Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11042

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 11847
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak. Dublin. Bulgarije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/11847

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. A.W.J. van der Meer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. S. Rennen

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak AWB 17/11848, na een eerdere aanhouding van de zaak ter zitting van 5 juli 2017, plaatsgevonden op 9 augustus 2017.

Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft in Nederland op 12 april 2017 een asielaanvraag ingediend. Op diezelfde datum zijn de vingerafdrukken van eiser naar Eurodac verzonden. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 21 september 2016 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder de Bulgaarse autoriteiten op 24 april 2017 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 604/2013 (de Dublinverordening). De Bulgaarse autoriteiten hebben op 2 mei 2017 met dit terugnameverzoek ingestemd. Gelet daarop staat de verantwoordelijkheid van Bulgarije voor de behandeling van eisers asielaanvraag vast.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet zonder nader onderzoek uit heeft kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De asielprocedure en opvangvoorzieningen in Bulgarije bevatten systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie. Eiser wijst ter onderbouwing hiervan op hetgeen hem is overkomen tijdens de eerste dagen in Bulgarije waar hij in detentie is gehouden en is mishandeld. Nu de Bulgaarse autoriteiten hem onmenselijk hebben behandeld, zal klagen over die behandeling bij de Bulgaarse autoriteiten geen soelaas bieden.

Eiser heeft in dat verband gewezen op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Tarakhel tegen Zwitserland (nr. 29217/12 van 4 november 2014) en M.S.S. versus België (nr. 30696/09 van 21 januari 2011), en gesteld dat verweerder individuele garanties had dienen te verkrijgen voor zijn opvang en zorg. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder ingevolge artikel 17 van de Dublinverordening, gelet op zijn medische problematiek, had kunnen besluiten tot het behandelen van het ingediende verzoek op grond van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. Hierin is eiser niet geslaagd.

5. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:885, dat hieruit weliswaar volgt dat de asielprocedure en de leefomstandigheden van asielzoekers in Bulgarije bepaalde tekortkomingen kennen, maar dat hieruit niet volgt dat in de verhouding tot Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit de in die uitspraak aangehaalde rapporten, die de periode tot januari 2017 bestrijken, blijkt juist dat de situatie in Bulgarije verbetert. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat hij na het indienen van zijn asielaanvraag in Bulgarije in detentie terecht is gekomen, overweegt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser over tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Bulgarije behoort te klagen bij de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in dit verband alle hem ten dienste staande mogelijkheden heeft benut. Bovendien blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het claimverzoek van 24 april 2017 dat verweerder de terugname heeft verzocht op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Nu niet gebleken is van een in rechte vaststaand afwijzend besluit op zijn asielverzoek in Bulgarije, en eiser evenmin heeft betoogd dat hiervan sprake is, mag verweerder er van uitgaan dat eiser de asielprocedure mag doorlopen en niet in detentie geplaatst zal worden bij terugkeer. Voor wat betreft de door eiser genoemde arresten inzake Tarakhel tegen Zwitserland en M.S.S. versus België, wijst de rechtbank erop dat die zien op de specifieke situaties in Italië respectievelijk Griekenland en om die reden niet onverkort van toepassing zijn op de situatie in Bulgarije.

6. Tot slot heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat overdracht aan Bulgarije van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder had de aanvraag vanwege eisers medische situatie en eerdere detentie aan zich moeten trekken, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

7. Het beleid dat verweerder in dit verband voert is neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Hieruit volgt dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, Verordening (EU) nr.604/2013, ook al is Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet verplicht.

8. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze bevoegdheid toe te passen, toetst de rechtbank de beslissing van verweerder om deze bevoegdheid wel of niet toe te passen terughoudend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1666).

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd in redelijkheid geen bijzondere individuele omstandigheden aanwezig hoeven te achten, die maken dat overdracht van eiser aan Bulgarije van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft geen (medische) stukken overgelegd die daarvoor aanknopingspunten bieden. Verder heeft eiser, zoals hiervoor onder 5. is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht opnieuw zal worden gedetineerd.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht besloten de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen en eiser over te dragen aan Bulgarije.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.