Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
09/827164-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting kelderbox onder winkelcentrum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827164-17

Datum uitspraak: 5 september 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 juni 2017 (pro forma) en 22 augustus 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Halderen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. F.F. Schukking, advocaat te Voorschoten, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 februari 2017 te Leiderdorp opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met wasbenzine en/of alcohol althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan (goederen in) een of meerdere kelderbox(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, en daarvan:

- gemeen gevaar voor de goederen die zich in de kelderbox(en) bevonden en/of

in de aanleunende/bovenliggende panden bevonden, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen en/of

- levensgevaar voor personen die zich in de kelderbox(en) bevonden en/of in de aanleunende / bovengelegen panden bevonden, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in de kelderbox(en) bevonden en/of in de aanleunende / bovengelegen panden bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt kort gezegd verweten dat zij in de avond van 21 februari 2017 brand heeft gesticht in de kelderruimte behorende bij een appartementencomplex gelegen aan de [adres 2] , waarbij levensgevaar voor de omwonenden en gevaar voor bovenliggende en aanleunende panden te duchten was. De verdachte heeft verklaard dat zij zich van die avond weinig meer kan herinneren.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden dat een technische oorzaak van de brand zo goed als uitgesloten kan worden en uit de camerabeelden – waarop verdachte zichzelf heeft herkend – blijkt dat zij de enige persoon is geweest die in de kelderruimte is geweest kort voor de brand, het niet anders kan zijn dan dat verdachte de brand in de kelderruimte heeft gesticht. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde feit bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de stukken in het dossier niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van brandstichting nu de aanvankelijke bevindingen ter plaatse door de brandweer en het later door Biesboer Expertise uitgevoerde onderzoek elkaar tegenspreken. Wanneer de rechtbank vaststelt dat er wel sprake is geweest van brandstichting, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte opzet heeft gehad op het stichten van brand, gelet op de bij haar geconstateerde psychische stoornis waardoor zij geen inzicht heeft gehad in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 21 februari 2017 heeft er in de kelderruimte behorende bij het appartementencomplex gelegen aan de [adres 2] een korte en hevige brand gewoed. Als gevolg daarvan is de inhoud van verschillende kelderboxen gedeeltelijk verbrand en is er schade ontstaan aan de kelderboxen en aan de boven die kelderboxen gelegen appartementen en winkels.2Op last van de brandweer hebben alle bewoners hun appartementen enige tijd moeten verlaten, nu er sprake was van een gevaarlijke hoeveelheid koolstofmonoxide in het gebouw.3Naar aanleiding van onderzoek naar de toedracht van de brand door een onafhankelijk technisch expertisebureau is het vermoeden ontstaan dat er sprake is geweest van brandstichting.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de brand in de kelderruimte is veroorzaakt door brandstichting.

Sporenonderzoek

Naar aanleiding van de brand werd op 22 februari 2017, in opdracht van de verzekeringsmaatschappij van de Vereniging Van Eigenaren (VVE), onderzoek in de kelderboxen verricht door technisch expertisebureau Biesboer. Uit dit onderzoek is gebleken dat de brand is ontstaan in kelderbox B7, behorende bij het appartement [adres 3] van [benadeelde 1] . Over deze kelderbox heeft de eigenaar verklaard dat hij deze nooit afsluit. De onderzoeker heeft geconcludeerd dat als ontstaansplaats van de brand is aan te merken de plaats tussen de voorzijde van de tweede hoge kast tegen de linkerwand en de linkerzijde van de lage kast tegen de achterwand, vanaf de deuropening gezien links achterin. Onderzoeker heeft op de plaats van het ontstaan geen indicaties aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van brandversnellers. De onderzoeker acht een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand echter uitgesloten, nu er op de plaats van het ontstaan van de brand geen onderdelen van een elektrische installatie zijn aangetroffen dan wel daarop aangesloten stroomverbruikers.

De onderzoeker heeft verder geconcludeerd dat bij de brand een gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was. Doordat de mantel van de gasaanvoerbuis door brand was aangetast is er een risico aanwezig geweest dat uitstromend gas de brand in de kelderbox aanzienlijk had doen uitbreiden. Hierdoor is er met name gevaar geweest voor de bewoners van de boven de kelderbox gelegen appartementen.

Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen heeft de onderzoeker geconcludeerd dat het ‘zeer waarschijnlijk is te achten dat het ontstaan van de brand het gevolg is geweest van het opzettelijk bijbrengen van vuur’.

De rechtbank neemt dit rapport voor de beoordeling van de vraag hoe de brand is ontstaan tot uitgangspunt. De omstandigheid dat aanvankelijk en ter plaatse door de officier van dienst van de brandweer niet aan brandstichting is gedacht maakt dit niet anders. Deze mededeling kan, gelet op het moment waarop deze is gedaan, immers niet anders worden begrepen dan als een voorlopige inschatting van de situatie, zodat van een tegenstrijdigheid (zoals door de raadsman is betoogd) geen sprake is.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat – zoals is gerapporteerd – uitgesloten kan worden geacht dat de brand is ontstaan door een technisch mankement in de kelderbox is de rechtbank van oordeel dat de brand is ontstaan door een van buiten komende omstandigheid en dat er derhalve sprake is geweest van brandstichting.4

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het verdachte is geweest die de brand heeft gesticht.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat verdachte op 21 februari 2017 een appartement (nummer 6), in het appartementencomplex aan de [adres 2] bewoonde.

Camerabeelden 5

In het appartementencomplex hangen op verschillende plekken camera’s. Op de camerabeelden zoals gefilmd in de centrale hal van ‘ [adres 2] 2 t/m 38’ is het volgende te zien. Om 22:14 uur komt er een vrouw vanuit de deur van het trappenhuis de centrale hal bunnen. In haar arm draagt de vrouw een fles met een roze of rode dop en in haar hand draagt ze iets dat lijkt op een lange aansteker. De vrouw loopt vervolgens via de centrale hal in de richting van een tussendeur naar de kelderboxen. Vervolgens is op andere camerabeelden te zien dat de vrouw om 22:14 uur bij de tussendeur van de berging staat met haar rug naar de camera gericht. De vrouw doet vervolgens de deur open en gaat naar binnen. Op de camerabeelden die zijn gemaakt bij de kelderboxen is vervolgens te zien dat de vrouw naar het einde van de gang loopt waarna de beelden stoppen. Hierna is op de camerabeelden van de centrale hal te zien dat de vrouw om 22:15 uur de centrale hal, via een andere deur dan die zij heeft gebruikt op de heenweg, weer binnenkomt. Ze heeft nog steeds de fles en een voorwerp dat lijkt op een lange aansteker bij zich. Tot slot is op de beelden om 22:17 uur rookontwikkeling te zien.

Op 16 maart 2017 zijn in de woning van verdachte een fles wasbenzine met een rode dop en een lange aansteker aangetroffen.6

Verklaring verdachte 7

Verdachte heeft verklaard dat zij zichzelf op de camerabeelden herkent. Zij kan zich echter niet meer herinneren dat zij in de avond van 21 februari 2017 in de centrale hal van het appartementencomplex is geweest. Wat zij zich wel kan herinneren is dat zij die avond heel veel alcohol, 2 á 3 flessen wijn, heeft gedronken en dat zij op enig moment buiten is geweest. Hoe zij naar beneden is gekomen en hoe zij weer terug is gegaan naar haar eigen woning kan zij zich niet meer herinneren. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat zij met de buurman wonende op [adres 2] , tevens de eigenaar van de kelderbox waar de brand heeft gewoed, [benadeelde 1] , een voorgeschiedenis heeft en niet op goede voet met hem staat.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte als bewoner van het appartementen complex toegang heeft gehad tot de kelderboxen, alsmede dat de kelderbox waar de brand heeft plaatsgevonden niet afgesloten was en toebehoorde aan een persoon met wie verdachte niet op goede voet stond. Uit de camerabeelden blijkt voorts dat verdachte de enige persoon is geweest die rond de tijd van het ontstaan van de brand in de kelderruimte is geweest met een fles die sterk leek op een fles wasbenzine en een voorwerp, dat sterk leek op een aansteker. Ongeveer twee minuten nadat verdachte de kelderbox heeft verlaten, is rookontwikkeling zichtbaar. De rechtbank is derhalve en in het bijzonder gelet op dit zeer korte tijdsverloop van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die de brand in de kelderruimte heeft gesticht.

Eindconclusie

Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat het ging om een brand in een kelderbox die zich bevond onder een appartementencomplex en een winkelcentrum, er een hoge concentratie koolmonoxide is waargenomen en de bescherming van de gasaanvoerbuis was aangetast, is de rechtbank van oordeel dat deze brand levensgevaar en gevaar voor goederen opleverde.

Voor het standpunt van de verdediging dat verdachte geen opzet op de brandstichting had nu het verdachte ten tijde van haar handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt. De rechtbank overweegt daartoe dat hiervan volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775) slechts bij hoge uitzondering sprake is en dat hiervan in dit geval geen sprake is. Uit de camerabeelden blijkt immers genoegzaam dat verdachte doelgericht heeft gehandeld door met een aansteker en een fles wasbenzine naar de centrale hal te gaan en daar alle deuren te openen met haar eigen sleutels om zo toegang te krijgen tot de desbetreffende kelderbox.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de brand heeft gesticht door open vuur te houden of achter te laten in kelderbox B7. Dit is een bewuste gedraging waarmee verdachte een levensgevaarlijke situatie voor alle bewoners heeft gecreëerd. Dat betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gevaar voor goederen was te duchten.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

zij op 21 februari 2017 te Leiderdorp opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan goederen in een of meerdere kelderboxen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en brand is ontstaan en dat daarvan:

- gemeen gevaar voor de goederen die zich in de kelderboxen en in de aanleunende/bovenliggende panden bevonden en

- levensgevaar voor personen die zich in de kelderboxen en in de aanleunende/ bovengelegen panden bevonden en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in de kelderboxen en in de aanleunende/bovengelegen panden bevonden,

te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 541 dagen waarvan 365 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met een proeftijd van 5 jaar, gelet op het feit dat ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarbij heeft de officier van justitie oplegging van de bijzondere voorwaarden gevorderd zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldingsgebod, opname in een zorginstelling, opname in een instelling voor begeleid wonen en een behandelverplichting.

Tot slot heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd gelet op de door hem bepleite vrijspraak. De raadsman is van oordeel dat een proeftijd voor de duur van 5 jaar te lang is nu dit een te zware last zal zijn voor zijn cliënte en haar situatie op het moment stabiel is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een kelderbox gelegen onder een appartementencomplex en een winkelcentrum. Brandstichting is een zeer ernstig feit, met name vanwege de verstrekkende gevolgen die het met zich mee kan brengen. De verdachte heeft daarmee onaanvaardbare risico’s genomen ten aanzien van de levens van omwonenden. Voorts is door de brand grote materiële schade ontstaan, niet alleen in de kelderboxen maar ook in de winkelpanden gelegen boven het appartementencomplex. Dit alles heeft de nodige schrik en ongemak veroorzaakt, zeker nu er eerder sprake is geweest van brandstichting in het appartementencomplex. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot haar daad is gekomen.

Strafblad

De rechtbank heeft verder kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens strafbare feiten met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte kennisgenomen van de volgende stukken:

- Het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Palier d.d. 9 augustus 2017, opgesteld door C.E. Tempelman (reclasseringswerker), onder supervisie van H. de Jong (leidinggevende);

  • -

    Het Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek, d.d. 30 juni 2017, opgesteld door C.J.F. Kemperman, psychiater;

  • -

    Het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek, d.d. 10 juli 2017, opgesteld door A. Preesman, GZ- psycholoog, onder supervisie van M.H. Keppel, GZ- psycholoog;

De psychiater Kemperman heeft in zijn rapport geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een alcoholgebruik stoornis en persistente depressieve stoornis, gefundeerd op een borderline persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende trekken. De psychiater heeft, nu bedoelde symptomen ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig waren en deze het gedrag van verdachte hebben beïnvloed, geadviseerd om haar de ten laste gelegde feiten verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico schat de psychiater in als matig wanneer verdachte weer op vrije voeten is, nu verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor brandstichting. De psychiater merkt daarbij wel op dat er sprake is van een verband tussen de persoonlijkheidsstoornis en de verslaving en een behandeling tot aan het moment van het opstellen van het rapport nog niet heeft geresulteerd in een betekenisvolle reductie van de problemen. Daarnaast kan het ontbreken van goede dagbesteding, problemen in de woonsituatie en het ontbreken van een relatie en/of voldoende steunend netwerk van belang zijn voor de kans op recidive. Als beschermende factoren noemt de psychiater de normale intelligentie van verdachte en het feit dat zij gemotiveerd is voor behandeling. Kemperman adviseert een klinische behandeling in de forensische verslavingszorg met aandacht voor alcohol- en persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en het beter leren omgaan met stressfactoren met daarna het toewerken naar begeleiding en resocialisatie in de vorm van begeleid wonen. Deze behandeling en begeleiding kan aan verdachte worden aangeboden bij een voorwaardelijk strafdeel met een verplicht reclasseringstoezicht.

De psycholoog Preesman heeft in haar rapport geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van zowel een borderline-persoonlijkheidsstoornis met in het verlengde daarvan een persisterende depressieve stoornis (dysthymie) als gevolg van een ernstige alcoholverslaving. De psycholoog heeft gerapporteerd dat deze symptomen, gelet op het feit dat het diepgewortelde, diepdoordringende en aanhoudende psychiatrische problematiek betreft, ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig waren. Dat deze symptomen hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde is zeer waarschijnlijk, maar hoe en in welke mate dit precies heeft doorgewerkt is niet vast te stellen, aldus de psycholoog. De psycholoog schat het recidive risico in op matig als verdachte terug zou keren naar haar oude woonsituatie, met name vanwege de nog steeds bestaande borderline- persoonlijkheidsstoornis, een laag zelfbeeld, dysthymie, de zucht naar alcohol en onvoldoende stressregulatie en copingvaardigheden. Als beschermende factor noemt de psycholoog met name de motivatie van verdachte tot behandeling. De psycholoog schat het risico als laag in wanneer er stapsgewijs, via een verslavingsbehandeling, wordt toegewerkt naar een beschermende of begeleide woonvorm en adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf met daarbij als bijzondere voorwaarde opname in een forensische verslavingskliniek.

De reclassering sluit zich aan bij het rapport van de psycholoog en de psychiater. De reclassering is daarnaast van oordeel dat een reclasseringstraject van drie jaar geïndiceerd is om het gehele behandeltraject, inclusief resocialisatie, op adequate wijze te kunnen bewerkstelligen. Daarbij merkt de reclassering op dat er na twee jaar een toets moment dient te zijn om te kijken wat er tot dan toe is bereikt om te bezien of het derde jaar reclasseringstoezicht nog geïndiceerd is. De reclassering adviseert om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in zorginstelling FPA de Mare voor de duur van 12 maanden, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een behandelverplichting.

Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij, nadat ze is geschorst uit de voorlopige hechtenis, op 11 augustus 2017, is opgenomen in FPA de Mare en dat zij zeer gemotiveerd is om aan haar problematiek te werken.

De rechtbank volgt de deskundigen in hun conclusies en legt die ten grondslag aan haar oordeel. Dit maakt dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht.

Straf en/of maatregel

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het feit, alleen worden volstaan met een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur, zij het dat een gedeelte deel daarvan in voorwaardelijke vorm kan worden opgelegd. De rechtbank heeft bij de hoogte van de gevangenisstraf aansluiting gezocht bij straffen die opgelegd plegen te worden in soortgelijke zaken. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank zal hierbij de adviezen met betrekking tot de op te leggen bijzondere voorwaarden overnemen. De rechtbank zal bepalen dat de verdachte zich (telefonisch) moet melden bij GGZ reclassering Palier te Den Haag en zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Daarnaast wordt zij verplicht zich klinisch te laten behandelen bij FPA de Mare of een soortgelijke instelling, zich hierop volgend ambulant te laten behandelen in een forensisch polikliniek van Palier of soortgelijke ambulante forensische zorg en hierna mee te werken aan een begeleid wonen programma.

Met betrekking tot de duur van de proeftijd overweegt de rechtbank dat zij deze zal vaststellen op de drie jaar nu de reclassering heeft geadviseerd dat een langere proeftijd niet geïndiceerd is en adequate behandeling in de periode van drie jaar kan plaatsvinden. Een toetsmoment na twee jaar, zoals de reclassering heeft geadviseerd, acht de rechtbank, nog los van het feit dat de wet hiervoor geen mogelijkheid biedt, niet nodig. Het is immers de reclassering zelf die de intensiteit van het toezicht in het derde jaar van de proeftijd bepaalt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten brandstichting. Gelet op de inhoud van de hiervoor beschreven rapporten is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De inhoud van de vorderingen

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 550,01,-.

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 750,-.

[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 190,63,-.

7.2

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met wettelijke rente, en heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard nu de benadeelde partijen hun schade hadden kunnen verhalen bij de verzekeringsmaatschappij. De raadsman heeft subsidiair verzocht om de vorderingen slechts voor een klein deel toe te wijzen en voor het overige deel niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Vorderingen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorderingen zijn tevens voldoende onderbouwd. Dat de benadeelde partijen wellicht de keuze hebben gehad om de schadevergoeding te vorderen bij hun verzekering, maakt dit niet anders. De benadeelde partijen zijn immers niet verplicht om dit te doen.

De rechtbank zal de vorderingen daarom toewijzen tot de gevorderde bedragen:

  • -

    de vordering van [benadeelde 2] tot een bedrag van € 550,01,-;

  • -

    de vordering van [benadeelde 3] tot een bedrag van € 750,-;

  • -

    de vordering van [benadeelde 4] tot een bedrag van € 190,63,-;

Kosten

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde

partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van:

  • -

    een bedrag groot € 550,01,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 2] ;

  • -

    een bedrag groot € 750,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 3] ;

  • -

    een bedrag groot € 190,63,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 4] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, , 14e, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 541 (VIJFHONDERDEENENVEERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 365 (DRIEHONDERDVIJFENZESTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ reclassering Palier, op het adres Johanna Westerdijkplein 40 (2521 EN te Den Haag) of wanneer er sprake is van een klinische opname telefonisch contact opneemt met de bureaudienst op het telefoonnummer 088- 3579900, en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen, blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende 12 maanden, of zoveel korter als haar behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in FPA De Mare, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven;

- zich aansluitend aan de klinische behandeling onder behandeling stelt bij een forensische polikliniek van Palier of van een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;

- aansluitend aan het klinische traject (indien geïndiceerd) bij een nog nadere vorm van begeleid/beschermend wonen zal verblijven, of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2] een bedrag van € 550,01,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 3] een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 4] een bedrag van € 190,63,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 550,01,-, ten behoeve van [benadeelde 2] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 750,-, ten behoeve van [benadeelde 3] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 190,63,-, ten behoeve van [benadeelde 4] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2017;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. E.M.A. Vinken, rechter,

mr. A.P. Sno, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Peet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017050728, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden - Bollenstreek, districtsrecherche Leiden – Bollenstreek met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 140).

2 Proces-verbaal van aangifte [getuige] , blz. 26-27.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 54, zesde alinea.

4 Een geschrift, te weten een rapport technische expertise n.a.v. het ontstaan van brand in een kelderbox aan de Statendaalder 22-38 te Leiderdorp, opgesteld door F. Pastoor (Biesboer Expertise B.V).

5 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 7, laatste alinea en blz. 8 eerste en tweede alinea.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 16 maart 2017, ongenummerd.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 22 augustus 2017.