat deze dreiging eerder nog niet zo concreet was, valt niet te rijmen met de gestelde ernst van de situatie. Ook gelet hierop kan voornoemde beroepsgrond niet slagen.

4.5.

Het beroep van eiser 1 is daarom niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep van eiser 2

4.6.

Verweerder overweegt naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte dat eiser 2 zich, gelet op het voorgaande, voor zover zijn asielrelaas leunt op dat van zijn vader, niet langer met succes kan beroepen op de gestelde geloofwaardigheid van het asielrelaas van zijn vader.

4.7.

Op 28 augustus 2017 heeft gemachtigde van eisers een kopie van een Iraans document van 18 juni 2017 met vertaling overgelegd waarin staat -samengevat weergegeven- dat [zoon] wordt verdacht van een veiligheidsmisdrijf en dat hem het verstoren van de nationale veiligheid en politiek activisme ten laste wordt gelegd (onder verwijzing naar een vonnis), en waarin de plaatsvervanger van de openbaar aanklager van het Openbaar Ministerie van de stad Ahvaz de openbaar aanklager verzoekt een bevel uit te vaardigen zodat het arrestatiebevel en de justitiële bevoegdheden in de zaak van [zoon] kunnen worden uitgevoerd.

4.8.

Nog daargelaten dat eiser 2 zich niet langer met succes kan beroepen op de gestelde geloofwaardigheid van het asielrelaas van zijn vader, heeft gemachtigde van verweerder ter zitting niet ten onrechte betoogd dat voornoemd document inhoudelijk niet overeenstemt met eerdere verklaringen van eisers. Immers wordt volgens het document eiser 2 politiek activisme ten laste gelegd, terwijl volgens eerdere verklaringen van eisers niet hij maar zijn vader, eiser 1, politiek actief was. Voorts valt niet in te zien waarom er een arrestatiebevel en een vonnis ten aanzien van eiser 2 zou zijn uitgebracht, terwijl het in eerste plaats zijn vader, eiser 1, zou zijn die zou worden gezocht en terwijl eisers van begin af aan hebben gesteld dat eiser 2 zou worden vrijgelaten als zijn vader, eiser 1, zich zou melden. Daarbij heeft gemachtigde van verweerder er ter zitting niet ten onrechte op gewezen dat het vonnis waarnaar in voornoemd document wordt verwezen (evenals het arrestatiebevel) ontbreekt. Gelet hierop heeft verweerder aan voornoemd document niet de waarde hoeven hechten die eisers daaraan gehecht wensen te zien en is verweerder niet gehouden dit document of het origineel, dat volgens eiser 2 onderweg is, te laten onderzoeken.

4.9.

Het beroep van eiser 2 op de algemene situatie in Iran slaagt evenmin. Verweerder betoogt in het bestreden besluit niet ten onrechte dat het enkele behoren tot de Arabische, Soennitische, bevolkingsgroep in Iran, onvoldoende grond is voor het oordeel dat sprake is van vervolging en dat het aan eiser 2 is om bijzondere, individuele omstandigheden aan te voeren die aannemelijk maken dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij voor vervolging te vrezen heeft. Eiser 2 is hierin niet geslaagd, waarbij wordt verwezen naar het bovenstaande.

4.10.

Het beroep van eiser 2 is daarom ongegrond.

Ten aanzien van beide beroepen

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiser 1 niet-ontvankelijk

- verklaart het beroep van eiser 2 ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.