Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11044

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
NL17.6318
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland. Eiser MOB gemeld maar nog in contact met advocaat. Toepassing artikel 4:6 Awb. Geen garantie dat de hier te lande ingediende asielaanvraag in Duitsland verder zal worden behandeld. Risico op bewaring. Onderscheid aanvraag en verzoek om internationale bescherming. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6318


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Wever).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met nummer NL17.6319, plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Uit stukken die verweerder op 23 augustus 2017 heeft overgelegd, blijkt dat eiser door de Vreemdelingenpolitie en Centraal Orgaan opvang asielzoekers is gemeld als met onbekende bestemming vertrokken. Eisers gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting echter uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij nog in contact staat met eiser en hem nog steeds bijstaat. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen en neemt daarom aan dat eiser nog immer belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.

2. Op 12 juli 2017 heeft eiser de huidige aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eisers eerdere aanvraag van 10 oktober 2016 is niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de huidige, opvolgende aanvraag niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daaraan is ten grondslag gelegd dat de Duitse autoriteiten een verzoek om eiser terug te nemen hebben geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) en dat niet is gebleken van nova voor wat betreft het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag.

4. Niet in geschil is dat de Duitse autoriteiten volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zijn voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.

5. Eiser voert aan dat de Duitse autoriteiten weliswaar hebben toegezegd hem te zullen terugnemen, maar dat niet is gebleken van de garantie dat zij de hier te lande ingediende asielaanvraag verder zullen behandelen. Dit heeft volgens eiser tot gevolg dat hij het Duitse grondgebied als illegaal binnenkomt en daardoor het risico loopt om in bewaring te worden gesteld. Nu dit zijn belangen schaadt, meent eiser dat verweerder in deze omstandigheden ten onrechte geen aanleiding heeft gezien zijn asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.

6. De rechtbank is van oordeel dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de naar nationaal recht ingediende asielaanvraag en het verzoek om internationale bescherming als bedoeld in de Dublinverordening. Anders dan eiser stelt, volgt uit de Dublinverordening niet de verplichting voor een lidstaat om een naar het nationale recht van een andere lidstaat ingediende asielaanvraag verder te behandelen. Uit deze verordening volgt slechts dat de overgedragen vreemdeling recht heeft op de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Niets staat eraan in de weg om die behandeling vorm te geven in het kader van een nieuwe asielaanvraag volgens het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

7. In eisers geval is het terugnameverzoek geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Daarom dient ervan uit te worden gegaan dat eiser zijn eerder in Duitsland gedane verzoek om internationale bescherming heeft ingetrokken. Het bepaalde in het tweede lid van dat artikel brengt mee dat eiser bij terugkeer in Duitsland in de gelegenheid dient te worden gesteld om te verzoeken dat dit verzoek alsnog verder wordt behandeld, dan wel om een nieuw verzoek om internationale bescherming in te dienen. Eiser heeft niet geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten zich niet aan deze verplichting zullen houden.

8. Het feit dat de Duitse autoriteiten met terugname van eiser akkoord zijn gegaan, brengt verder mee dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit kan worden gegaan dat eiser niet onrechtmatig in bewaring zal worden genomen. Eiser heeft niet geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders zou zijn. Evenmin is aannemelijk dat eiser in Duitsland geen mogelijkheid zou hebben om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de eventuele beslissing tot bewaring.

9. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat geen grond bestaat om anders te oordelen dan in de vorige asielprocedure, zodat terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is besloten om ook deze opvolgende asielaanvraag niet in behandeling te nemen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.