Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11115

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
09/777024-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een leeftijdgenoot. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer herhaaldelijk geschopt en geslagen tegen zijn gezicht en lichaam, ook terwijl hij op de grond lag, waardoor het slachtoffer zijn portemonnee heeft afgegeven.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft deelgenomen aan een vechtpartij en door zijn gedrag heeft hij bijgedragen aan het geweld waarvan meerdere personen het slachtoffer zijn geworden.

Voornoemde gewelddadige delicten zijn zeer bedreigend geweest voor de slachtoffers. Naast de geleden materiële schade kunnen slachtoffers van geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777024-17

Tul 09/090524-16

Datum uitspraak: 28 september 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 3 augustus 2017 en

14 september 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.S. van Haeringen en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte

mr. I. Aardoom-Fuchs, advocaat te Gouda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of of omstreeks 17 februari 2017 te Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heen gedwongen tot de afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die

[benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en)

uit het:

- hardhandig vastpakken van die [benadeelde 1] terwijl deze op de fiets zat en/of vervolgens;

- die [benadeelde 1] met kracht van zijn fiets trekken en/of vervolgens;

- het met kracht slaan/stompen in het gezicht van die [benadeelde 1] en/of vervolgens;

- het slaan/stompen/schoppen tegen het gezicht/lichaam van deze [benadeelde 1] terwijl hij op de

grond lang en/of vervolgens;

- meermalen, althans eenmaal zeggen dat hij zijn portemonnee moest afgeven;

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend

- op een intimidere wijze dichtbij deze [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gestaan/gelopen en/of

- geroepen/gezegd: "ik steek je kapot, ik snij als jullie strotten open, ik weet waar je woont, jij en je

familie gaan er aan, ik maak jullie allemaal af" en/of "kankerlijers, ik maak jullie kapot, jullie zullen

het wel merken" en/of "ik heb een strafblad, ik steek je neer, ik zoek je nog wel op" en/of

- het kenteken van die [benadeelde 2] opgeschreven en daarbij geroepen: "ik zoek je op";

3.

hij op of omstreeks 01 juli 2017 te Katwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een, althans meerder breuken van het jukbeen en/of oogkas en/of blijvende schade aan de oogzenuw en/of kneuzingen

in het gezicht, heeft toegebracht, door een klap/vuistslag in/tegen het gezicht van [benadeelde 4] te geven;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 juli 2017 te Katwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 4]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,( met kracht) een of meermalen die [benadeelde 4] een vuistlag/klap in het gezicht heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 juli 2017 te Katwijk, met een ander of andere, op of aan de openbare weg, de [weg] , in elkg geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] , welk geweld bestond uit het één of meermalen (met kracht) slaan en/of duwen en/of trappen tegen het hoofd/rug althans het lichaam van [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of het slaan (met vuist) tegen het gezicht van [benadeelde 4] , welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (meerder breuken in oogkas, kneuzingen in gezicht en schade aan oogzenuw), althans enog lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank staat voor de vraag of de verdachte zich op 17 februari 2017 te Katwijk

samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [benadeelde 1] (feit 1) en of hij op 28 januari 2017 te Katwijk samen met anderen [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling (feit 2).

Ook dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich op 1 juli 2017 te Katwijk samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling, een poging tot zware mishandeling of openlijke geweldpleging (feit 3).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van feit 3 primair en subsidiair en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1, feit 2 en feit 3 meer subsidiair heeft begaan.

De officier van justitie heeft haar standpunt onderbouwd in haar requisitoir, dat zij op schrift aan de rechtbank heeft overgelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit en hiertoe aangevoerd dat de aangever en ook de [getuige 1] spreken over drie jongens die de beroving zouden hebben gepleegd, maar dat zij geen van de jongens hebben herkend aan hun stem en dat er voorts vraagtekens moeten worden gezet bij de belastende verklaring van [getuige 2] , die bij de rechter-commissaris anders verklaart dan bij de politie.

De verdachte heeft ontkend iets met de beroving te maken te hebben gehad en heeft een zwarte jas noch handschoenen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe primair gesteld dat de verdachte op 28 januari 2017 te Katwijk niet aanwezig is geweest op de parkeerplaats bij Moerkerk, hij heeft niet eens een fiets, en subsidiair dat de verdachte niet degene is geweest die de bedreigingen heeft geuit.

Ook ten aanzien van feit 3 primair, subsidiair en meer subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De verdachte heeft, aldus de raadsvrouw, verklaard in de vroege ochtend van 1 juli 2017 wel in Katwijk aanwezig te zijn geweest bij [naam 1] , maar niet betrokken te zijn geweest bij de mishandeling van [benadeelde 4] danwel bij een vechtpartij. De verdachte heeft bij de deur van [naam 1] met [naam 2] staan praten. [benadeelde 6] heeft verklaard de verdachte met een fles in zijn hand te hebben zien staan, maar niet te hebben gezien dat hij deze heeft gegooid noch dat hij [benadeelde 4] dan wel iemand anders heeft geslagen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1

Op 17 februari 2017 omstreeks 20:30 uur fietste [benadeelde 1] (verder: de aangever) samen met zijn vriend [getuige 1] op het Biltpad te Katwijk. Toen zij op hun fiets onder de tunnel van de N206 reden, werd de aangever aangesproken door een jongen, die een sjaal of zoiets voor zijn gezicht had. Toen de aangever hierop iets terug zei, werd hij vastgepakt en hardhandig van zijn fiets getrokken waardoor hij ten val kwam. Vervolgens werd hij meegetrokken de bosjes in. De aangever zag dat er opeens twee andere jongens uit de bosjes kwamen en alle drie de jongens begonnen hem hard in zijn gezicht te slaan en hem te schoppen, terwijl hij op de grond lag. De aangever had veel pijn en voelde dat zijn neus heftig begon te bloeden. Een van de jongens schreeuwde dat hij zijn geld moest geven.

De aangever heeft uiteindelijk, omdat de jongens hem bleven schoppen en slaan, zijn portemonnee uit zijn kontzak gepakt en deze werd direct uit zijn handen getrokken. Daarna hield het slaan en schoppen op en renden de jongens weg.

In de portemonnee van de aangever zat 90 euro aan briefgeld en wat kleingeld,

zijn ID-kaart en zijn ABN-AMRO bankpas.

De aangever heeft gezien dat de jongens alledrie in het zwart gekleed waren en dat zij alledrie een capuchon of muts op hadden en iets voor hun gezicht hadden. Ook droegen ze alledrie handschoenen.2 Op 18 februari 2017 verklaarde de aangever nog dat de jongen die stond te wachten onder het viaduct en hem van zijn fiets aftrok, een grijze trainingsbroek van voetbalclub “Paris Saint Germain (PSG)”, droeg. Op de broekspijpen liep een rode verticale streep. De aangever vertelde ook dat hij had gehoord dat de [verdachte] [medeverdachte 1] en een persoon genaamd [naam 3] hem hadden beroofd.3

De aangever heeft letsel opgelopen, namelijk een zwelling met een bloeduitstorting en een oppervlakkige snijwond van ongeveer 1 centimeter op zijn wang onder zijn linkeroog. Er zal een klein blijvend litteken onder zijn oog zijn.4

Op 21 februari 2017 verklaarde de aangever dat hij op 17 februari 2017 een paar keer was gebeld door het nummer van [medeverdachte 1] . Er werd gezegd dat ze wiet wilden en dat aangever naar de Roversbrug moest komen. De beller zei dat hij [naam 4] was, maar dat bleek niet te kloppen omdat de aangever [naam 4] later zag fietsen. De aangever verklaarde dat hij toen met [getuige 1] is gaan kijken wie daar stonden en dat hij toen is beroofd.

De aangever verklaarde voorts dat hij weleens voor vrienden wiet regelt en dat zijn berovers dat kennelijk wisten. Hij krijgt er geen geld voor, maar wel af en toe een hijsje.5

Uit onderzoek in de telefoon van de aangever is gebleken dat het contact [medeverdachte 1] ” met [tel.nummer 1] op 17 februari 2017 om 20.10, 20.20 en 20.34 uur naar de telefoon van de aangever heeft gebeld. Op de profielfoto van dit contact herkende de verbalisant de [medeverdachte 1] en ook uit de politiesystemen volgde dat het desbetreffende telefoonnummer bij deze medeverdachte in gebruik was.6

[getuige 1] fietste samen met zijn vriend [getuige 2] , de aangever, op 17 februari 2017 omstreeks 20.30 uur over het Biltpad te Katwijk toen hij zag dat een jongen, 1.70 cm lang, donkerblauwe jas, capuchon op en iets voor zijn gezicht, langs de muur van het viaduct stond.

Toen zij hem passeerden sprake deze jongen [getuige 2] aan, pakte hem vast en trok hem de bosjes in. Hoewel [getuige 1] in eerste instantie heeft verklaard dat hij zag dat er in de bosjes 4, 6 of 8 jongens stonden die allen [getuige 2] hard begonnen te slaan en te schoppen, heeft hij later verklaard dat het om drie personen ging.78

[getuige 3] was op 17 februari 2017 aan het vissen bij de Roversbrug toen hij drie mannen luid hoorde praten en even later iemand “Help Help” hoorde roepen. Toen zag hij iemand met bloed op zijn gezicht en heeft hij de politie gebeld.9

[getuige 2] , de moeder van de [medeverdachte 1] , heeft op 27 juni 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij die bewuste vrijdagavond, 17 februari 2017, naar de Action was geweest, dat zij rond 20.50 of 20.55 uur haar auto parkeerde en dat toen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] de verdachte, de hoek kwamen omlopen in donkere kleding. Ze gingen bij haar huis naar binnen en vervolgens naar boven. Volgens haar jongere zoon waren ze zich aan het omkleden. Op een gegeven moment ging een mobiele telefoon af en hoorde ze woorden als “aangifte” en “dealen”. Toen zij beneden op de bank was gaan zitten, kwam [medeverdachte 2] naar beneden en die zei dat er niets aan de hand was, maar dat ze wel een jongen hadden geslagen. [medeverdachte 2] zei dat [medeverdachte 1] niet had geslagen, maar dat hij en de verdachte hadden geslagen. [medeverdachte 2] ging weer naar boven en na enige tijd kwam [medeverdachte 1] naar beneden met zijn simkaart. Hij zei dat zijn simkaart uit zijn telefoon moest, want die deed heel raar. Later zag zij een gebroken simkaart. Op een gegeven moment kwamen ze weer naar beneden en liet [medeverdachte 2] haar een foto zien van de betrokken jongen. Hij zei: “Kijk, deze jongen was het.” Die jongen had een foto van zichzelf op Snapchat gezet onder de [benadeelde 1] . [medeverdachte 2] had die foto op zijn eigen telefoon gezet en liet die foto zien.

Het gezicht van die jongen zat aardig onder het bloed. Toen de jongens aan kwamen lopen, hadden ze geen handschoenen aan. De volgende dag, zaterdag, zag [getuige 2] één zwarte handschoen liggen en dat bevreemdde haar. Toen ze op zondag een berichtje van de politie zag dat een jongen door drie jongens in elkaar was geslagen, kreeg ze een vermoeden dat het deze drie jongens waren en heeft ze haar vermoedens met de politie gedeeld.

Later heeft ze aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij handschoenen aan had en toen zei hij dat de verdachte handschoenen aan had, omdat ze anders zouden zien dat hij getint was.

Later heeft [medeverdachte 1] , nadat [getuige 2] aan haar zoon had gevraagd of ze allemaal hadden geslagen, bevestigd dat dit het geval was. Ook heeft [medeverdachte 1] tegen haar gezegd dat ze het hadden gedaan omdat ze geld en wiet wilden hebben.10

Op zaterdag 18 februari 2017 is door [naam 5] het identiteitsbewijs

van de aangever [benadeelde 1] aangetroffen op de Biltlaan, 20 meter bij de

rotonde vandaan, op het voetpad, vlak naast de bosjes.11

De vader van de [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zijn zoon een telefoon van het merk Samsung heeft en gebruik maakt van het [tel.nummer 2] .12

Uit de historische gegevens is ook gebleken dat [medeverdachte 2] dit nummer gebruikt.13

Op 17 maart 2017 zijn onder de moeder van deze medeverdachte 2 Samsungtelefoons inbeslaggenomen, die zij had gevonden op de slaapkamer van [medeverdachte 2] .14 De Samsungtelefoon met het [tel.nummer 2] is onderzocht.15

Uit dit onderzoek bleek onder meer dat met het volgens de politiesystemen door [naam 4] gebruikte telefoonnummer op vrijdag 17 februari 2017 om 20:08 uur een whatsappbericht naar dit nummer is gestuurd, met het contact “ [benadeelde 1] ”, [nummer]16

Voorts is er op 18 februari 2017 tussen 9.38 uur en 10.00 uur een whatsappgesprek tussen [naam 4] en dit nummer, met onder meer de tekst: [naam 4] : “ [medeverdachte 2] [benadeelde 1] vroeg aan mij wie t waren die hem belde”. [medeverdachte 2] : ïk weet het niet” (…). [naam 4] : “Maar hij vraagt aan mij wie er belde en als mij voordeed want je had m gebeld en 10 minuten later stond k naast m. [medeverdachte 2] : “Zeg dat je het niet weet jaahoor fucked”.17

Ook is er op 20 februari 2017 tussen 10.19 en 13.03 uur een whatsappgesprek tussen [medeverdachte 2] en dit nummer met een screenshot van een tekstbericht over de straatroof waarbij [medeverdachte 2] vraagt “weer bezig geweest?” en geantwoord wordt “hahaha jaajaa”.18

[medeverdachte 1] heeft bij de politie bekend dat hij een aandeel had bij de diefstal met geweld op [benadeelde 1] op 17 februari 2017.19

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij op 17 februari 2017 bij de beroving van [benadeelde 1] betrokken is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij die avond thuis was en dat hij ook niet begrijpt dat de moeder van [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij bij haar thuis aanwezig was.

De rechtbank acht, op grond van vorenstaande bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de [getuige 2] te twijfelen. Deze verklaring wijkt weliswaar op onderdelen af van de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd, maar de verklaringen komen voor het overgrote deel met elkaar overeen. Zij heeft verklaard dat zij haar zoon, [medeverdachte 2] en de verdachte die avond heeft gezien vlak nadat de beroving heeft plaatsgevonden en dat zij, net zoals de aangever heeft verklaard, donkere kleding droegen. De verklaring van [getuige 2] vindt op diverse onderdelen bovendien steun in de andere bewijsmiddelen. Zo heeft [medeverdachte 1] bekend betrokken te zijn geweest bij de afpersing en blijkt de betrokkenheid van [medeverdachte 2] uit door hem gevoerde whatsapp-gesprekken. Zowel aangever, als [getuige 1] hebben verklaard over drie jongens die allen sloegen en schopten en [getuige 3] heeft ook drie jongens gezien. [getuige 2] heeft verklaard kort na het incident naast [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] één andere jongen te hebben gezien: de verdachte. De rechtbank acht op basis hiervan wettig en overtuigend bewezen dat hij, anders dan hij zelf heeft verklaard, wel bij de beroving betrokken is geweest en ook heeft geschopt en geslagen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van feit 2 alleen de aangever verklaart over de rol die de verdachte met betrekking tot de bedreiging zou hebben gehad.

De rechtbank acht op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie allereerst van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het onder 3 primair en

3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank ten aanzien van feit 3 meer subsidiair het volgende af. 20

Op 1 juli 2017 in de vroege ochtend heeft er op het parkeerterrein van uitgaansgelegenheid [naam 1] in Katwijk een vechtpartij plaatsgevonden. [naam 6] had daar afgesproken met ene [naam 7] om over een ruzie te praten. [naam 6] is met een groep van ongeveer 15 jongens door de duinen naar [naam 1] gefietst. Aangekomen bij het parkeerterrein, bij de ingang van de duinen, zagen zij een groepje jongens aan komen lopen. [naam 6] is daarop op dat groepje jongens afgelopen, samen met [naam 8] en [naam 9] .

[benadeelde 4] liep met hen mee.2122Van de andere groep kwamen twee of drie jongens naar voren. Volgens [naam 6] waren dit [naam 10] , de verdachte en [naam 11] . [naam 6] zag dat [naam 10] met zijn linkerpols tegen de borstkas van [naam 9] duwde. Toen zag [naam 6] dat [naam 9] een harde vuistslag in zijn gezicht kreeg en dat [naam 10] degene was die sloeg. [naam 12] probeerde [naam 10] weg te houden. [naam 6] zag de verdachte met een fles in zijn hand terwijl hij probeerde naar [naam 12] en [naam 9] te lopen. [naam 6] probeerde hem weg te duwen. Op een gegeven moment liep de verdachte de andere kant op. Op dat moment zag [naam 6] [benadeelde 4] op de grond liggen. [naam 13] en [naam 9] liepen ondertussen naar de fietsen en [naam 10] rende achter hen aan. [naam 6] is er tussen gaan staan en toen sloeg [naam 10] hem met zijn rechtervuist op zijn linkeroog en daarna tegen zijn mond.2324

[naam 9] zag [naam 10] en [naam 14] op zich afkomen. [naam 10] pakte hem opeens bij zijn schouder en duwde hem weg. [naam 9] wordt op de grond gegooid door [naam 10] en door hem geslagen en geschopt, op zijn hoofd en lichaam.25

[naam 15] heeft gezien dat de verdachte, [naam 14] en [naam 10] alledrie begonnen met slaan en dat [benadeelde 4] daarna op de grond lag. Ook heeft [naam 15] de verdachte met een fles zien gooien.26

[benadeelde 2] heeft gezien dat [naam 10] [naam 6] meerdere keren volop met zijn vuist sloeg. Ook heeft [benadeelde 2] gezien dat een van de drie jongens van de andere groep zich los maakte uit die groep en dat dit in het midden van de parkeerplaats was. Die jongen, sloeg [naam 6] van zijn fiets af en daarna sloeg hij [benadeelde 4] .27

[benadeelde 4] zag [benadeelde 4] liggen bij het groepje jongens waar [benadeelde 4] , [naam 9] en [naam 6] op af waren gelopen. Hij zag de verdachte staan met een fles Bacardi in zijn hand.

[benadeelde 4] was knock out. [benadeelde 4] hoorde de verdachte zeggen “leg nek recht” en “wil je nog een paar klappen kankermongool”. Volgens [benadeelde 4] was de verdachte zichtbaar dronken.28

[naam 16] stond aan het begin van de duinen, toen hij op een afstand van 50-100 meter zag dat iemand naar de grond geslagen werd. Hij kon niet zien wie wie was. Toen hij dichterbij kwam, bleek het [benadeelde 4] te zijn. Toen zag hij de verdachte staan. [naam 10] was bezig met [naam 6] . Toen [naam 16] wegging, gooide de verdachte nog een fles drank naar [naam 16] en anderen van zijn groep waarbij de verdachte begon te schelden.29

De verdachte heeft in raadkamer en ter terechtzitting verklaard in de vroege ochtend van

1 juli 2017 wel in Katwijk aanwezig te zijn geweest bij [naam 1] , maar niet betrokken te zijn geweest bij de mishandeling van [benadeelde 4] of de vechtpartij waarbij meerdere personen zijn mishandeld. De verdachte heeft verklaard bij de deur van [naam 1] met [naam 2] te hebben staan praten. Hij heeft wel met een fles gestaan, maar heeft er niet mee gegooid.

Hoewel [naam 2] ook heeft verklaard dat de verdachte op een afstandje van de vechtpartij met haar heeft staan praten, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig. Zij verwijst daarbij naar de hiervoor weergegeven opsomming van tal van bewijsmiddelen, waaruit naar voren komt dat de verdachte zich wel degelijk op de parkeerplaats tussen de vechtende jongens heeft bevonden en zich met de vechtpartij heeft bemoeid.

De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte een zodanige bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is van belang dat openlijke geweldpleging zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek.

De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen.

De rechtbank stelt op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, vast dat de verdachte op 1 juli 2017 te Katwijk aanwezig was toen er door een groepje jongens op de parkeerplaats bij [naam 1] klappen werden uitgedeeld aan [benadeelde 4] ,

[naam 9] en [naam 6] .

De verdachte heeft geprobeerd bij [naam 9] te komen, maar werd door [naam 6] weggeduwd. Ook heeft hij met een fles Bacardi rondgelopen, die uiteindelijk gegooid en

lopen schelden en dreigen, ondermeer tegen [benadeelde 4] , toen die op de grond lag.

Voor de rechtbank staat hiermee vast dat de verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan de openlijke geweldpleging van voldoende gewicht was om te oordelen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Nu echter niet is gebleken dat het letsel van [benadeelde 4] het gevolg is van het door de verdachte gepleegde geweld, zal de rechtbank de verdachte van dit – strafverzwarende - onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Aldus acht de rechtbank feit 3 meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 17 februari 2017 te Katwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), toebehorende aan die [benadeelde 1] , welk geweld bestond uit het:

- vastpakken van die [benadeelde 1] terwijl deze op de fiets zat en vervolgens;

- die [benadeelde 1] met kracht van zijn fiets trekken en vervolgens;

- het met kracht slaan in het gezicht van die [benadeelde 1] en vervolgens;

- het slaan/schoppen tegen het lichaam van deze [benadeelde 1] terwijl hij op de grond lag en

vervolgens;

- meermalen zeggen dat hij zijn portemonnee moest afgeven;

3. meer subsidiair

hij op 1 juli 2017 te Katwijk, met anderen, op de openbare weg, de Noorduinseweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan en/of duwen en/of trappen tegen het hoofd van die [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of het slaan met vuist tegen het gezicht van die [benadeelde 4] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van de meldplicht, het volgen van een behandeling bij Het Palmhuis of een soortgelijke instelling, de verplichting om onderwijs te volgen, een verbod om alcohol en drugs te gebruiken en een contactverbod met zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , zolang als de jeugdreclassering dit nodig acht, en tot een werkstraf van 150 uren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zullen zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank wel tot bewezenverklaring van één of meer feiten komt, bepleit dat de verdachte geen langere straf wordt opgelegd dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is, aldus de raadvrouw, van toepassing en opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte dient te volgen. Mocht de rechtbank deze mening niet zijn toegedaan, dan verzoekt de raadsvrouw schorsing van de voorlopige hechtenis omdat de persoonlijke belangen van de verdachte prevaleren boven het maatschappelijk belang.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een leeftijdgenoot. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer herhaaldelijk geschopt en geslagen tegen zijn gezicht en lichaam, ook terwijl hij op de grond lag, waardoor het slachtoffer zijn portemonnee heeft afgegeven.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft deelgenomen aan een vechtpartij en door zijn gedrag heeft hij bijgedragen aan het geweld waarvan meerdere personen het slachtoffer zijn geworden.

Voornoemde gewelddadige delicten zijn zeer bedreigend geweest voor de slachtoffers. Naast de geleden materiële schade kunnen slachtoffers van geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 februari 2017, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en een vermogensdelict.

Van deze eerdere, deels voorwaardelijke veroordeling, is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan, nu de verdachte zich gedurende de proeftijd van deze veroordeling aan de thans bewezenverklaarde feiten schuldig heeft gemaakt. Dit baart de rechtbank temeer zorgen omdat de verdachte in het kader van deze voorwaardelijke veroordeling ook begeleiding door de jeugdreclassering en behandeling bij Het Palmhuis opgelegd heeft gekregen. Daarbij komt nog dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een geweldsdelict (feit 3), terwijl hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis voor een ander feit (feit 1) liep.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 29 mei 2017 betreffende het psychologisch onderzoek, opgesteld en ondertekend door R.B. Adriaensen, GZ-psycholoog, waarbij opgemerkt dient te worden dat bij dat onderzoek feit 3 niet betrokken is geworden, aangezien het daarna pas heeft plaatsgevonden.

Blijkens rapporteur is de verdachte lijdende aan een ziekelijke stoornis in de zin van een PTSS. Tevens is bij hem sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de zin van een (andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere) gedragsstoornis, (on)gecompliceerde rouw en een tamelijk achtergebleven sociaal-emotionele en morele ontwikkeling (waaronder een identiteitsprobleem, een sterke ambivalentie tussen autonomie en afhankelijkheid en een zelfbeschermende inslag).

Dit vormt een bedreiging voor zijn verdere persoonlijkheidsontwikkeling.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit was bij de verdachte eveneens sprake van deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

De rapporteur doet geen uitspraak over de eventuele doorwerking van de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling in zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde feit, omdat de verdachte betrokkenheid bij het ten laste gelegde ontkent. Hierdoor kan er ook geen gedegen advies worden gegeven over de mate waarin het ten laste gelegde feit, indien bewezen geacht, aan de verdachte toegerekend kan worden.

Wel kan volgens de rapporteur in algemene termen gesteld worden dat een gedragsstoornis over het algemeen gepaard gaat met het voorop stellen van het eigen belang en met problemen op het gebied van de gedragsremmingen, het morele besef en de slachtofferempathie. Logischerwijs brengt dit in algemene zin met zich mee (zowel tijdens het ten laste gelegde als daar buiten dat de gedragsproblemen van de verdachte hem in ieder geval gedeeltelijk beïnvloeden in zijn gedragskeuzemogelijkheden.

Op basis van het huidige onderzoek wordt het risico op toekomstig (niet-)gewelddadig antisociaal gedrag als middelmatig tot hoog beoordeeld. Matig op korte en (midden)lange termijn bij voldoen de begeleiding, toezicht, structuur, maatschappelijke inbedding en ondersteuning, maar hoog op (midden)lange termijn bij het uitblijven van voldoende begeleiding, toezicht, structuur, maatschappelijke inbedding en ondersteuning en bij hoogoplopende en/of lang aanhoudende stressfactoren.

De verdachte is volgens rapporteur aangewezen op langdurige begeleiding en intensieve ambulante behandeling om hem te stimuleren in zijn (sociaal-emotionele en morele) ontwikkeling, om verdere scheefgroei tegen te gaan en om toekomstig antisociaal gedrag af te wenden.

Indien het ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard, is het opleggen van externe controle en ondersteuning in de vorm van het continueren van het huidige begeleidingstraject vanuit de jeugdreclassering geïndiceerd, in combinatie met het voortzetten van de ambulante poliklinische behandeling vanuit Het Palmhuis, waarbij het wenselijk wordt geacht het reeds ingezette MDFT-traject aan te vullen met individuele

behandeling gericht op trauma- en rouwverwerking (o.a. via EMDR).

In beginsel zou bij het beschreven gewenste zorgtraject - ten behoeve van het stimuleren van

betrokkenes verdere sociaal-emotionele en morele ontwikkeling - een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie of een GBM (als extra stok achter de deur) als juridisch kader kunnen aansluiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op diverse voorlichtingsrapporten betreffende de persoon van de verdachte van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad), waaronder het meest recente rapport d.d. 18 juli 2017. Blijkens dit rapport is de attitude van de verdachte jegens crimineel gedrag en de politie een risicofactor, net als het softdrugsgebruik en de zorgen over zijn agressieregulatie. Gezien de jonge leeftijd van de verdachte en zijn kwetsbaarheid, is de Raad van mening dat voortzetting van de begeleiding van de jeugdreclassering een passende reactie is op de huidige verdenkingen, waarbij de behandeling van het Palmhuis intensiever ingezet dient te worden. Ondanks de positieve vooruitgang en de dagelijkse schoolgang van de verdachte is de schorsing opgeheven wegens verdenking van een nieuw ernstig feit (feit 3) en overtreding van een gebiedsverbod. De ingezette interventies hebben aldus niet geresulteerd in het voorkomen van herhaling.

Op 13 september 2017 heeft de rechtbank recente informatie van de jeugdreclassering ontvangen, waaruit blijkt dat het de bedoeling is dat de verdachte naar Dieren zal verhuizen om bij zijn moeder te gaan wonen en dat hij, totdat daar een school voor hem is geregeld, terug kan gaan naar het Visser ‘t Hooft college in Leiderdorp. Voor begeleiding door ITB Harde Kern is bij de moeder en bij de verdachte geen draagkracht. De behandeling bij Het Palmhuis of een soortgelijke instelling heeft prioriteit.

Van de zijde van de jeugdreclassering is een en ander ter zitting bevestigd.

Nu een nieuw strafadvies naar aanleiding van de verdenking van feit 3 en daarop volgende opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte ontbreekt, is tijdens de behandeling ter zitting van de zijde van de Raad, meegedeeld dat wordt geadviseerd aan de verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, met meldplicht, het volgen van een behandeling bij Het Palmhuis, een alcohol- en drugsverbod, de verplichting om onderwijs te volgen en indien de verdachte niet verhuist, een contactverbod met zijn medeverdachten.

Desgevraagd wordt een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest van de verdachte ook passend geacht.

Ook wordt geadviseerd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

De op te leggen straf

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende straf. Zij houdt daarbij rekening met de ernst van de feiten, de justitiële geschiedenis van de verdachte, de oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en het advies van de psycholoog, de Raad en de jeugdreclassering.

De rechtbank acht een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet wel aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen om recidive te voorkomen en in het bijzonder om de begeleiding en behandeling van de verdachte zeker te stellen.

Aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van behandeling bij Het Palmhuis en controle op het alcohol- en middelengebruik van de verdachte. De rechtbank acht het ook noodzakelijk dat de verdachte zich gedurende een periode van twee maanden nog aan een avondklok zal houden, van 21.00 uur tot 06.00 uur de volgende ochtend en zonder elektronisch toezicht.

De rechtbank zal de verdachte voorts voor een periode van zes maanden een contactverbod met zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opleggen, of zoveel korter als door de jeugdreclassering verantwoord wordt geacht.

De rechtbank heeft de verdachte op 15 september 2017 in vrijheid gesteld, omdat de verdachte het onvoorwaardelijke deel van zijn jeugddetentie reeds in voorarrest had doorgebracht.

Mede gelet op de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, ziet de rechtbank geen aanleiding om naast voornoemde straf een extra taakstraf opleggen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten afpersing en openlijke geweldpleging.

Gelet op de eerdere veroordeling voor een geweldsdelict en de uit de rapporten blijkende aanwezige kans op recidive is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[naam 17] , wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige [benadeelde 4] , heeft zich ten aanzien van feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.3336,49, bestaande uit een bedrag ad € 251,49 aan materiële schade en een bedrag ad € 3.085,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de benadeelde partij heeft mr. M.P. de Klerk ter terechtzitting de vordering toegelicht.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij, nu er geen causaal verband bestaat tussen de aan de verdachte verweten gedragingen en het letsel van het [benadeelde 4] . Er is, aldus de officier van justitie, dan ook geen sprake van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair afwijzing van de vordering bepleit en subsidiair

niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op geleden materiële schade ad € 251,49, hoewel namens de verdachte betwist, toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat deze schade voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank stelt met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval de door de benadeelde partij geleden immateriële schade naar billijkheid vast op € 1.500,-.

De rechtbank zal de vordering derhalve ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 1.751,49.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 1 juli 2017 is ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk is. De benadeelde partij is door één van de medeverdachten heel hard tegen zijn gezicht geslagen, als gevolg waarvan hij breuken heeft opgelopen aan het linker jukbeen, de bodem van de linkeroogkas, de voorwand van een van de neusbijholten links en de zijwand van een van de neusbijholten rechts, waarvan hij ook thans nog schade ondervindt. Dit is gebeurd in een vechtpartij waarin de verdachte zich samen met zijn medeverdachten agressief heeft opgesteld tegenover de benadeelde partij. De verdachte heeft moeten begrijpen dat het optreden van hemzelf en zijn mededaders het gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals de benadeelde partij die heeft geleden. De kans op het toebrengen van die schade had verdachte behoren te weerhouden van zijn gedragingen in dit groepsverband, omdat hij redelijkerwijze de toegebrachte schade had behoren te voorzien en hij deze kans op die schade in de gegeven omstandigheden bewust heeft aanvaard. Voor de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade is verdachte daarom op grond van artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € € 1.751,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 4] .

8 De vordering tenuitvoerlegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 21 juli 2016 voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging geen verweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 13 september 2017 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 21 juli 2016, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan geweldsdelicten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg, 141 en 317

van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding

onder 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1. en 3 meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

feit 1

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3 meer subsidiair

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 170 DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 30 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

meldplicht

zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

behandeling

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Het Palmhuis of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door die instelling aan te geven;

lokatiegebod

- gedurende de eerste twee maanden van de proeftijd tussen 21.00 uur en 06.00 uur

aanwezig zal zijn op zijn huidige woonadres, [adres 1] ,

dan wel op zijn toekomstige woonadres, te weten [adres 2]

;

drugs- alcoholverbod

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich

verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek

of urineonderzoek;

contactverbod

- gedurende een periode van zes maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering

verantwoord acht, op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen of

zoeken met [medeverdachte 1], geboren op 27 maart 2001, wonende te

[adres 3] doch thans civielrechtelijk

verblijvende in een gesloten accommodatie voor [adres 4]

, en [medeverdachte 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2001, [adres 5] ;

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid Holland, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

ten aanzien van feit 3 meer subsidiair

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe ten laste van verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 4], een bedrag van € 1.751,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

waarbij wordt bepaald dat de verdachte, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.751,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het [benadeelde 4] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat:

- gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de

betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen;

- gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de

betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

- de betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte

komt te vervallen, indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan zijn

betalingsverplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer;

de rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 21 juli 2016, gewezen onder parketnummer 09/090524-16, te weten een taakstraf, bestaande uit een

werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter, voorzitter,

mr. C.F. Mewe, kinderrechter,

en mr. J.J. Peters, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017052307Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 354.

2 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , met bijlagen, p. 12-16.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.

4 Medische informatie verkregen van N. Lichthart, arts afd. SEH LUMC en opgevraagd door P.H.C. de Vries, forensisch arts KNMG, p. 317.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 18-21.

6 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 22-26.

7 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 32-33.

8 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 153-154.

9 Proces-verbaal verhoor [getuige 3] , p. 34-35.

10 Verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2017.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41-42.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 156.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 157.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 210.

15 Extractierapport p. 216, behorende bij proces-verbaal van bevindingen, p. 212-215.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 212.

17 Extractierapport p. 216, gehorende bij proces-verbaal van bevindingen, p. 212-215.

18 Extractierapport p. 219-220, gehorende bij proces-verbaal van bevindingen, p. 212-215.

19 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 303.

20 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017190178Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 167.

21 Proces-verbaal van verhoor [naam 16] , p. 49-51.

22 Proces-verbaal van verhoor [naam 18] , p. 52-54.

23 Proces-verbaal van verhoor [naam 6] , p. 56-57.

24 Verklaring van Damian Distelvelt bij de rechter-commissaris d.d. 8 september 2017.

25 Proces-verbaal van aangifte van [naam 9] , met bijlage, p. 31- 34.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 139.

27 Proces-verbaal van verhoor [benadeelde 2] , p. 63-63 en 140-141.

28 Proces-verbaal van verhoor [naam 18] , p. 52-54.

29 Proces-verbaal van verhoor [naam 16] , p. 49-51.