Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11113

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
09/777026-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een leeftijdgenoot. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer met een smoes naar een stille plek gelokt en hem daar herhaaldelijk geschopt en geslagen tegen zijn gezicht en lichaam, ook terwijl hij op de grond lag. Voornoemde gewelddadige afpersing is zeer bedreigend geweest voor het slachtoffer. Naast de geleden materiële schade kan het slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777026-17

Datum uitspraak: 28 september 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 22 mei 2017,

27 juli 2017 en 14 september 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.S. van Haeringen en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. H. Sytema, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of of omstreeks 17 februari 2017 te Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heen gedwongen tot de afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die

[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- hardhandig vastpakken van die [slachtoffer 1] terwijl deze op de fiets zat en/of vervolgens;

- die [slachtoffer 1] met kracht van zijn fiets trekken en/of vervolgens;

- het met kracht slaan/stompen in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of vervolgens;

- het slaan/stompen/schoppen tegen het gezicht/lichaam van deze [slachtoffer 1] terwijl hij op de

grond lang en/of vervolgens;

- meermalen, althans eenmaal zeggen dat hij zijn portemonnee moest afgeven;

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend

- op een intimidere wijze dichtbij deze [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gestaan/gelopen en/of

- geroepen/gezegd: "ik steek je kapot, ik snij als jullie strotten open, ik weet waar je woont, jij en je

familie gaan er aan, ik maak jullie allemaal af" en/of "kankerlijers, ik maak jullie kapot, jullie zullen

het wel merken" en/of "ik heb een strafblad, ik steek je neer, ik zoek je nog wel op" en/of

- het kenteken van die [slachtoffer 2] opgeschreven en daarbij geroepen: "ik zoek je op".

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank staat voor de vraag of de verdachte zich op 17 februari 2017 te Katwijk

samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 1] (feit 1) en of hij op 28 januari 2017 te Katwijk samen met anderen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 en feit 2 heeft begaan.

De officier van justitie heeft haar standpunt onderbouwd in haar requisitoir, dat zij op schrift aan de rechtbank heeft overgelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 bepleit, nu geen sprake is geweest van een afpersing, hooguit van een mishandeling. Volgens de raadsman is de aangifte van [slachtoffer 1] geen betrouwbaar bewijsmiddel en de verklaring van [getuige 1] evenmin. Zij laten beiden in hun verklaringen niet het achterste van hun tong zien. Daar komt, aldus de raadsman, nog bij dat het door de arts beschreven letsel niet overeenkomt met de geweldshandelingen die volgens aangever zouden hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe gesteld dat uit de in het dossier voorhanden zijnde stukken niet blijkt dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen heeft geuit en dat het enkele intimiderende lopen, dat de verdachte volgens aangevers zou hebben gedaan, geen bedreiging in strafrechtelijke zin oplevert. Het enkele aanwezig zijn is bovendien volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken.

De verdachte heeft geen bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is om van een bewuste en nauwe samenwerking te kunnen spreken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van feit 1

Op 17 februari 2017 omstreeks 20:30 uur fietste [slachtoffer 1] (verder: de aangever) samen met zijn vriend [getuige 1] op het Biltpad te Katwijk. Toen zij op hun fiets onder de tunnel van de N206 reden werd de aangever aangesproken door een jongen, die een sjaal of zoiets voor zijn gezicht had. Toen de aangever hierop iets terug zei, werd hij vastgepakt en hardhandig van zijn fiets getrokken waardoor hij ten val kwam. Vervolgens werd hij meegetrokken de bosjes in. De aangever zag dat er opeens twee andere jongens uit de bosjes kwamen en alle drie de jongens begonnen hem hard in zijn gezicht te slaan en hem te schoppen, terwijl hij op de grond lag. De aangever had veel pijn en voelde dat zijn neus heftig begon te bloeden. Een van de jongens schreeuwde dat hij zijn geld moest geven.

De aangever heeft uiteindelijk, omdat de jongens hem bleven schoppen en slaan, zijn portemonnee uit zijn kontzak gepakt en deze werd direct uit zijn handen getrokken. Daarna hield het slaan en schoppen op en renden de jongens weg.

In de portemonnee van de aangever zat 90 euro aan briefgeld en wat kleingeld,

zijn ID-kaart en zijn ABN-AMRO bankpas. De aangever heeft gezien dat de jongens alle drie in het zwart gekleed waren en dat zij alle drie een capuchon of muts op hadden en iets voor hun gezicht hadden. Ook droegen ze alle drie handschoenen.2

Op 18 februari 2017 verklaarde de aangever nog dat de jongen, die stond te wachten onder het viaduct en hem van zijn fiets aftrok, een grijze trainingsbroek van voetbalclub “Paris Saint Germain (PSG)”, droeg. Op de broekspijpen liep een rode verticale streep. De aangever vertelde ook dat hij had gehoord dat [medeverdachte 1] , de verdachte, [medeverdachte 2] en een persoon genaamd [naam 1] hem hadden beroofd.3

De aangever heeft letsel opgelopen, namelijk een zwelling met een bloeduitstorting en een oppervlakkige snijwond van ongeveer 1 centimeter op zijn wang onder zijn linkeroog. Er zal een klein blijvend litteken onder zijn oog zijn.4

Op 21 februari 2017 verklaarde de aangever dat hij op 17 februari 2017 een paar keer was gebeld door het nummer van [medeverdachte 2] . Ze wilden wiet en wilden dat hij naar de Roversbrug kwam. Er werd gezegd dat het [naam 2] was, maar die bleek het niet te zijn, want die zag de aangever fietsen. De aangever verklaarde dat hij toen met [getuige 1] is gaan kijken wie daar stonden en dat hij toen is beroofd. De aangever verklaarde voorts dat hij weleens voor vrienden wiet regelt en dat zijn berovers dat kennelijk wisten. Hij krijgt er geen geld voor, maar wel af en toe een hijsje.5

Uit onderzoek in de telefoon van de aangever is gebleken dat het contact “ [medeverdachte 2] ” met [telefoonnummer] op 17 februari 2017 om 20.10, 20 20 en 20.34 uur naar de telefoon van de aangever heeft gebeld. Op de profielfoto van dit contact herkende de verbalisant de [medeverdachte 2] en ook uit de politiesystemen volgde dat het desbetreffende telefoonnummer bij hem in gebruik was.6

[getuige 1] fietste samen met zijn vriend [slachtoffer 1] , de aangever, op 17 februari 2017 omstreeks 20.30 uur over het Biltpad te Katwijk fietste toen hij zag dat een jongen, 1.70 cm lang, donker blauwe jas, capuchon op en iets voor zijn gezicht langs de muur van het viaduct stond. Toen zij hem passeerden, sprak hij [slachtoffer 1] aan, pakte hem vast en trok hem mee de bosjes in. Hoewel [getuige 1] in eerste instantie heeft verklaard dat er in de bosjes 4, 6 of 8 jongens stonden die allen [slachtoffer 1] begonnen te slaan en te schoppen, heeft hij later verklaard dat het om drie personen ging.78

[getuige 2] was op 17 februari 2017 aan het vissen bij de Roversbrug toen hij drie mannen luid hoorde praten en even later iemand “Help Help” hoorde roepen. Toen zag hij iemand met bloed op zijn gezicht en heeft hij de politie gebeld.9

[getuige 3] , de moeder van de [medeverdachte 2] , heeft op 27 juni 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij die bewuste vrijdagavond, 17 februari 2017, naar de Action was geweest, dat zij rond 20.50 of 20.55 uur haar auto parkeerde en dat toen [medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 1] de hoek kwamen omlopen in donkere kleding.

Ze gingen bij haar huis naar binnen en vervolgens naar boven. Volgens haar jongere zoon waren ze zich aan het omkleden. Op een gegeven moment ging een mobiele telefoon af en hoorde ze woorden als “aangifte” en “dealen”. Toen zij beneden op de bank was gaan zitten, kwam de verdachte naar beneden en die zei dat er niets aan de hand was, maar dat ze wel een jongen hadden geslagen. Hij zei dat [medeverdachte 2] niet had geslagen, maar dat hij en [medeverdachte 1] hadden geslagen. De verdachte ging weer naar boven en na enige tijd kwam [medeverdachte 2] naar beneden met zijn simkaart. Hij zei dat zijn simkaart uit zijn telefoon moest, want die deed heel raar. Later zag zij een gebroken simkaart. Op een gegeven moment kwamen ze weer naar beneden en liet de verdachte haar een foto zien van de betrokken jongen. Hij zei: “Kijk, deze jongen was het.” Die jongen had een foto van zichzelf op Snapchat gezet onder de naam [slachtoffer 1] . De verdachte liet die foto op zijn telefoon zien. Het gezicht van die jongen zat aardig onder het bloed. Toen de jongens aan kwamen lopen, hadden ze geen handschoenen aan. De volgende dag, zaterdag, zag [getuige 3] één zwarte handschoen liggen en dat bevreemdde haar. Toen ze op zondag een berichtje van de politie zag dat een jongen door drie jongens in elkaar was geslagen, kreeg ze een vermoeden dat het deze drie jongens waren en heeft ze haar vermoedens met de politie gedeeld.

Later heeft [medeverdachte 2] gezegd dat [medeverdachte 1] handschoenen aan had, omdat ze anders zouden zien dat hij getint was. Ook heeft [medeverdachte 2] later, nadat [getuige 3] hem had gevraagd of ze allemaal hadden geslagen, bevestigd dat dit het geval was. Ook heeft [medeverdachte 2] tegen haar gezegd dat ze het hadden gedaan omdat ze geld en wiet wilden hebben.10

Op zaterdag 18 februari 2017 is door [naam 3] het identiteitsbewijs

van de aangever/benadeelde [slachtoffer 1] aangetroffen op de Biltlaan, 20 meter bij de

rotonde vandaan, op het voetpad, vlak naast de bosjes.11

De vader van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte een telefoon van het merk Samsung heeft en gebruik maakt van het [telefoonnummer] .12

Op 17 maart 2017 werden onder de moeder van de verdachte twee Samsungtelefoons in beslag genomen die zij had gevonden op de slaapkamer van de verdachte.13 Een van de telefoons bleek gestolen, de andere telefoon is onderzocht.14 Deze telefoon maakte gebruik van [telefoonnummer] .15

Uit dit onderzoek bleek onder meer dat met het in de politiesystemen geregistreerde nummer van [naam 2] op 17 februari 2017 om 20:08 uur een whatsappje naar dit nummer is gestuurd met het contact “ [slachtoffer 1] ”, nr. [telefoonnummer] .16

Voorts is er op 18 februari 2017 tussen 9.38 uur en 10.00 uur een whatsappgesprek tussen [naam 2] en dit nummer, met onder meer de volgende inhoud: [naam 2] : “ [verdachte] [slachtoffer 1] vraagt aan mij wie t waren die hem belde”. [verdachte] : “Ik weet het niet” (…). [naam 2] : “Maar hij vraagt aan mij wie er belde en als mij voordeed want je had m gebeld en 10 minuten later stond k naast m. [verdachte] : “Zeg dat je het niet weet jaahoor fucked”.17

Ten slotte is er op 20 februari 2017 tussen 10.19 en 13.03 uur een whatsappgesprek tussen [naam 4] en dit nummer met een screenshot van het tekstbericht over de straatroof waarbij [naam 4] vraagt “weer bezig geweest?”en geantwoord wordt “hahaha jaajaa”.18

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij er niets mee te maken had en via teletekst heeft vernomen dat het is gebeurd.

Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij op 17 februari 2017 wel bij de Roversbrug aanwezig was, maar dat hij de aangever niet heeft geslagen of geschopt. Hij heeft wel een gevecht gezien en geprobeerd de vechtenden uit elkaar te halen. Daarna is hij weggegaan. De verdachte heeft niet gehoord dat er is geroepen dat de aangever geld moest geven en heeft ook niet gezien dat een portemonnee is afgegeven.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, op de hieronder in de bewezenverklaring beschreven wijze.

Niet alleen de aangever, maar ook [getuige 1] heeft verklaard dat de aangever werd belaagd door drie jongens die alle drie hebben geslagen en geschopt. Ook de [getuige 2] heeft drie jongens gezien. Daarnaast wordt de actieve betrokkenheid van de verdachte ondersteund door de verklaring van de [getuige 3] en ook door de inhoud van de door de verdachte zelf gevoerde whatsappgesprekken.

Dat de aangever niet alleen is geslagen en geschopt, maar dat hij ook is gedwongen tot afgifte van zijn portemonnee met daarin onder andere zijn identiteitsbewijs, wordt ondersteund door de vondst van de identiteitskaart de volgende dag in de omgeving de plaats delict en de verklaring van [getuige 3] dat [medeverdachte 2] heeft verteld dat het om geld en wiet ging.

De ter terechtzitting gegeven verklaring van de verdachte acht de rechtbank in het licht van bovengenoemde bewijsmiddelen en de eerder door de verdachte afgelegde verklaringen ongeloofwaardig.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van feit 2 alleen de aangever verklaart over de rol die de verdachte met betrekking tot de bedreiging zou hebben gehad.

De rechtbank acht op grond van de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 17 februari 2017 te Katwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), toebehorende aan die [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het:

- vastpakken van die [slachtoffer 1] terwijl deze op de fiets zat en vervolgens;

- die [slachtoffer 1] met kracht van zijn fiets trekken en vervolgens;

- het met kracht slaan in het gezicht van die [slachtoffer 1] en vervolgens;

- het slaan/schoppen tegen het lichaam van deze [slachtoffer 1] terwijl hij op de grond lag en

vervolgens;

- meermalen zeggen dat hij zijn portemonnee moest afgeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met, onder toezicht van de jeugdreclassering, als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van een behandeling bij De Waag in verband met emotieregulatie-problematiek, een verbod om alcohol en drugs te gebruiken en een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 1] , zo lang als de jeugdreclassering dit nodig acht, met elektronisch toezicht en daarnaast tot een werkstraf van 150 uren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zullen zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot bewezenverklaring van één of meer feiten komt, bepleit dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Tegen begeleiding door de jeugdreclassering, het volgen van een behandeling bij De Waag en het verbod op alcohol en drugs als bijzondere voorwaarden heeft de raadsman geen bezwaar geuit, maar wel tegen het elektronisch toezicht en het contactverbod met de medeverdachten. De raadsman heeft het vervallenverklaren van de avondklok met tevens onmiddellijke opheffing van het elektronisch toezicht verzocht, nu dit de verdere ontplooiing van de verdachte in de weg staat.

De raadsman heeft voorts bepleit dat aan de verdachte geen taakstraf wordt opgelegd nu de opleiding van de verdachte en zijn begeleiding/behandeling zeer intensief zijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een leeftijdgenoot. De verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer met een smoes naar een stille plek gelokt en hem daar herhaaldelijk geschopt en geslagen tegen zijn gezicht en lichaam, ook terwijl hij op de grond lag. Voornoemde gewelddadige afpersing is zeer bedreigend geweest voor het slachtoffer. Naast de geleden materiële schade kan het slachtoffer zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De persoon van de verdachte

Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 augustus 2017 op 16 februari 2017 onder meer is veroordeeld voor een bedreiging.

Van deze eerdere, deels voorwaardelijke veroordeling tot een taakstraf, bij vonnis van de meervoudige kamer daterend van een dag voor het gepleegde delict, is kennelijk geen preventieve werking uitgegaan. Dit baart de rechtbank zorgen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 8 juni 2017 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs [naam]] , GZ-psycholoog.

Volgens rapporteur is er bij de verdachte sprake van een aanpassingsstoornis met een stoornis in het gedrag. Deze aanpassingsstoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Hoewel de verdachte elke betrokkenheid bij de straatroof ontkent, verkeert de verdachte, aldus rapporteur, wel in het gezelschap van antisociale/delinquente jongeren.

Het aanzien dat met name één van hen geniet lijkt de verdachte aan te trekken. Mogelijk is hij vanuit de aanpassingsstoornis in combinatie met zijn temperament en karaktertrekken gevoeliger voor de invloed van dergelijke (veelal iets oudere) jongeren en verlaagt dit de drempel tot criminele groepsactiviteiten.

Als het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, adviseert rapporteur om dit de verdachte in een verminderde mate toe te rekenen. Het geheel van factoren overziend, schat rapporteur het risico op toekomstig gewelddadig gedrag als matig-hoog in.

De sociale/contextuele risicofactoren wegen momenteel het zwaarst. Met andere woorden, als de verdachte blijft omgaan met delinquente vrienden en als de stress/spanning rond de ouderlijke relatieproblemen niet verdwijnt, is de kans groot dat de verdachte zijn heil op straat blijft zoeken en zich langzaam maar zeker antisociale in plaats van prosociale normen en waarden eigen maakt.

Er zijn beduidend meer beschermende dan risicofactoren, wat de kans op toekomstig gewelddadig gedrag verlaagt. De genoemde sociale/contextuele risicofactoren wegen echter dermate zwaar, dat hierop succesvol moet worden geïntervenieerd om het risico verder te verlagen. Rapporteur adviseert een agressieregulatietraining en er dient aandacht te zijn voor een prosociale invulling van zijn dag (onderwijs, bijbaantje, vrijetijdsbesteding).

Het belangrijkste is echter dat er systeemtherapie plaatsvindt, waaraan vader, moeder, de verdachte en diens broer deelnemen. Deze interventies kunnen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf worden opgelegd, eventueel ondersteund door de inzet van een enkelband en/of ITB-HKA.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemd rapport over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op diverse voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) betreffende de persoon van de verdachte, waaronder het meest recente rapport d.d. 3 augustus 2017.

Volgens dit rapport zijn er zorgen in relatie tot de kans op herhaling met betrekking tot meerdere domeinen, namelijk de invulling van zijn vrije tijd, de sociale relaties met wie de verdachte omgaat, zijn mogelijke middelengebruik en de emotie/agressieregulatie van de verdachte. Positief is dat hier ook hoge scores op beschermende factoren tegenover staan. Het is van groot belang dat de verdachte leert op positieve wijze gebruik te maken van de beschermende gebieden in zijn leven.

Zo heeft de verdachte, ondanks het feit dat zij een verslechterde communicatie hebben sinds de scheiding en recente conflicten in de gezinssituatie, betrokken ouders die het belangrijk vinden dat het goed met hem gaat. Ook verliep zijn schoolgang redelijk goed, heeft hij zijn diploma behaald en zal hij gaan starten op de Havo. Hij heeft de eerder opgelegde werkstraf positief afgerond en heeft een gestructureerde dagbesteding.

Mocht de verdachte betrokken zijn bij de huidige verdenking, dan zijn de zorgen over zijn functioneren buitenshuis groot. Het lijkt erop dat de verdachte op dit moment, ondanks de wens tot een betere toekomst voor de verdachte door de ouders, buitenshuis keuzes maakt die zijn toekomst in de weg staan.

De Raad vindt het opvallend dat de verdachte binnen zeer korte termijn na veroordeling voor eerdere delicten, opnieuw verdacht wordt van een strafbaar feit. Daarnaast merkt de Raad op dat, ondanks en niet dankzij zijn voorgenomen intenties om “het tij te keren’, zijn schorsing tot tweemaal toe (2 juni en 19 juli) is opgeheven wegens het zich niet houden aan zijn voorwaarden. De verdachte laat, mocht hij betrokken zijn bij de verdenking, weinig probleembesef zien. De verdachte meent dat alles goed gaat met hem.

Indien de verdachte schuldig wordt bevonden adviseert de Raad het opleggen van een

een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf alsook een deels voorwaardelijke jeugddetentie, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering met de meldplicht, het zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen en verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod meewerken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, het zich onder behandeling stellen van de Waag of soortgelijke instelling, teneinde zich te laten behandelen voor emotieregulatie-problematiek, met toezicht en begeleiding door Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. De Raad adviseert voorts te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De jeugdreclassering heeft bij schrijven d.d. 23 augustus 2017 aan de rechtbank in overweging gegeven het elektronische toezicht, dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis als voorwaarde aan de verdachte was opgelegd, ook na de uitspraak voort te zetten.

Ter zitting is van de zijde van de Raad meegedeeld dat de Raad de meerwaarde van dit verzoek ziet en dit aldus ondersteunt. De Raad heeft voorts geen expliciet contactverbod met de medeverdachten geadviseerd, omdat hij moet leren meer prosociaal te worden in zijn contacten.

Mevrouw [naam]] , werkzaam als psycholoog bij De Waag/GGZ Leiden en behandelaar van de verdachte, heeft ter zitting meegedeeld dat de systeemtherapie in juni 2017 is gestart en dat het zeer wenselijk en in het belang van de verdachte is dat de vader hieraan mee doet. Echter kan hieraan ook zonder deelname van de vader invulling worden gegeven. Aan alle aandachtsgebieden zal tijdens de behandeling aandacht worden besteed, echter bij voorkeur zonder elektronisch toezicht. De verdachte moet eraan werken om zich ook zonder controle aan de afspraken en de regels te houden.

De op te leggen straf

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de volgende straf. Zij houdt daarbij rekening met het strafblad van de verdachte, de oriëntatiepunten die gelden voor jeugdigen in soortgelijke gevallen en het advies van de psycholoog, de Raad, de jeugdreclassering en mevrouw

[naam]] .

De rechtbank acht een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet wel aanleiding een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen om recidive te voorkomen en in het bijzonder om de begeleiding en behandeling van de verdachte zeker te stellen.

Aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van behandeling bij De Waag en controle op het alcohol- en middelengebruik van de verdachte. De rechtbank acht het ook noodzakelijk dat de verdachte zich - bij wijze van overgang - gedurende een periode van twee maanden nog aan een avondklok zal houden, en wel van 21.00 uur tot 06.00 uur de volgende ochtend en zonder elektronisch toezicht. Deze avondklok zal pas op 30 september 2017 ingaan, nu de rechtbank bij beschikking van 18 september 2017 heeft bepaald dat de verdachte zich gedurende zijn werkweek, zijnde van 24 september 2017 tot 29 september 2017 (lees: tot en met 29 september 2017) niet aan de avondklok hoeft te houden. Ook heeft de rechtbank het elektronisch toezicht met ingang van 18 september 2017 al laten vervallen.

De rechtbank zal de verdachte voorts voor een periode van zes maanden een contactverbod met zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opleggen, of zoveel korter als door de jeugdreclassering verantwoord wordt geacht. Voor een contactverbod met [naam 1] , zoals eveneens door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank - gelet op de vrijspraak van feit 2 - geen reden.

De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van zijn jeugddetentie reeds in voorarrest doorgebracht.

Gelet op de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, zal de rechtbank naast voornoemde straf geen taakstraf opleggen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten afpersing.

Gelet op de eerdere veroordeling voor een geweldsdelict en de aanwezige kans op recidive is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 130 DAGEN;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 30 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk en voorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

meldplicht

- zich gedurende de proeftijd en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

behandeling

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag, op de tijden en plaatsen als door of namens De Waag aan te geven;

lokatiegebod

- ingaande 30 september 2017 gedurende de eerste twee maanden van de proeftijd

tussen 21.00 uur en 06.00 uur aanwezig zal zijn op zijn woonadres, te weten

[adres] ;

drugs- alcoholverbod

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich

verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek

of urineonderzoek;

contactverbod

- gedurende een periode van zes maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering

verantwoord acht, op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen of

zoeken met [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum] 2001, wonende te

[adres] , doch thans civielrechtelijk

verblijvende in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp [adres]

, en [medeverdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] 2002, thans wonende te [adres];

geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid Holland, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Peters, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, kinderrechter,

en mr. C.F. Mewe, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van politie Eenheid Den Haag, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2017052307Z, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 354.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , met bijlagen, p. 12-16.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.

4 Medische informatie verkregen van [naam]] , arts afd. SEH LUMC en opgevraagd door [naam]] , forensisch arts KNMG, p. 317.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 18-21.

6 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, p. 22-26.

7 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 32-33.

8 Proces-verbaal verhoor [getuige 1] , p. 153-154.

9 Proces-verbaal verhoor [getuige 2] , p. 34-35.

10 Verklaring [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 27 juni 2017.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41-42.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 156.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 210.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 212.

15 Bijv. Extractierapport p. 216, gehorende bij proces-verbaal van bevindingen, p. 212-215.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 212.

17 Extractierapport p. 216, gehorende bij proces-verbaal van bevindingen, p. 212-215.

18 Extractierapport p. 219-220, gehorende bij proces-verbaal van bevindingen, p. 212-215.