Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11073

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
NL17.5316 en NL17.5317 (vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Iran, ongeloofwaardigheid afvalligheid van de Islam onvoldoende gemotiveerd, ongeloofwaardigheid ondervonden problemen wel voldoende gemotiveerd, ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard, over zwaarwegendheid afvalligheid moet de IND een nieuw besluit nemen

Eiser heeft asiel gevraagd in Nederland, omdat hij afvallig is van de islam. Hij stelt dat hij daardoor problemen heeft gekregen met zijn vader en de autoriteiten in Iran en dat hij bij terugkeer naar Iran gevaar loopt. De rechtbank oordeelt dat de IND onvoldoende heeft gemotiveerd dat het ongeloofwaardig is dat eiser afvallig is. Zo heeft eiser, anders dan de IND meent, wel persoonlijke beweegredenen genoemd. Verder is het onbegrijpelijk dat de IND aan eiser tegenwerpt dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de islam. Eiser heeft immers, naar aanleiding van vele vragen van de IND, in drie nadere gehoren uitgebreid toegelicht dat en hoe hij onderzoek heeft gedaan. Wel heeft de IND voldoende gemotiveerd dat de problemen die eiser als gevolg van zijn afvalligheid in Iran stelt te hebben ondervonden ongeloofwaardig zijn. Toch moet de IND een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiser. Namens de IND is ter zitting namelijk erkend dat afvalligen, wegens de houding van de Iraanse autoriteiten, risico’s lopen in Iran.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: NL 17.5316 (beroep)

NL 17.5317 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 7 augustus 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1984, van Iraanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Sewdajal),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mol).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 december 2015 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond afgewezen.

Op 18 juli 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig G. de Vries als tolk in de taal Farsi. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, samengevat, het volgende relaas ten grondslag gelegd. Eiser is in een streng islamitisch gezin geboren en getogen en zijn vader dwong hem de islam te praktiseren. Eiser heeft zich afgekeerd van de islam, hij is afvallig. In dat kader heeft hij, samen met twee andere personen, bijeenkomsten georganiseerd. De aanleiding voor eisers vlucht is dat zijn vader op [datum] 2015 in eisers woning anti-islam propaganda heeft aangetroffen. Eisers vader heeft toen eisers oom en een oud-medestrijder van de [groep] geïnformeerd. Eiser vreest voor hen en de Iraanse autoriteiten.

2. Verweerder heeft in het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen onderscheiden:
a) identiteit en nationaliteit;
b) afvalligheid van de islam;
c) activiteiten alsmede problemen in relatie tot afvalligheid.


Verweerder heeft het relevant element a) geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser uit een streng islamitisch gezin afkomstig is en dat zijn vader van hem verlangde dat hij zich aan de islamrituelen hield. Verweerder heeft de relevante elementen b) en c) evenwel niet geloofwaardig geacht. Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de tegenwerpingen van verweerder gemotiveerd heeft betwist. Eiser brengt, kort samengevat, het volgende naar voren. Eiser heeft consequent en in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven niet te geloven dat de islam de waarheid is, maar dat hij de islam juist verantwoordelijk houdt voor niet te rechtvaardigen geweld, discriminatie en onderdrukking. Hij stelt dat hij zijn afkeer ook persoonlijk heeft gemaakt; hij heeft aangegeven dat hij grote waarde hecht aan de vrijheid om te denken wat men wil en om vrijelijk en vreedzaam over verschillende opvattingen te discussiëren. Hij heeft daarbij verklaard dat hij is beïnvloed door auteurs die zich krachtig tegen de islam hebben uitgesproken. Verder heeft eiser uitgelegd dat hij in zijn jeugd de verantwoordelijkheid voor het gedrag van zijn vader bij zijn vader heeft gelegd, maar dat hij, eenmaal volwassen, tot de conclusie is gekomen dat zijn vader slechts doet wat de islam hem opdraagt. Verder stelt eiser dat geen sprake is van een plotselinge en definitieve openbaring, maar van een geleidelijk proces dat er uiteindelijk toe heeft geleid dat eiser van zijn geloof is gevallen.

Eiser heeft onderzoek gedaan door de Koran, drie specifiek genoemde boeken en meerdere exegeses te lezen. Over de door eiser verrichte activiteiten en problemen voert eiser onder meer aan dat tijdens het nader gehoor van 17 juni 2016 sprake is geweest van enige verwarring over de data van de bijeenkomsten. Hij verwijst naar zijn eigen verklaring, die hij een dag na de zienswijze heeft overgelegd, waarmee hij beoogt zijn asielrelaas nader te verduidelijken. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas ook stukken overgelegd, waaronder, in de bestuurlijke fase, een foto van een brief en een vertaling daarvan, waaruit volgt dat eiser op 5 december 2015 is opgeroepen om voor de onderzoeksrechter van het algemene en revolutionaire kantongerecht te [plaats 1] te verschijnen.

Ten aanzien van de afvalligheid

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het relevante element b), te weten dat eiser afvallig is van de islam, ongeloofwaardig is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

5. Verweerder heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser geen persoonlijke, hem aangaande reden heeft genoemd om de islam af te vallen, maar in plaats daarvan algemeen en vaag heeft verklaard over de boodschap van auteurs in de door hem gelezen boeken. Eiser heeft immers tijdens de gehoren verklaard dat de slechte ervaringen uit zijn jeugd voor eiser een niet te verwaarlozen persoonlijke reden vormen om de islam in twijfel te trekken. De ervaringen van eiser op de universiteit en het optreden van de Iraanse autoriteiten in 2009 hebben bij eiser verdere vragen opgeroepen, waarna eiser, onder meer, boeken is gaan lezen over de islam. Hij heeft verder verklaard dat hij zelf tegenstrijdigheden en onjuistheden in de Koran heeft ontdekt, waarover hij echter destijds met geen andere moslim in Iran heeft kunnen spreken. Ook eisers toelichting ter zitting over zijn persoonlijke redenen om de islam af te vallen maakt dat de rechtbank temeer van oordeel is dat de motivering van deze tegenwerping door verweerder tekortschiet. De beroepsgrond dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zijn beweegredenen onvoldoende persoonlijk zouden zijn, slaagt dus.

6. De tegenwerping van verweerder dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zijn onderzoek naar de islam heeft vormgegeven, terwijl hij verklaard heeft en – ook naar aanleiding van de vele vragen van verweerder in drie nadere gehoren – uitgebreid heeft toegelicht dat en hoe hij uitgebreid onderzoek heeft gedaan, acht de rechtbank met de gegeven motivering in het bestreden besluit onbegrijpelijk. Eiser heeft uitgelegd dat hij de Koran heeft gelezen, daarnaast drie verschillende boeken en exegeses, waarom hij de boeken heeft gelezen, welke delen van de Koran hij belangrijk vond en het resultaat van zijn ontdekkingsreis.1 Door van eiser te verlangen dat hij zich over alle kanten van de zaak, alle koraninterpretaties en alle standpunten heeft geïnformeerd, heeft verweerder de lat voor eiser om zijn afvalligheid te onderbouwen onredelijk hoog gelegd. In dat kader heeft verweerder de beoordeling ook ten onrechte toegespitst op formele kennis van bronnen van leer van de islam. Om die reden acht de rechtbank de motivering van verweerder in dit kader ontoereikend. De beroepsgrond slaagt.

7. Voor zover verweerder aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen enkel voorbeeld heeft kunnen noemen van iemand met een wat meer positieve interpretatie van de islam, overweegt de rechtbank dat verweerder dit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser heeft immers tijdens het gehoor verklaard dat hij kennis heeft genomen van meningen van geleerden die het tegendeel beweren over de positie van vrouwen, het geweld binnen de islam, discriminatie en dwang van bekeerlingen. Hij heeft verklaard dat de geleerden in hun eigen tijd nieuwe ideeën hadden, maar dat hij het met hen oneens is. Hij noemt in dit kader de geleerden Ali Shariati, Abdol Karim Soroesh, Mir Hussein Moesawi, Seyed Janollodin Assad Abadi en Eqbal Lahoeri.2 De beroepsgrond dat eiser wel degelijk heeft verklaard het werk van diverse islamitische theologen te hebben bestudeerd, die hebben betoogd dat de islam niet op geweld is gebaseerd, slaagt dus.

8. Verweerder heeft voorts ondeugdelijk gemotiveerd dat uit de verklaring van eiser “je legt je erbij neer en gaat verder”3 niet valt op te maken dat, omdat zijn vader van hem verlangde dan wel eiste dat eiser zich aan de rituelen hield die bij de islam horen, hem de islam daarom als kind al tegenstond. Eiser heeft immers, nadat hij met deze verklaring is geconfronteerd, tijdens het gehoor aan verweerder uitgelegd dat hij in zijn jeugd de verantwoordelijkheid voor het gedrag van zijn vader bij zijn vader zelf heeft neergelegd, en dat gedrag dus zijn vader kwalijk genomen heeft, maar toen hij eenmaal volwassen was tot de conclusie is gekomen dat zijn vader slechts doet wat de islam hem opdraagt. Daarbij heeft hij de metafoor gebruikt van een scherp mes, waarmee je iemand kunt vermoorden of iemand kunt opereren of redden, en heeft hij gerefereerd aan de Neushoorn van Sartre: de passerende neushoorn verandert de mens in een neushoorn, maar de mens heeft het niet door. Daarover vertelt eiser: “Hij rent, komt langs muren en deuren, beschadigt ze, beschadigt zichzelf, maar heeft het zelf niet door. Dit is wat de islam met moslims doet. Ze hebben niet door dat ze geweld gebruiken, ze doen het onbewust, maar ze doen het wel.”4 Zonder nadere motivering, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom dit antwoord van eiser niet concreet en overtuigend is, zoals verweerder heeft gesteld. De beroepsgrond van eiser dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan deze uitleg van eiser, slaagt daarom.

9. Verweerder heeft verder ten onrechte nagelaten nader te motiveren waarom het ongerijmd is dat eiser niet aan de persoon van wie hij het boek Duivelsverzen heeft ontvangen, heeft gevraagd hoe hij dat boek heeft verkregen, nu evident is dat die persoon het boek op illegale wijze heeft verkregen. Dit geldt ook voor zover verweerder aan eiser heeft tegengeworpen dat ongerijmd is dat hij een illegaal boek, dat via zijn computer traceerbaar was, pas twee jaar nadien heeft gedownload. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet dermate ongerijmd, dat verweerder zonder nadere motivering met deze twee tegenwerpingen kon volstaan. Hij heeft zijn standpunt immers niet op een voor de bestuursrechter controleerbare wijze gerelateerd aan bij hem bekende bronnen met algemene en specifieke informatie over de situatie in Iran, of aan zijn ervaringen met de beoordeling van de geloofwaardigheid van vergelijkbare asielrelazen van andere vreemdelingen.

10. Verweerder heeft verder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij inconsistent zou hebben geantwoord op de vraag of het klopt dat hij veel kennis van de islam heeft. Eiser heeft immers op de vraag “U heeft in de gehoren verteld dat u veel kennis heeft opgedaan van de islam. Klopt dat” geantwoord met “min of meer”. Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat eiser hiermee doelt op zijn kennisniveau van de islam, niet op of het klopt dat hij dat tijdens de gehoren heeft verklaard. Dat legt eiser tijdens het gehoor ook meteen uit: “iedere dag informeer ik mezelf over deze zaak, iedere dag weet ik iets meer, zelfs als je Einstein bent, weet je ook niet alles.” Aansluitend antwoordt eiser bevestigend op de vraag of het klopt dat hij heeft verklaard dat hij veel kennis heeft opgedaan.5 Van een inconsistente verklaring is dus geen sprake.

11. Over de tegenwerpingen van verweerder dat eiser inconsistent heeft verklaard over het precieze moment waarop hij afstand heeft gedaan van de islam dan wel gestopt is met het praktiseren ervan en over het moment waarop hij verschillende boeken heeft ontvangen, wordt nog het volgende overwogen. Voor zover deze tegenwerpingen al stand kunnen houden gelet op eisers plausibele verklaring, met toelichting, dat zijn afvalligheid een geleidelijk proces is geweest, behoeven voornoemde tegenwerpingen, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking meer. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder met het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat ongeloofwaardig is dat eiser afvallig is van de islam.

12. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit.

Ten aanzien van de activiteiten en de problemen die eiser stelt vanwege zijn afvalligheid te hebben ondervonden

13. De rechtbank is evenwel, anders dan eiser meent, van oordeel dat verweerder voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het relevante element c) ongeloofwaardig is. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de plaats waar de bijeenkomsten hebben plaatsgevonden. Enerzijds heeft eiser verklaard dat alle bijeenkomsten hebben plaatsgevonden in [woonplaats] ,6 anderzijds volgt uit zijn verklaringen dat twee bijeenkomsten in [plaats 1] hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft de verklaring in de zienswijze niet afdoende mogen achten, omdat eiser deze tegenstrijdigheid uiterlijk bij correcties en aanvullingen op de gehoren had moeten wegnemen, waar hij onvoldoende in is geslaagd. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij anti-islam propaganda heeft verstopt in zijn huis in [woonplaats] , terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat het materiaal goed zichtbaar was.7 Hoewel aan eiser moet worden toegegeven dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet de oproep voor de onderzoeksrechter heeft betrokken, leidt dit niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft immers terecht opgemerkt dat hij deze brief, nu eiser niet in het bezit is van het originele document, niet op authenticiteit kan (laten) onderzoeken.

Finale geschillenbeslechting

14. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting namelijk verklaard dat hij geen subsidiair standpunt kan innemen ten aanzien van de vraag of afvalligheid van de islam in Iran voldoende zwaarwegend is voor een asielvergunning. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat uit het algemeen ambtsbericht ter zake van Iran volgt dat afvalligen het risico lopen op vervolging door de Iraanse autoriteiten. Hierover zou verweerder zich in een eventueel nieuw te nemen besluit kunnen uitlaten, aldus verweerder.

Afwijzing als kennelijk ongegrond

15. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Uit het voorgaande volgt immers niet dat door eisers verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen aan de grondslag van zijn verzoek om internationale bescherming (artikel 30b, eerste lid onder e, van de Vw 2000).

Slotconclusies

16. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

17. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL 17.5316,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL 17.5317,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2017.

griffier

rechter, tevens voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 zie pagina’s 6 tot en met 10 van het verslag van aanvullend nader gehoor van 31 maart 2017.

2 pagina 11 van het verslag van aanvullend nader gehoor van 31 maart 2017.

3 pagina 12 van het verslag van nader gehoor van 17 juni 2016.

4 zie pagina 6 van het verslag van aanvullend nader gehoor van 29 juli 2016.

5 zie pagina 5 van het verslag van aanvullend nader gehoor van 31 maart 2017.

6 tijdens zijn vrije relaas, pagina 7 van het verslag van nader gehoor van 17 juni 2016.

7 pagina 20 verslag van nader gehoor van 17 juni 2016.