Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1107

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
C/09/477560 / HA ZA 14-1296
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

843a Rv exhibitie incident. Opeising octrooirecht en vordering naamsvermelding uitvinders. Rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk. Uitleg overeenkomst: overdracht aanspraken op octrooi aan gedaagde. Incident opheffing beslag: geen (spoedeisend) belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/477560 / HA ZA 14-1296

Vonnis in de incidenten van 8 februari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AIMM THERAPEUTICS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

eiseres in het exhibitie-incident,

verweerster in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. G. Kuipers te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CRUCELL HOLLAND B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verweerster in het exhibitie-incident,

eiseres in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening,

advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk (voorheen L.Ph.J. baron van Utenhove te Den Haag).

Partijen zullen hierna AIMM en Crucell genoemd worden. De zaak wordt voor AIMM behandeld door de advocaat voornoemd, mrs. T. Douma en C.A. van Staveren, advocaten te Amsterdam. De zaak wordt voor Crucell behandeld door S.C. Dack, barrister, en mr. P. van Schijndel, advocaat, beiden te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 oktober 2014;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 19 november 2014 met producties 1 tot en met 13;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 11 februari 2015 met producties 1 tot en met 22;

  • -

    het verzoek tot toestaan re- en dupliek en vervolgens tot pleidooibepaling van 24 februari 2015;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, tevens houdende vermeerdering/wijziging van eis van 20 mei 2015 met producties 14 en 15 en verbeterde productie 10;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie en antwoord op vermeerdering van eis van 12 augustus 2015, met producties 23 tot en met 32;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 7 oktober 2015 met producties 15 (met een andere inhoud dan de bij repliek/antwoord al overgelegde productie 15) tot en met 23;

  • -

    de rolbeslissing van 4 november 2015 waarbij pleidooi in de hoofdzaak is bepaald op 14 oktober 2016;

  • -

    de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv en verzoek ex artikel 21 en 22 Rv van AIMM van 27 juli 2016 met producties 24 tot en met 28;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van 24 augustus 2016 met producties 33 tot en met 39;

  • -

    de rolbeslissing van 26 augustus 2016 tot het aanhouden van het pleidooi in de hoofdzaak totdat vonnis in de incidenten is gewezen;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in reconventie van 14 september 2016;

  • -

    het verzoek tot het houden van pleidooi in de incidenten van Crucell van 15 september 2016;

  • -

    de akte houdende aanvullende producties van AIMM van 14 oktober 2016, ingekomen op 30 september 2016, met producties 30 en 31;

  • -

    de per e-mail, fax en post verzonden brief van mr. Dack van 10 oktober 2016, ingekomen op dezelfde dag, met producties 40 en 41;

  • -

    de per fax en e-mail verzonden brief van mr. Kuipers van 13 oktober 2016, ingekomen op dezelfde dag, met productie 32;

  • -

    het op 13 oktober 2016 ingekomen proceskostenoverzicht van AIMM;

  • -

    het op 13 oktober 2016 ingekomen proceskostenoverzicht van Crucell;

  • -

    het pleidooi in de incidenten en de ter gelegenheid daarvan door partijen overgelegde pleitnotities, met uitzondering van de paragrafen 86-89 en 110-104 van de pleitnota van Crucell, die niet zijn gepleit;

  • -

    de brief van mr. Kuipers van 1 november 2016, waarin hij namens beide partijen bericht dat zij vonnis in de incidenten wensen.

1.2.

In de brief van mr. Dack van 10 oktober 2016 en ter zitting heeft Crucell bezwaar gemaakt tegen de producties 30 en 31 van AIMM. Bij brief van 13 oktober 2016 en ter zitting heeft AIMM vervolgens bezwaar gemaakt tegen de reactieve producties 40 en 41 van Crucell. Ter zitting heeft de rechtbank beslist al deze producties toe te laten. Ter zitting heeft Crucell ook bezwaar gemaakt tegen het (voor de zitting aangekondigde) verzoek van AIMM om een geluidsopname van de zitting te maken. Dat bezwaar is niet gehonoreerd, waarbij is bepaald dat AIMM Crucell een kopie van de geluidsopname aan haar wederpartij en de rechtbank dient te verstrekken. De geluidsopname is na de zitting door AIMM digitaal aan de rechtbank toegezonden.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

AIMM is een Nederlands biotechnologisch bedrijf dat zich bezighoudt met onderzoek.

2.2.

Crucell is een van oorsprong Nederlands biofarmaceutisch bedrijf dat zich richt op de productie en marketing van antilichamen en vaccins tegen besmettelijke ziekten. In februari 2011 is Crucell overgenomen door het farmaceutische concern Johnson & Johnson.

2.3.

Begin 2007 toonde Crucell belangstelling in de technologie van AIMM. Crucell onderzocht de mogelijkheid van overname van AIMM. In verband daarmee werd door partijen in april 2007 een Confidentiality Declaration gesloten (hierna: ‘de Geheimhoudingsovereenkomst’).

2.4.

Vervolgens sloten partijen op 12 november 2007 een Research Agreement (hierna te noemen ‘de Research Agreement’), die onder meer de volgende bepalingen bevat:

1. Scope

1.1.

AIMM shall perform the research activities ("Research") for Crucell as set out in the research program ("Program") attached hereto as Appendix 1 and as may be reasonably requested by Crucell from time to time, in accordance with this Agreement. Crucell reserves the right to propose an additional program to the

program set out in Appendix 1 in a mutually agreed upon field. AIMM shall not unreasonably withhold its consent to such addition. Upon AIMM's consent, such additional program shall be deemed incorporated under the defined term "Program" and a new protocol with timelines shall be agreed upon (however, the

monthly compensation for the Research shall not increase). Appendix 1 sets out the timelines within which the Research shall be performed, which timelines AIMM shall use best efforts to meet.

1.2.

AIMM shall not unreasonably withhold its consent to any changes or additions to

the Program proposed by Crucell.

(…)

3. Results and IP

3.1

Subject to the terms and conditions of this Agreement, Crucell hereby grants a non-exclusive, non-transferable, non-sublicenseable, royalty-free license under Crucell's intellectual property rights relating to the Crucell Materials, solely for the purpose of conducting the Research on behalf of Crucell during the term of this Agreement.

3.2

Subject to Clause 3.6, all rights, title and interest to any (intellectual property rights that may arise out of the) data, information, inventions, materials and physical, chemical, biological and/or other results, including methodological innovations, improvements to processes or testing procedures, documentary raw data, specimens, compounds, records, other materials and know-how, obtained in performing, or during the course of, the Research (collectively "Results") will vest in Crucell.

3.3

AIMM shall respond to reasonable inquiries of Crucell regarding the status of the Research and the Results obtained. AIMM will disclose promptly any inventions or improvements conceived or reduced to practice by AIMM, in the course of or as a result of the Research. AIMM shall assign its rights, title and interest in and to any and all such inventions and improvements to Crucell and execute such documents as may be required to file applications and to obtain patents in the name of Crucell or its nominees, in any countries, covering such inventions or improvements. Crucell shall compensate AIMM for all reasonable costs incurred in connection with the aforementioned execution of documents. AIMM will refrain from any and all acts that may jeopardize the patentability of any inventions or improvements in any jurisdiction.

3.6

AIMM shall remain the owner and holder of the exclusive rights to the patent applications set out in Appendix 2 ("Patents"). AIMM shall also remain the owner of all rights, title and interest to (i) any intellectual property rights that it owned prior to the commencement of the Research or makes or otherwise

develops in connection with research and/or development activities outside the scope of the Research and (ii) any improvements to the methods claimed in the Patents conceived and reduced to practice by AIMM in the course of the Research ("AIMM Property").

3.7.

Except as expressly set forth otherwise herein, nothing in this Agreement grants either Party rights or a license to any patent, copyright, trademark, or other intellectual property rights of the other Party.

(…)

5. License

5.1.

AIMM hereby grants to Crucell a worldwide, perpetual, non-exclusive, assignable and sub-licenseable license under the Patents to develop, make, use, import, offer to sell and sell (or have the aforesaid done in respect of) any human antibody that is developed pursuant to the Results and using a method that would - but for the license granted herein - infringe one or more claims of any Patent.

5.2.

In consideration of the aforementioned grant of license, AIMM shall be entitled to the following milestones and royalties:

5.2.1.

upon the first Product entering a Phase I human clinical study (first administration to patient): EUR 0.05 million;

5.2.2.

upon the first Product entering a Phase II human clinical study (first administration to patient): EUR 0.15 million;

5.2.3.

upon the first Product entering a Phase III human clinical study (first administration to patient): EUR 0.2 million;

5.2.4.

upon the first filing of a BLA with the FDA or EMEA regarding the first Product: EUR 0.5 million;

5.2.5.

upon receipt of the first notification from the FDA or EMEA that the first Product has regulatory approval for marketing in the US or the European Union: EUR 0.6 million;

5.2.6.

upon first commercial sale of a Product within the US or European Union after receipt of regulatory approval: EUR 1.0 million;

5.2.7.

royalty on net sales (the scope of which term is to be agreed between the Parties) of Product: EUR 1.5%.

"Product" shall mean any human antibody or combination of antibodies for therapeutic use that is developed pursuant to the Results and using a method that would - but for the license granted herein - infringe any Relevant Patent Claim.

"Relevant Patent Claim" shall mean any claim of any Patent, to the extent (a) such Patent (i) is issued or (ii) is pending as a patent application for not longer than 3 years before a national or regional office in the US or Europe and (b) the claim or Patent has not (i) expired, (ii) been revoked, (iii) been abandoned or withdrawn, (iv) been held invalid or (v) otherwise become unenforceable, to be determined on a country-by-country basis.

2.5.

Appendix 1 bij de Research Agreement heeft de hieronder weergegeven inhoud:

2.6.

Tijdens de onderhandelingen over de Research Agreement heeft AIMM een ‘mark-up’ aan Crucell toegezonden met het hierna weergegeven wijzigingsvoorstel voor artikel 3.2 en een toelichting bij dat voorstel, gericht aan de jurist van Crucell:

2.7.

AIMM heeft uit bloedmonsters die zij had ontvangen van Crucell in het kader van de Research Agreement zogenaamde B-cellen (een bepaald type witte bloedcellen) geselecteerd1. Deze B-cellen heeft AIMM opgekweekt en daaruit 16 antilichamen geïsoleerd en geïdentificeerd, die kruisreactiviteit vertoonden met groep 1 en/of groep 2 influenza. In die groep bevonden zich 10 IgM antilichamen en 6 IgG antilichamen.

2.8.

AIMM heeft medio 2008 120 antilichamen, waaronder de 16 kruisreactieve antilichamen, verzonden aan Crucell in de vorm van supernatanten. Daarbij bevond zich een IgG antilichaam dat door Crucell het kenmerk CR8020 is gegeven (hierna ook: ‘CR8020’).

2.9.

De werkzaamheden die AIMM in het kader van de Research Agreement heeft verricht, zijn uitgevoerd door prof. [A] , dr. [B] , dr. [C] en [D] (hierna te noemen ‘de AIMM Medewerkers’).

2.10.

Op 16 mei 2008 gaf [C] , één van de AIMM Medewerkers, een presentatie voor Crucell waarin de volgende slides voorkwamen:

2.11.

Op 1 september 2008 zond [D] van AIMM aan [E] van Crucell het hieronder afgebeelde overzicht van alle kruisreactieve antilichamen die AIMM had geïsoleerd en geïdentificeerd, en waarvan supernatanten aan Crucell waren geleverd. In het overzicht is in de tweede kolom het isotype van de antilichamen vermeld (G voor IgG’s en M voor IgM’s).

2.12.

Op 23 september 2008 gaven partijen presentaties over het research project aan het senior management van Crucell. De hieronder weergegeven slides maakten deel uit van de presentatie van AIMM:

2.13.

Op 23 september 2008 gaf [E] van Crucell tijdens dezelfde bijeenkomst een presentatie, waarin de volgende slides voorkwamen:

2.14.

Crucell heeft verder onderzoek gedaan naar de van AIMM ontvangen resultaten. Zij heeft daarbij het door AIMM als 40C7 aangeduide antilichaam (zie 2.11 tweede regel van het overzicht) verder aangeduid als CR8020. Op de in 2.13.3 weergegeven slide is dat antilichaam eveneens op de tweede regel te zien.

2.15.

Crucell heeft wereldwijd octrooiaanvragen gedaan die beogen onder meer CR8020 onder bescherming te stellen. Het gaat daarbij om de Europese aanvragen EP 09159 947 en EP 10 151 155 (ingediend op 11 mei 2009 en 20 januari 2010) en de Amerikaanse aanvrage US 61/215,890 (ingediend op 11 mei 2009). Voorts gaat het om de op 6 mei 2010 ingediende PCT-aanvrage PCT/EP2010/056217, die is gepubliceerd als WO 2010/130636 (hierna: ‘WO 636’) en de prioriteit van vorenbedoelde drie aanvragen inroept, alsmede alle voortzettingen daarvan en eventueel reeds daarop verleende octrooien, waaronder de Europese octrooiaanvrage EP 10 718 169.5 gepubliceerd op 21 maart 2012 onder EP 2 430 046 (hierna: ‘EP 046’). Daarnaast heeft Crucell zelfstandige octrooi-aanvragen gedaan in Taiwan en Argentinië, aangevraagd in Taiwan onder nummer TW 2010 0114829 en gepubliceerd als TW 2010 043248, en in Argentinië als AR 2010 P101631 en gepubliceerd onder AR 076570 (hierna worden alle aanvragen en octrooien samen ‘de Octrooien en Aanvragen’ genoemd).

2.16.

Op 5 februari 2013 schreef [F] van AIMM (hierna: ‘ [F] ’) in een e-mail aan Johnson & Johnson, het moederbedrijf van Crucell:

2.17.

Op 25 juni 2013 schreef [F] aan Crucell:

2.18.

In de periode augustus tot en met oktober 2014 heeft AIMM als ‘Assignee’ met ieder van de AIMM Medewerkers als ‘Assignor’ een overeenkomst gesloten. Deze vier overeenkomsten bevatten allemaal de volgende overwegingen en bepaling:

WHEREAS:

(a) In view of the contract, Rb] entered into by and between Assignor and Assignee, Assignee is inter alia entitled to any and all rights to Assignor's knowhow, inventions and concepts, pertaining to certain subject matter.

(b) To the extent that any of the rights referred to in recital (a) still rest with Assignor, Assignor

wishes to assign and deliver such rights to Assignee, and Assignee wishes to acquire such

rights.

IT IS AGREED AS FOLLOWS:

1 ASSIGNMENT AND DELIVERY

To the extent that any such rights still rest with Assignor, Assignor hereby assigns and delivers

any and all rights to Assignor's knowhow, inventions and concepts conceived as from [commencement date of the contract, Rb] to Assignee and Assignee hereby accepts such assignment and delivery. For the avoidance of doubt, this also includes the right to file own patent applications thereon and to start entitlement proceedings in respect of such rights, including claiming entitlement to:

(…)

2.19.

AIMM heeft krachtens verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 april 2016 op, althans omstreeks 19 mei 2016 bewijsbeslag gelegd op bescheiden die zich onder Crucell bevonden en op of omstreeks 15 juli 2016 aanvullend bewijsbeslag gelegd daarop (hierna samen: ‘het bewijsbeslag’).

3 Het geschil in de hoofdzaak

in conventie

3.1.

AIMM vordert - zakelijk weergegeven - na eisvermeerdering, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

3.1.1.

Primair: opeising gehele Octrooien en Aanvragen

a. a) een verklaring voor recht dat de AIMM Medewerkers de (enige) uitvinders zijn van het onderwerp van de Octrooien en Aanvragen;

b) een verklaring voor recht dat de daarop thans genoemde uitvinders niet de uitvinders zijn van de Octrooien en Aanvragen;

c) een verklaring voor recht dat AIMM aanspraak heeft op de Octrooien en Aanvragen;

d) een gebod tot de overdracht aan AIMM van de Octrooien en Aanvragen en tot het verlenen van alle medewerking aan de zekerstelling van deze aanspraak, op straffe van een dwangsom;

e) bepaling dat op grond van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte van overdracht van de Octrooien en Aanvragen;

f) een bevel dat Crucell volledige medewerking dient te verlenen, op welke wijze dan ook, die nodig is om zeker te stellen dat de AIMM Medewerkers en niet de thans vermelde personen geregistreerd staan als uitvinders van de Octrooien en Aanvragen, op straffe van een dwangsom;

3.1.2.

Subsidiair: opeising van aandeel en/of gedeelte in de Octrooien en Aanvragen

g) een verklaring voor recht dat AIMM aanspraak heeft op een aandeel of gedeelte van de Octrooien en Aanvragen;

h) een gebod tot overdracht aan AIMM van het onder g) bedoelde aandeel/gedeelte, op straffe van een dwangsom;

i. i) bepaling dat op grand van artikel 3:300 BW de uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte notariële akte van overdracht van het onder g) bedoelde aandeel/gedeelte van Crucell aan AIMM;

3.1.3.

Primair: onrechtmatige daad / wanprestatie

j) een verklaring voor recht dat activiteiten van Crucell die verband houden met de AIMM IgG Antilichamen en/of andere knowhow van AIMM waarop Crucell geen rechten heeft, onrechtmatig zijn jegens AIMM, in het bijzonder dat Crucell onrechtmatig handelt jegens AIMM door CR8020 en/of andere AIMM IgG Antilichamen te gebruiken in klinische studies in Europa en in de Verenigde Staten, en in haar influenza programma;

k) een verklaring voor recht dat Crucell door de AIMM IgG Antilichamen te gebruiken en te openbaren toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de Geheimhoudingsovereenkomst;

l) een bevel aan Crucell haar activiteiten die verband houden met AIMM IgG Antilichamen en/of andere knowhow van AIMM waarop Crucell geen rechten heeft, te staken en gestaakt te houden;

m) veroordeling van Crucell tot het betalen van schadevergoeding aan AIMM in verband met alle door AIMM geleden en nog te lijden schade als gevolg van de onder j) en k) genoemde omstandigheden, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

n) een bevel aan Crucell om op de homepagina van de websites www.crucell.nl en www.crucell.com en in een aantal internationale Engelstalige dagbladen een rectificatie te plaatsen;

3.1.4.

Subsidiair: vernietiging Research Agreement

p) een verklaring voor recht dat de Research Agreement vatbaar is voor vernietiging door AIMM op grond van i) misbruik van omstandigheden door Crucell althans ii) dwaling aan de zijde van AIMM;

3.1.5.

Primair en subsidiair voorts

alles met veroordeling van Crucell tot betaling van de kosten van deze procedure

zoals bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans voor zover de rechtbank met Crucell zou menen dat artikel 1019h Rv van toepassing is, conform artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

AIMM legt aan haar vorderingen onder meer het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De AIMM Medewerkers hebben de uitvinding gedaan die de materie van de Octrooien en Aanvragen vormt. Met name CR8020 is een antilichaam dat de AIMM Medewerkers hebben geïdentificeerd en geïsoleerd. CR8020 is een IgG antilichaam. De Research Agreement is daarop niet van toepassing, omdat de opdracht onder de Research Agreement was beperkt tot het identificeren en isoleren van IgM antilichamen. Dat volgt uit Appendix 1 bij de Research Agreement. De AIMM Medewerkers hebben, voor zover nodig, al hun rechten terzake de resultaten van hun research overgedragen aan AIMM. AIMM kan derhalve aanspraak maken op de Octrooien en Aanvragen op grond van artikel 60 en 61 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (EOV) en vergelijkbare bepalingen in andere toepasselijke octrooiwetgeving.

3.2.2.

Voor zover de AIMM Medewerkers al niet de enige uitvinders van de materie van de Octrooien en Aanvragen zijn, zijn zij in ieder geval mede-uitvinder daarvan.

3.2.3.

Crucell handelt daarnaast in strijd met haar verplichtingen onder de Geheimhoudingsovereenkomst door de Octrooien en Aanvragen aan te vragen. Ook handelt zij onrechtmatig jegens AIMM met deze handelwijze.

3.2.4.

AIMM is op grond van artikel 62 EOV en vergelijkbare toepasselijke wetgeving ook gerechtigd te vorderen dat de AIMM Medewerkers als uitvinders op de Octrooien en Aanvragen worden genoemd.

3.2.5.

AIMM lijdt schade door de toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad van Crucell, voor de vergoeding waarvan Crucell aansprakelijk is.

3.2.6.

Subsidiair: voor zover de rechtbank zou menen dat IgG’s wel onder het bereik van de Research Agreement vallen, vordert AIMM vernietiging van de Research Agreement op grond van misbruik van omstandigheden, althans dwaling.

3.3.

Crucell voert gemotiveerd verweer.

3.3.1.

Primair voert zij (onder meer) aan dat niet AIMM maar Crucell de uitvinding heeft gedaan die de materie vormt van de Octrooien en Aanvragen. AIMM heeft bij het onderzoek dat zij heeft gedaan alleen maar openbaar bekende technieken van AIMM gebruikt, maar geen inventieve arbeid verricht. De inventieve arbeid is gelegen in de bewerking door Crucell van de door AIMM geïsoleerde antilichamen.

3.3.2.

Voorts beroept Crucell zich op niet-ontvankelijkheid van AIMM in haar vorderingen, omdat AIMM niet heeft gesteld dat en hoe zij is gevolmachtigd door de AIMM Medewerkers om de vorderingen in te stellen, althans anderszins gerechtigd is de vorderingen op eigen naam in te stellen.

3.3.3.

Voor de vordering tot vermelding als uitvinder op het octrooi geldt in ieder geval dat er sprake is van een persoonlijk recht dat door de AIMM Medewerkers niet overgedragen kan worden.

3.3.4.

Ook bestrijdt Crucell dat er in alle rechtstelsels waarvoor de Octrooien en Aanvragen zijn gedaan, een grondslag is voor de vorderingen van AIMM.

3.3.5.

Subsidiair stelt Crucell dat, zelfs als er (mede) door de AIMM Medewerkers uitvinderswerkzaamheid is verricht, AIMM geen aanspraak heeft op de Octrooien en Aanvragen, omdat partijen in de Research Agreement zijn overeengekomen dat die aanspraken aan Crucell toekomen. Gelet op alle omstandigheden van het geval dient de Research Agreement zo uitgelegd te worden dat die aanspraken niet alleen betrekking hebben op de door AIMM geïsoleerde IgM’s, maar ook op de IgG’s.

in reconventie

3.4.

Crucell vordert - zakelijk weergegeven - na eisvermeerdering, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. a) een verklaring voor recht dat AIMM ongerechtvaardigd de Research Agreement heeft trachten te ontbinden;

b) een verklaring voor recht dat de Research Agreement van kracht is en blijft;

c) veroordeling van AIMM in de kosten van het geding.

3.5.

Crucell legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De IgG antilichamen die Crucell van AIMM heeft ontvangen, waren onderzoeksresultaten die onder het bereik van de Research Agreement vielen. Op grond van artikel 3.2. van de Research Agreement heeft Crucell derhalve recht op de intellectuele eigendomsrechten die die resultaten onder bescherming stellen. Beide partijen zijn daar ook vanuit gegaan, zowel gedurende de overeenkomst als lange tijd daarna. AIMM heeft de Research Agreement zelfs ontbonden omdat Crucell haar niet tijdig een milestone betaling zou hebben gedaan voor de met CR8020 behaalde resultaten. Crucell had AIMM voor die ontbinding echter al toegezegd dat zij haar betalingsverplichtingen waarvan AIMM nakoming vorderde, zou nakomen en heeft dat ook vlak na de ontbinding gedaan. Gelet op die toezegging handelde AIMM in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de Research Agreement te beëindigen.

3.6.

AIMM voert gemotiveerd verweer.

4 Het geschil in de incidenten

in het exhibitie incident

4.1.

AIMM vordert, zakelijk weergegeven, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat Crucell wordt bevolen aan AIMM te verschaffen afschrift van, althans inzage in, bescheiden, met name research documentatie rond de in de Octrooien en Aanvragen genoemde IgG antilichamen en documentatie die ziet op de vaststelling van uitvinderschap en gerechtigdheid tot de Octrooien en Aanvragen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Crucell in de proceskosten conform het liquidatietarief, subsidiair op de voet van artikel 1019h Rv, vermeerderd met rente.

4.2.

AIMM legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op grond van artikel 843a Rv recht heeft op de gevorderde exhibitie. Op de in 3.2 weergegeven gronden is er sprake van een rechtsbetrekking waarbij AIMM partij is. Crucell beschikt over informatie over de uitvoering van het onderzoek waarbij de in de Octrooien en Aanvragen onder bescherming gestelde materie is uitgevonden. Crucell beschikt ook over informatie over de wijze waarop zij heeft vastgesteld wie aan de uitvinding van de Octrooien en Aanvragen heeft bijgedragen en informatie over de vraag hoe zij haar aanspraak daarop heeft vastgesteld. Omdat AIMM haar vordering in de hoofdzaak met die informatie beter kan onderbouwen heeft AIMM een rechtmatig belang bij exhibitie van bescheiden die daarover informatie geven. De betreffende bescheiden zijn voldoende bepaald en er is geen gewichtige reden voor afwijzing van de vordering.

4.3.

Crucell heeft volgens AIMM niet voldaan aan haar stelplicht door niet te motiveren welke relevante bijdrage de thans genoemde uitvinders aan de uitvinding hebben geleverd en geen stukken in het geding te brengen waaruit blijkt hoe zij tot de vaststelling van deze uitvinders is gekomen, terwijl dergelijke documenten bij Crucell aanwezig moeten zijn. Op grond van artikel 21 Rv dient de voorzieningenrechter de gevolgtrekking te maken dat de vorderingen in de hoofdzaak zullen worden toegewezen. Subsidiair verzoekt AIMM de voorzieningenrechter daarom om op grond van artikel 22 Rv Crucell op te dragen deze bescheiden over te leggen.

4.4.

Crucell voert gemotiveerd verweer. Op de inhoud daarvan zal bij de beoordeling nader worden ingegaan.

in het incident tot het treffen van een provisionele maatregel 2

4.5.

Crucell vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, opheffing van het bewijsbeslag, met veroordeling van AIMM in de kosten van de procedure, te begroten op de voet van artikel 1019h Rv.

4.6.

Crucell legt aan deze incidentele vordering het volgende ten grondslag. AIMM heeft de voorzieningenrechter die het verlof verleende misleid, althans niet volledig ingelicht in haar beslagrekest. Er is sprake van een vexatoir en derhalve onrechtmatig beslag, een zuivere ‘fishing expedition’. De uitvoering van het bewijsbeslag was disproportioneel en in strijd met de grenzen en voorwaarden die de voorzieningenrechter in het verlof had opgenomen. Ook heeft AIMM, althans de deurwaarder, de in beslag genomen bestanden gecorrumpeerd, zodat onduidelijk is of de thans in bewaring gehouden bescheiden identiek zijn aan de bescheiden van Crucell. Daardoor heeft de deurwaarder de in beslag genomen bescheiden niet nauwkeurig in het proces-verbaal van beslaglegging kunnen beschrijven overeenkomstig de eisen van artikel 443 Rv. Daarom is het bewijsbeslag nietig.

4.7.

AIMM voert gemotiveerd verweer. Op de inhoud daarvan zal bij de beoordeling worden ingegaan.

5 De technische achtergrond

5.1.

De hierna volgende beschrijving van de technische achtergrond van Octrooien en Aanvragen is ontleend aan de processtukken van AIMM. Crucell heeft betoogd dat die beschrijving ‘gekleurd’, althans ongenuanceerd, is maar niet concreet aangegeven in welk opzicht. Crucell heeft zelf een Engelstalige getuigenverklaring van de voormalig Chief Scientific Officer van AIMM, prof. dr. [G] , overgelegd. In die verklaring geeft [G] een beschrijving van de relevante techniek die voorshands en voor zover thans relevant, op hetzelfde neerkomt.

5.2.

Het influenzavirus

5.2.1.

Influenza, ook wel "griep" genoemd, is een zeer besmettelijke virale infectie van neus, keel en longen. Influenza behoort tot de meest voorkomende ziekten; jaarlijks worden wereldwijd drie tot vijf miljoen mensen ernstig ziek en sterven er 250.000 tot 500.000. Influenza verbreidt zich razendsnel in seizoensepidemieën, waarbij 5 tot 15% van de bevolking wordt besmet.

5.2.2.

Er bestaan drie soorten griepvirussen: Type A, B en C. Griepvirussen type B

en C zijn voornamelijk menselijke virussen. Influenza A-virussen besmetten zowel mensen als andere zoogdieren en een groot aantal vogelsoorten. In deze procedure draait het om antilichamen tegen influenza A.

5.2.3.

Influenza A-virussen kunnen worden onderverdeeld in subtypen op basis van

variaties van twee karakteristieke genen en de daarmee samenhangende eiwitten, te weten hemagglutine ("HA") en neuraminidase ("NA"). Deze eiwitten zijn nodig voor de virale hechting en het loslaten van cellen. Het HA eiwit wordt voorts wel onderscheiden in een (bolvormige) kopregio en een stamregio. Er zijn momenteel minstens zeventien bekende subtypes van HA (H1-H17) en negen subtypes van NA (N1-N9). Subtypen van influenzavirussen kunnen op basis van hun evolutionaire kenmerken worden ingedeeld in twee hoofdgroepen: groep 1 met onder andere subtypes H1, H2, H5 en H9 en groep 2 met onder andere de subtypes H3, H4, H7 en H10. Deze subgroepen zijn onderling verschillend. De materie waarop de Octrooien en Aanvragen betrekking hebben, betreft in het bijzonder antilichamen tegen HA eiwitten van influenza A van groep 2, in het bijzonder subtypes H3 en H7.

5.2.4.

Jaarlijkse griepepidemieën doen zich voor wanneer de antigene eigenschappen van het virale oppervlakte-eiwit HA en/of NA veranderen. Dit mechanisme is tweeledig: (i) antigene shift, veroorzaakt door een genetische herschikking tussen menselijke en dierlijke virussen na een dubbele infectie van gastheercellen. Dit fenomeen kan pandemieën veroorzaken; en (ii) antigene drift, veroorzaakt door kleine wijzigingen in de HA- en NA-eiwitten op het virusoppervlak. Deze kleine wijzigingen maken het virus onherkenbaar

voor bestaande gastheer-immuniteit, waardoor evasie van het immuunsysteem van de gastheer mogelijk wordt. Dit kan leiden tot epidemieën. De bolvormige kop van het HA eiwit van het influenzavirus is zeer gevoelig voor antigene drift. De stamregio van het influenzavirus heeft daarentegen een beter geconserveerde structuur.

5.2.5.

Deze eigenschappen van influenza maken het tot een ziekte die moeilijk te bestrijden is. Dankzij de antigene shift en antigene drift heeft het influenzavirus een effectief evasiemechanisme. Antilichamen die tot kruisreactiviteit in staat zijn en binden aan een geconserveerd gedeelte van het influenza HA virus, zijn minder gevoelig voor dit mechanisme.

5.3.

Antilichamen: hoe het immuunsysteem influenza bestrijdt

5.3.1.

Het immuunsysteem van de mens kan grofweg worden onderverdeeld in twee functionele afdelingen, namelijk het aangeboren immuunsysteem en het adaptieve immuunsysteem. Het aangeboren immuunsysteem treedt op als een eerstelijns verdediging tegen materiaal dat als schadelijk wordt gezien, zoals virussen en bacteriën (die pathogenen worden genoemd wanneer zij een ziekte veroorzaken). Het adaptieve immuunsysteem vormt een aanvulling op de werking van het aangeboren immuunsysteem. Het adaptieve systeem brengt een specifieke reactie teweeg bij elk pathogeen.

5.3.2.

Antilichamen, ook wel immunoglobuline, (afgekort: "Ig") genoemd, zijn belangrijke componenten van het adaptieve immuunsysteem. Antilichamen worden aangemaakt door zogenaamde B-cellen.

5.4.

B-cellen

5.4.1.

B-cellen zijn witte bloedcellen en kunnen worden onderscheiden van andere

subtypen witte bloedcellen door de aanwezigheid van een eiwit op de buitenkant van de B-cel, dat een B-celreceptor wordt genoemd. Deze receptor zorgt ervoor dat de B-cel zich kan hechten aan een pathogeen. Na een eerste ontmoeting van een B-cel met een pathogeen, kunnen B-geheugencellen ontstaan die in het lichaam overleven en dezelfde pathogeen onthouden. Zo kunnen de B-cellen bij een toekomstige blootstelling aan het pathogeen sneller reageren. Vaccinaties zijn op dit mechanisme geënt. B-cellen kunnen uitgroeien tot

en differentiëren in plasmacellen die antilichaam aanmaken. De door (opgekweekte) B‑cellen geproduceerde antilichamen komen in de kweekvloeistof terecht. Kweekvloeistof waar geen cellen meer in zitten wordt supernatant genoemd.

5.5.

Antilichamen (Ig's)

5.5.1.

Antilichamen - die in hun basale vorm de vorm van een groot Y-vormig eiwit

hebben - worden door het immuunsysteem gebruikt om pathogenen te identificeren, te binden en (mogelijk ook) te neutraliseren. Elk antilichaammolecuul bindt zich aan een van vele moleculen op het oppervlak van een pathogeen. Moleculen waar antilichamen zich aan binden worden antigenen genoemd (een afkorting van antibody generators). Elk antilichaam bindt zich aan een specifiek deel van het antigeen; dit deel wordt epitoop genoemd.

De onderstaande afbeelding toont B-cellen (cirkelvorming, roze en grijs) die antilichamen hebben aangemaakt, die zich aan hun oppervlak hechten (Y-vormig) en reageren op antigene moleculen (uiterst links en uiterst rechts).

5.5.2.

Hoewel de algemene structuur, of basis, van alle antilichamen gelijk is, bestaan grote verschillen in een klein deel aan de kop of de armen van het eiwit. Hierdoor kunnen miljarden antilichamen met minimale verschillen bestaan. Elk van de varianten kan zich aan een ander antigeen binden. Door deze enorme diversiteit aan antilichamen kan het immuunsysteem een even groot scala aan antigenen herkennen. De geschatte totale diversiteit aan antilichamen bij de mens is 1011 verschillende antilichamen.

5.5.3.

De volgende afbeelding toont de basisstructuur van een antilichaam. De Y-vorm van het antilichaam bestaat uit twee identieke zware aminozuur ketens en twee identieke lichte aminozuur ketens (in de Y-vorm). De basis van het antilichaam heeft altijd dezelfde vorm. De vorm van de bovenkant van de armen van de Y-vorm kan variëren (variabele regio). Deze regio wordt ook wel de antigeen-bindingsplaats genoemd (Engels: antigen binding site).

De relatie tussen antigeen, epitopen en antilichamen wordt geïllustreerd in de volgende afbeelding. Op deze afbeelding is te zien dat het antilichaam (althans de bindingsplaats, de antigen binding sites) zich in het bijzonder bindt aan de epitopen die zich op het antigeen bevinden. Epitopen worden wel in kaart gebracht aan de hand van hun aminozuursequenties.

5.5.4.

De meeste antilichamen functioneren door eerst aan een antigeen te binden en dit antigeen vervolgens te markeren voor verdere verwerking en vernietiging door andere witte bloedcellen. Er bestaan ook antilichamen die pathogenen niet alleen binden maar ook (de biologische effecten hiervan) neutraliseren. De antilichamen waarop de Octrooien en Aanvragen betrekking hebben, behoren tot die laatste groep en binden niet alleen influenza H3 en H7, maar vertonen ook een neutraliserende activiteit tegen deze subtypen.

5.6.

Eerste- en tweedelijns adaptief immuunsysteem: IgM's en IgG's

5.6.1.

Antilichamen kunnen zich in verschillende variaties voordoen. De variaties worden wel isotypes genoemd. In de meeste hogere zoogdieren wordt onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende isotypes antilichamen, te weten: IgA, IgD, IgE, IgG, en IgM. Deze isotypes vertonen grote verscheidenheid in hun biologische eigenschappen, functionele locaties en hun vermogen om verschillende of meerdere antigenen aan te pakken. Naast

de verschillen tussen de isotypes zijn ook de antilichamen binnen elke isotype vrij heterogeen. Voor deze zaak moeten in het bijzonder IgM en IgG antilichamen worden onderscheiden. IgM en IgG antilichamen vervullen verschillende functies in de respons van het immuunsysteem.

5.6.2.

Bij een eerste (dreigende) infectie stuurt het immuunsysteem eerstelijns verdedigers - straatvegers, als het ware - die voornamelijk bestaan uit IgM's. IgM's zijn relatief groot en hebben een herkenningssysteem dat vaak gericht is tegen conservatieve structuren die door verschillende pathogenen worden gedeeld. Bepaalde IgM's zijn hierdoor in staat met meerdere pathogenen te reageren (kruisreactiviteit).

5.6.3.

IgM heeft als gezegd de Y-vorm als basisstructuur (met twee zware en twee lichte ketens). Het gehele IgM-molecuul is gevormd als een pentameer (vijf - soortgelijke - ketens) van de basiseenheid. De volgende afbeelding toont de structuur van IgM met een pentameervorm en vijf van de Y -vormige basisstructuren.

5.6.4.

De IgG antilichamen vormen een enkele eenheid van de Y –vormige basisstructuur (monomeer) zoals hieronder afgebeeld.

6 De overwegingen

in het exhibitie incident

6.1.

Voor een verplichting tot exhibitie is vereist dat AIMM voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij partij is bij een rechtsbetrekking. Of er een voldoende mate van aannemelijkheid is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval3. In de onderhavige zaak betrekt de rechtbank bij die beoordeling alle stellingen en weren uit de hoofdzaak, die al tot en met de conclusie van dupliek in reconventie is uitgeprocedeerd en waarin alleen nog het (reeds verzochte maar in verband met dit incident aangehouden) pleidooi gehouden dient te worden.

6.2.

De vorderingen van AIMM in de hoofdzaak ter staving waarvan AIMM om exhibitie verzoekt, kunnen worden ingedeeld in (i) vorderingen tot of in verband met opeising van de Octrooien en Aanvragen en (ii) vorderingen tot of in verband met vermelding van de AIMM Medewerkers als uitvinders op de Octrooien en Aanvragen. De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de voor de vorderingen tot opeising gestelde rechtsbetrekkingen en daarna op de vordering tot vermelding van de AIMM Medewerkers als uitvinders.

Aanspraak AIMM op de Octrooien en Aanvragen

6.3.

De rechtbank is voorshands van oordeel dat AIMM geen aanspraak kan maken op de Octrooien en Aanvragen, omdat het in 3.3.5 beschreven subsidiaire verweer van Crucell doel treft. Naar voorlopig oordeel dient de Research Agreement zo gelezen te worden, dat de uitvinding waarvan AIMM stelt dat haar medewerkers die hebben gedaan, onder het bereik van de Research Agreement valt, zodat het recht om daarvoor octrooi te verkrijgen bij Crucell is komen te rusten. Daarvoor is het volgende redengevend.

Uitleg Research Agreement

6.4.

De rechtbank stelt voorop dat het bij de uitleg van een overeenkomst aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten4. Alhoewel aan de taalkundige betekenis van de tekst van de overeenkomst bij de uitleg daarvan grote waarde dient te worden toegekend, kunnen de overige omstandigheden van het geval steeds meebrengen dat een andere betekenis dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden toegekend5. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg.

6.5.

Bij de uitleg van de Research Agreement spelen de volgende omstandigheden een rol.

6.5.1.

Artikel 3.2 van de Research Agreement bepaalt dat Crucell gerechtigd is tot de resultaten van de ‘Research’. Dat begrip is in artikel 1.1 van de Research Agreement gedefinieerd als ‘the research activities for Crucell as set out in the research program attached hereto as Appendix 1 and as may be reasonably requested by Crucell from time to time, in accordance with this Agreement’. Appendix 1 (weergegeven in 2.5) beschrijft dat het research programma 2 fases ‘Stages’ bevat. In Stage 2 worden als werkzaamheden vermeld ‘Selection of cross-reactive antibodies from IgM memory B cell compartment against H3/H7 or H1/H5 or possibly against all subtypes of HA’. Bij de beschrijving van de research wordt bij Stage 1 nog wel gesproken over de vaststelling van IgG en IgM isotypen, maar wordt bij de werkzaamheden van Stage 2 geen melding gemaakt van verder onderzoek naar IgG antilichamen. Een zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst duidt er derhalve op dat de in artikel 3.2 van de Research Agreement bepaalde aanspraak van Crucell is beperkt tot de resultaten die vallen binnen de grenzen van de research in Stage 2, zoals beschreven in Appendix 1 bij de overeenkomst.

6.5.2.

Uit een evaluatierapport van Crucell van 5 augustus 2008 blijkt dat het doel van de Research Agreement voor Crucell was om het AIMM programma te kunnen vergelijken met haar eigen onderzoeksprogramma. Het onderzoeksprogramma van Crucell zelf maakte gebruik van een andere techniek en was alleen gericht op IgM’s. Dat het bij die doelstelling voor de hand ligt dat ook het onderzoeksproject van AIMM enkel gericht zou zijn op IgM’s is door Crucell op zich niet weersproken. Deze omstandigheid duidt daarom ook op een tot IgM’s beperkte doelstelling van het project.

6.5.3.

Uit de in 2.10.1 weergegeven slide uit een presentatie van AIMM in mei 2008 en de in 2.12.1 weergegeven slide uit de presentatie die partijen gezamenlijk in september 2008 hebben gegeven, lijkt echter te volgen dat het met de opdracht beoogde doel van het project ruimer was. Volgens die slides was de doelstelling van het project dat AIMM ‘multiple neutralizing cross-reactive antibodies directed against HA3 and HA7’ zou isoleren, derhalve alle isotypen. Uit diezelfde slides blijkt tevens dat partijen bij de aanvang van het onderzoek uit zijn gegaan van de werkhypothese dat die antilichamen waarschijnlijk gevonden zouden worden onder IgM antilichamen. Bij het opstellen van Appendix 1 zullen partijen van die - naar later is gebleken onjuiste - werkhypothese zijn uitgegaan. Tegen die achtergrond kan de vermelding van IgM’s als onderzoeksobject in Stage 2, zoals beschreven in Appendix 1, niet zonder meer worden opgevat als een bewuste beperking door partijen van het onderzoek tot kruisreactieve IgM’s.

6.5.4.

Zoals hiervoor in 6.5.2 beschreven, was de doelstelling voor Crucell (mede) om het AIMM programma te vergelijken met haar eigen, op IgM’s gerichte programma. Dat valt ook op te maken uit de door AIMM op 23 september 2008 gegeven presentatie van de onderzoeksresultaten (zie slide 2.12.1). Uit de daarna volgende slides blijkt evenwel duidelijk dat de IgG’s eveneens onderzocht zijn (zie hierna r.o. 6.5.10). Dat de hiervoor vermelde doelstelling een beperking tot IgM’s impliceert, zoals AIMM betoogt, valt met die presentatie dan ook niet te rijmen.

6.5.5.

AIMM beroept zich in deze procedure op artikel 3.6 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat AIMM rechthebbende blijft op alle intellectuele eigendomsrechten die zij zou ontwikkelen ‘in connection with research and/or development activities outside the scope of the Research’. Uit het in 2.6 weergegeven voorstel van AIMM tijdens de onderhandelingen voor de inhoud van artikel 3.2 blijkt echter, dat bij het aangaan van de overeenkomst ‘outside the scope of the Research’ door AIMM werd opgevat als onderzoek dat geen betrekking had op griepvirussen. AIMM schrijft in de in 2.6 weergegeven ‘mark up’ aan (de jurist van) Crucell: ‘if possible we continue our work on other targets and the AIMM-methodology parallel to influenza, if and when possible; this part is not comprised by Research, however it is “during the course of”’. Met die achtergrond stelt zij een tekstuele wijziging van artikel 3.2 voor, om duidelijk te maken dat artikel 3.6 van toepassing is op dergelijk onderzoek. De bedoeling van AIMM was daarbij kennelijk om uitdrukkelijk af te spreken dat haar onderzoek dat in het geheel geen betrekking had op griepvirussen, niet onder het bereik van artikel 3.2 van de Research Agreement zou vallen. AIMM spreekt op dat moment niet over eigen onderzoek naar IgG’s buiten het bereik van de Research Agreement. Indien het daarentegen de bedoeling van AIMM was geweest om haar onderzoek naar (IgG-antilichamen tegen) griepvirussen, en zelfs specifiek naar dezelfde virussen als het contractonderzoek voor Crucell, buiten de scope van de Research Agreement te houden, dan had het voor de hand gelegen om dat op dat moment duidelijk te maken zodat daarover een bepaling in de Research Agreement opgenomen kon worden. Duidelijk is immers dat de eventuele positieve resultaten van dergelijk onderzoek rechtstreeks zouden concurreren met de inspanningen van Crucell op dit gebied. AIMM kon tijdens de contractsonderhandelingen zodoende niet verwachten dat Crucell de rechten betreffende de door AIMM in het (nota bene door Crucell aangeleverde) bloed gevonden IgG’s zonder meer aan AIMM zou laten.

6.5.6.

Verschillende bepalingen van de Research Agreement duiden bovendien op de intentie van partijen enige flexibiliteit in de reikwijdte van de overeenkomst te creëren. Zo is in de artikelen 1.1 en 1.2 bepaald dat Crucell een aanvulling op het research programma kon vragen en aanvullende verzoeken kon doen in het kader van de opdracht, die AIMM niet zomaar kon weigeren, maar waarvoor zij geen aanvullende vergoeding zou ontvangen. Dat duidt er op dat voor partijen bij aanvang van het project nog niet helemaal duidelijk was wat de omvang van de opdracht zou worden en dat AIMM in beginsel bereid was de inhoud van het onderzoek aan te passen op verzoek van Crucell. Daaruit blijkt dat het bereik van Appendix 1 niet onaantastbaar was voor partijen.

6.5.7.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat de AIMM Medewerkers tegelijkertijd IgG’s en IgM’s hebben geïsoleerd en geïdentificeerd op basis van startmateriaal afkomstig van Crucell. Ook is niet in geschil dat AIMM vervolgens supernatanten van antilichamen van beide isotypen aan Crucell heeft verstrekt. Volgens AIMM deed zij dat niet omdat zij daartoe op grond van de Research Agreement gehouden was, maar los van de Research Agreement als ‘extra’ op basis van onafhankelijk parallel uitgevoerd onderzoek. De reden daarvoor was volgens AIMM dat Crucell op dat moment een overname van AIMM overwoog, zodat zij in dat kader wilde laten zien hoe waardevol haar technologie was, aldus AIMM. Die motivatie komt de rechtbank voorshands onvoldoende aannemelijk voor. Uit de door partijen overgelegde correspondentie gedurende en na het project en uit de gezamenlijke presentatie in oktober 2010 blijkt in het geheel niet dat er sprake was van het aanbieden van ‘extra’ materiaal dat het resultaat was van onafhankelijk onderzoek buiten de Research Agreement om. Gelet op het doel dat AIMM stelt daarmee te hebben willen bereiken, zou echter de verwachting zijn dat AIMM duidelijk zou hebben gemaakt dat zij iets extra’s zonder verplichting daartoe aan Crucell verstrekte. Immers, als het doel was dat Crucell de research van AIMM op waarde zou schatten, zou het voor de hand liggen dat AIMM daar aandacht op zou vestigen en enige reclame voor zichzelf zou maken bij de verstrekking van extra antilichamen. Daarvan blijkt echter niets.

6.5.8.

Sterker nog, Crucell heeft, onderbouwd met e-mail correspondentie tussen partijen (overgelegd als productie 26 zijdens Crucell), betoogd dat het AIMM destijds niet lukte de pool van IgG’s van de pool van IgM’s te scheiden. Van onderzoek dat in praktisch opzicht daadwerkelijk onafhankelijk is uitgevoerd, is derhalve geen sprake geweest.

6.5.9.

Op 1 september 2008 stuurde een van de AIMM Medewerkers het in 2.11 weergegeven overzicht van de antilichamen die AIMM eerder dat jaar aan Crucell had verstrekt. In dat overzicht worden de door AIMM geleverde kruisreactieve IgM en IgG antilichamen door elkaar heen opgesomd, zonder dat daarbij een onderscheid is gemaakt tussen resultaten die in het kader van de Research Agreement zijn geselecteerd en de ‘extra’ resultaten.

6.5.10.

Ook uit een aantal slides van de gezamenlijke presentatie op 23 september 2008 blijkt, dat beide partijen op dat moment vonden dat zowel IgG’s als IgM’s onderdeel waren van hun gezamenlijke researchproject. In de in 2.12.2 en 2.12.3 weergegeven slides van AIMM wordt over beide isotypen gesproken alsof het resultaten van het research project zijn waarbij partijen samenwerkten. Van een apart en zelfstandig onderzoek door AIMM naar IgG’s blijkt niets in die presentatie. In de slides is niet aangegeven dat IgG’s niet onder het onderzoeksproject voor Crucell vielen en uit niets blijkt dat het om ongevraagd verstrekte ‘extra’ resultaten gaat. Dat zou echter wel de verwachting zijn als partijen, althans AIMM, meenden dat het research project waarbij zij samenwerkten alleen betrekking had op IgM’s. Het feit dat beide soorten resultaten gezamenlijk worden besproken in de slides van AIMM vormt derhalve, anders dan AIMM betoogt, een aanwijzing dat er geen onderscheid bestond in de status van beide onderzoeksresultaten binnen het onderzoeksproject dat AIMM voor Crucell uitvoerde.

6.5.11.

Overigens laten de slides van Crucell van diezelfde bijeenkomst (weergegeven in 2.13) zien dat Crucell op dat moment kenbaar maakte dat zij zowel uit de IgM pool als uit de IgG pool antilichamen had geselecteerd voor nadere screening. AIMM was er derhalve in september 2008 ook al mee bekend dat Crucell verder onderzoek deed naar de IgG’s. Het betoog van AIMM dat Crucell dat voor haar zou hebben verzwegen, is derhalve feitelijk onjuist. Deze wetenschap bij AIMM schetst eens te meer dat Crucell zich geen onderzoeksresultaten van AIMM heeft toegeëigend. Als AIMM ten tijde van de presentatie op 23 september 2008 werkelijk van oordeel was dat Crucell er “van door ging” met haar resultaten, zou zij op dat moment wel daarop gewezen hebben.

6.5.12.

Een andere omstandigheid die van belang is bij de uitleg van de overeenkomst is, dat AIMM in 2013 nog nakoming vroeg van betalingsverplichtingen van Crucell op grond van de Research Agreement, omdat zij vernam dat Crucell met het door AIMM geïsoleerde en geïdentificeerde IgG antilichaam CR8020 een ontwikkelingsfase had bereikt die een ‘milestone’ vormde in de zin van de Research Agreement. Deze grondslag van haar nakomingsvordering impliceert dat AIMM op dat moment de Research Agreement ook zo uitlegde dat de IgG antilichamen tot de ‘Research’ resultaten behoorden.

6.6.

Alle in 6.5.1 tot en met 6.5.12 beschreven omstandigheden wegend, kan AIMM naar voorlopig oordeel niet worden gevolgd in haar lezing van de Research Agreement, inhoudende dat de reikwijdte van de ‘Research’ was beperkt tot IgM’s en dat IgG’s daar niet onder vielen. Voor dit voorlopig oordeel is met name doorslaggevend dat nergens uit blijkt dat de IgG’s bij de uitvoering van het project een aparte status hadden: ze zijn samen met de IgM’s aan Crucell geleverd, zonder duidelijk te maken dat dat onverplicht was, dat er sprake was van een afzonderlijk onderzoeksresultaat en (met name) dat Crucell de IgG’s niet mocht gaan gebruiken zonder nadere toestemming van AIMM. Voorts kent de rechtbank bij dit voorlopig oordeel veel gewicht toe aan het feit dat AIMM aanvankelijk nakoming van de overeenkomst vroeg op basis van een ruime uitleg van de reikwijdte van de overeenkomst. De Research Agreement dient derhalve voorshands aldus te worden uitgelegd, dat de overeenkomst tevens betrekking heeft op IgG antilichamen die bij de uitvoering van het onderzoeksproject zijn geïsoleerd en geïdentificeerd.

6.7.

Het gevolg van het voorgaande is dat, als de AIMM Medewerkers de uitvinding hebben gedaan die onderwerp is van de Octrooien en Aanvragen, het recht om daarvoor een octrooi aan te vragen naar voorlopig oordeel op grond van artikel 3.2 van de Research Agreement aan Crucell toekomt. Met andere woorden: Crucell kan aanspraak maken op de Octrooien voor die uitvinding, ook als AIMM zou slagen in het bewijs dat de AIMM Medewerkers de uitvinding hebben gedaan. Dat betekent dat er voorshands geen sprake is van een recht tot opeising, onrechtmatig handelen en/of een toerekenbare tekortkoming van Crucell jegens AIMM. Deze, aan de gestelde aanspraak van AIMM ontleende, rechtsbetrekkingen waarop AIMM zich beroept, zijn voorshands derhalve onvoldoende aannemelijk geworden.

Vermelding van AIMM Medewerkers op de Octrooien

6.8.

Dat brengt de rechtbank bij de andere door AIMM gestelde rechtsbetrekking: het recht van de AIMM Medewerkers om als uitvinder op de Octrooien (en Aanvragen) te worden genoemd. AIMM stelt dat zij dit recht kan inroepen jegens Crucell, omdat zij het overgedragen heeft gekregen van de uitvinders in de in 2.18 beschreven aktes. Dit betoog faalt naar voorlopig oordeel op de volgende gronden.

6.9.

Het recht om als uitvinder op een octrooi te worden genoemd is in artikel 62 EOV opgenomen voor Europese octrooien en gebaseerd op artikel 4ter Unieverdrag van Parijs (UvP). Volgens de octrooirechtelijke literatuur6 is het in artikel 62 EOV bepaalde recht een moreel recht, dat niet kan worden overgedragen. Dat het om een niet-overdraagbaar moreel recht gaat, volgt ook uit het feit dat het recht uitsluitend aan natuurlijke personen toekomt en los staat van de aanspraak op het octrooi.

6.10.

Niet valt in te zien (en dat is door AIMM overigens ook niet gesteld) dat en waarom dit in andere rechtstelsels waarvoor de Octrooien en Aanvragen zijn aangevraagd/gedaan door Crucell anders zou zijn. Dat het recht om als uitvinder genoemd te worden is gebaseerd op artikel 4ter UvP, doet juist vermoeden dat hetzelfde geldt voor andere rechtstelsels.

6.11.

De in 2.18 beschreven overdrachtsakten hebben derhalve niet tot een overdracht van deze morele rechten van de uitvinders kunnen leiden. Daar komt overigens nog bij dat deze rechten niet specifiek in die akten van overdracht zijn genoemd, zodat geenszins aannemelijk is dat het de bedoeling van de AIMM Medewerkers is geweest ook het recht om als uitvinder te worden genoemd, gelet op het karakter ervan, over te dragen aan AIMM.

6.12.

Ter zitting heeft AIMM betoogd dat Crucell het verweer heeft prijsgegeven dat AIMM niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vermelding van de AIMM Medewerkers als (enige) uitvinders. AIMM voert daartoe aan dat zij bij conclusie van repliek in de hoofdzaak in reactie op het niet-ontvankelijkheidsverweer de in 2.18 beschreven akten van overdracht heeft overgelegd en dat Crucell in latere processtukken niets heeft gezegd over die reactie, ook niet dat die akten onvoldoende zouden zijn om het niet-ontvankelijkheidsverweer te ontkrachten.

6.13.

Dat betoog van AIMM slaagt niet. Ook als Crucell dit verweer niet langer zou voeren, volgt uit het hiervoor overwogene omtrent de persoonlijke aard van het recht als uitvinder te worden vermeld, dat de door AIMM gestelde grond om aanspraak te kunnen maken op dat recht daartoe niet kan dienen. Bij die stand van zaken heeft AIMM niet voldaan aan haar stelplicht. Het niet reageren door Crucell op de reactie van AIMM op haar verweer, kan bovendien niet worden gelijkgesteld aan het prijsgeven van een verweer.

6.14.

Ook voornoemde rechtsbetrekking heeft AIMM derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt.

6.15.

Ter zitting heeft AIMM nog aangevoerd dat zij een eigen belang heeft bij (in ieder geval) de verklaring voor recht dat de huidige op de Octrooien en Aanvragen genoemde uitvinders niet de uitvinders zijn. De rechtbank vat deze stelling van AIMM op als een beroep van AIMM dat Crucell met die onjuiste naamsvermelding onrechtmatig jegens haar zou handelen. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Zonder (eigen) aanspraak op de Octrooien en Aanvragen, valt niet in te zien dat AIMM een (eigen) belang heeft bij de in de hoofdzaak verzochte verklaring(en) voor recht over de naamsvermelding op die Octrooien en Aanvragen. Evenmin valt in te zien dat Crucell, bij gebreke van die aanspraak, onrechtmatig jegens AIMM zou handelen. Het betoog van AIMM stuit daarom reeds af op wat onder 6.7 is overwogen.

Slotsom in het exhibitie incident

6.16.

Uit het voorgaande volgt dat aan de vereiste rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv naar voorlopig oordeel niet is voldaan, zodat de vordering tot exhibitie dient te worden afgewezen.

6.17.

AIMM heeft subsidiair nog gevorderd dat de rechtbank bij wijze van provisionele maatregel artikel 22 Rv toepast. Die bepaling geeft de rechtbank een discretionaire bevoegdheid om een partij te bevelen stukken in het geding te brengen. Op dezelfde gronden als hiervoor overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van die bevoegdheid.

6.18.

AIMM zal als de in het ongelijk gestelde partij in dit incident worden veroordeeld in de proceskosten. Crucell heeft een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd. De rechtbank is echter van oordeel dat de procedure in conventie in de hoofdzaak geen procedure tot handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv is. De hoofdzaak betreft de opeising in (mede-) eigendom van de Octrooien en Aanvragen en naamsvermelding van uitvinders. Van een concrete dreiging met handhavingsmaatregelen is onvoldoende gebleken, zodat deze procedure niet als een ‘vooruitgeschoven inbreukverweer’ aangemerkt kan worden. Het verband met een eventuele toekomstige inbreuk is te ver van deze procedure verwijderd. Daarmee is ook het exhibitie incident geen procedure die onder het bereik van artikel 1019h Rv valt. De rechtbank begroot de kosten in het incident derhalve conform het liquidatietarief op (2 punten x tarief II à € 452,- =) € 904,-.

in het incident tot het treffen van een provisionele voorziening

6.19.

De vordering van Crucell is als reconventionele vordering ingesteld, maar in feite is er sprake van een zelfstandig incident tot het treffen van een provisionele voorziening bestaande uit opheffing van het bewijsbeslag gedurende de procedure. Crucell heeft evenwel, ook niet desgevraagd ter zitting, kunnen aangeven welk (spoedeisend) belang zij heeft bij beoordeling van deze vordering, vooruitlopend op de uitkomst in de hoofdzaak. Crucell heeft weliswaar in deze zaak uitgebreid gesteld dat de beslaglegging een ingrijpende gebeurtenis is geweest waarvan zij schade heeft ondervonden, maar zij heeft niet gesteld dat zij aanvullende schade lijdt door het voortduren van het bewijsbeslag en de bewaarneming totdat in de hoofdzaak is beslist. Gelet op het feit dat bij de beslaglegging kopieën van bescheiden van Crucell zijn gemaakt, die in bewaring zijn gegeven aan een bewaarder, valt ook niet in te zien dat zij aanvullende schade zou lijden ten gevolge van het voortduren van het bewijsbeslag gedurende de hoofdzaak. Gelet op dit één en ander, is er onvoldoende grond voor opheffing van het bewijsbeslag bij wijze van provisionele maatregel.

6.20.

Crucell zal als de in het ongelijk gestelde partij in het incident tot opheffing van het beslag worden veroordeeld in de kosten van AIMM. Op dezelfde gronden als hiervoor in 6.18 overwogen, zal de rechtbank die kosten begroten op grond van het liquidatietarief. De rechtbank begroot de kosten op (2 punt x tarief II à € 452,- =) € 904,-. De daarover gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is eveneens toewijsbaar.

6.21.

AIMM heeft de rechtbank in haar conclusie van antwoord in het incident tot opheffing van het beslag nog verzocht om Crucell te veroordelen in de kosten van het beslag. De vraag wie van partijen veroordeeld dient te worden in de kosten van het beslag vormt onderdeel van het debat in de hoofdzaak, zodat de rechtbank een beslissing daarop in dit stadium van de procedure aanhoudt.

in de hoofdzaak

6.22.

Het in de hoofdzaak bepaalde pleidooi is aangehouden om AIMM in de gelegenheid te stellen bij eventuele toewijzing van het exhibitie incident aanvullend bewijsmateriaal in het geding te brengen voorafgaand aan het pleidooi. Nu de exhibitievordering is afgewezen, kan het pleidooi in de hoofdzaak doorgang vinden. De zaak zal daarom worden verwezen naar de rol van 22 februari 2017 voor opgave verhinderdata voor het pleidooi in de periode april tot en met september 2017.

7 De beslissing

De rechtbank

in het exhibitie incident

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt AIMM in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Crucell begroot op € 904,-,

7.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident tot het treffen van een provisionele maatregel

7.4.

wijst de vorderingen af,

7.5.

veroordeelt Crucell in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van AIMM begroot op € 904,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis,

7.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.7.

verwijst de zaak naar de rol van 22 februari 2017 voor opgave verhinderdata voor pleidooi in de hoofdzaak,

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus, mr. E.F. Brinkman en mr. C.T. Aalbers en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

1 Voor een uiteenzetting van de technische achtergrond van deze zaak wordt verwezen naar onderdeel Fout! Verwijzingsbron niet gevonden..

2 In de conclusies wordt dit een reconventionele vordering in het incident genoemd

3 Vergelijk ten aanzien van inbreuk op een recht van intellectuele eigendom HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem)

4 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)

5 HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx) en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260, NJ 2015/274 (Afvalzorg/Slotereind).

6 Zie Singer/Stauder, The European Patent Convention en Th.C.J.A. van Engelen, onverkoopbare vermogensrechten, Kluwer 2003, blz. 62.