Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
NL17.6080
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Beroep op zienswijze tardief

- Intrekken voornemen

- Refugié sur place

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6080


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. C.G. Matze),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afwezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.6081, plaatsgevonden op 17 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 12 november 2015 een asielaanvraag ingediend.

2. Naar aanleiding van eisers asielrelaas heeft verweerder op 22 maart 2017 een voornemen uitgebracht. Op 11 mei 2017 heeft verweerder dit voornemen ingetrokken en een nieuw voornemen uitgebracht. In dit voornemen heeft verweerder de volgende elementen in het asielrelaas van eiser onderscheiden:

- Eiser heeft verklaard dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedatum] te Khafajiya in Iran, dat hij de Iraanse nationaliteit bezit en tot de Arabieren behoort.

- Eiser heeft verklaard dat hij op het Suikerfeest in 2013 is aangehouden wegens het dragen van Arabische kledij. Hij heeft zeven of tien dagen vastgezeten en heeft een verklaring getekend waarin hij beloofde geen Arabische kleding meer te dragen en zich niet met politiek te bemoeien.

- Eiser heeft verklaard dat hij in mei 2014 is aangehouden op verdenking van het voorlichten van anderen over Ahwaz. Eiser is dertig dagen vastgehouden en vermoedelijk vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.

- Eiser heeft verklaard dat hij in maart 2015 aanwezig was bij een voetbalwedstrijd in het Ghadir stadion, alwaar hij in Arabische kledij en met de vlag van Ahwaz voor de camera’s is gaan zitten om Ahwaz op de kaart te zetten.

- Eiser heeft verklaard dat er in zijn huis een week na de voetbalwedstrijd een huiszoeking heeft plaatsgevonden.

- Eiser heeft verklaard dat hij kort na zijn aankomst in Nederland is bekeerd tot het christendom.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder, de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De overige elementen zijn als niet geloofwaardig aangemerkt. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat niet duidelijk is welke betekenis gehecht moet worden aan de vertalingen van het door hem overgelegde document van 23 juni 2014. Hij heeft verder aangevoerd dat hij zichtbaar politiek actief geworden is in Nederland bij de ADPF Media Centre for Ahwazi revolution (ADPF). Hij heeft gedemonstreerd in Den Haag met vlaggen en politieke leuzen. Daar was pers bij aanwezig. Foto’s met onder andere zijn persoon staan op internet. Deze politieke activiteiten zijn bij de Iraanse autoriteiten bekend geworden. Eiser is daardoor réfugié sur place geworden. Hij verwijst in dit verband naar het algemeen ambtsbericht inzake Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2017.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 31 juli 2017 en de aanvulling van de gronden bij brief van 6 augustus 2017 niet tevens verwezen naar de zienswijzen en al wat door hem eerder in de procedure is aangevoerd. Ter zitting heeft eiser verzocht de zienswijzen in beroep wel als herhaald en ingelast aan te merken. Verweerder heeft zich daarop (primair) op het standpunt gesteld dat dit verzoek tardief is.

De rechtbank zal eiser niet volgen in het ter zitting gedane verzoek om al hetgeen in de zienswijzen is aangevoerd ook als beroepsgronden aan te merken. Verweerder wordt gevolgd in het standpunt dat het verzoek te laat is gedaan en derhalve in strijd met een goede procesorde.

6. Verweerder heeft op 22 maart 2017 een voornemen uitgebracht. Dit voornemen heeft verweerder ingetrokken en vervangen door een voornemen van 11 mei 2017.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank wat eiser heeft aangevoerd over de vertalingen van het door hem overgelegde document aldus dat verweerder het voornemen van 22 maart 2017 niet had mogen intrekken.

7. Uit het voornemen van 11 mei 2017 en de begeleidende brief van die dag blijkt dat de intrekking van het eerdere voornemen heeft plaatsgevonden, omdat de vertalingen die verweerder heeft laten verrichten van het document van 23 juni 2014 een ander licht werpen op de geloofwaardigheid van het incident op het Suikerfeest in 2013. Verweerder was bij het voornemen van 22 maart 2017 uitgegaan van de vertaling van dat document, zoals door eiser is overgelegd bij de correcties en aanvullingen op het nader gehoor. Deze vertaling bleek niet juist te zijn.

8. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat het voornemen van 22 maart 2017 niet had mogen worden ingetrokken is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd is om een voornemen in te trekken. Er is immers geen rechtsregel die verweerder het intrekken van een voornemen verbiedt. Bijzondere omstandigheden waarom het intrekken in dit geval niet had gemogen zijn de rechtbank niet gebleken. Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder door zijn handelwijze het verbod van détournement de pouvoir heeft overtreden.

9. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de overgelegde foto’s betrekking hebben op twee demonstraties in Den Haag, waarvan hijzelf er één in februari of maart 2017 heeft bijgewoond. Deze foto’s zijn bekend bij de Iraanse autoriteiten. Daardoor en ook vanwege zijn politieke activiteiten voor de ADPF in Nederland staat hij bij hen in de negatieve belangstelling.

Verweerder heeft vastgesteld dat eiser voorkomt op een deel van de overgelegde foto’s van een demonstratie van Ahwaz in Den Haag. Verweerder heeft blijkens een eigen onderzoek vastgesteld dat eiser op internet niet te vinden is in verband met deelname aan de voornoemde demonstratie en de gestelde politieke activiteiten in Nederland. Daarnaast heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten alle demonstraties buiten Iran bekijken en iedere deelnemer daaraan controleren. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiser vanwege deelname aan één demonstratie en de en gestelde politieke activiteiten in Nederland al in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen refugié sur place is. Dit brengt haar tot het oordeel dat verweerder terecht niet aannemelijk heeft geacht dat eiser vanwege deelname aan een demonstratie en gestelde politieke activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan.

10. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.