Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11040

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afghanistan

- minderjarige Hazara

- regio Behsud

- 3 EVRM

- 'death road'

- 15c

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/6010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. S. Rennen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk Dari is verschenen D. Madjlessi. Verder was aanwezig mw. Mboko, medewerkster bij Stichting Nidos en voogd van eiser.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] en behoort tot de Hazara bevolkingsgroep. Op 17 december 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 2 februari 2017 (AWB 16/21186) van deze rechtbank en zittingsplaats is het beroep gegrond verklaard, omdat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser als Hazara veilig kan reizen naar zijn gebied van herkomst na uitzetting naar Afghanistan. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in zijn zienswijze van 16 juli 2016 aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan vanaf Kabul via de zogenoemde ‘death road’ naar het oorspronkelijke woongebied van zijn ouders moet reizen in de provincie Maidan Wardak, district Behsud. Onder verwijzing naar verschillende rapportages heeft eiser betoogd dat hij tijdens deze reis een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelet op vele aanvallen op Hazara’s door de Taliban op deze route.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser via een andere route dan ‘death road’ kan reizen naar zijn herkomstgebied. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser per vliegtuig vanuit Nederland naar Kabul in Afghanistan kan reizen en dat hij vervolgens per vliegtuig van Kabul naar Bamyan kan reizen. Vanaf Bamyan kan eiser door de provincie Bamyan reizen naar de provincie Maidan Wardak, waarbij het district Markazi Behsud direct kan worden ingereisd. Gelet daarop is reizen door niet-Hazaragebied niet noodzakelijk.

Eiser gaat dan alleen door relatief veilig gebied. Uit het EASO-rapport “Afghanistan Security Situation” van november 2016 blijkt dat Bamyan “a relatively peaceful and a stable province” is (pagina 67) en dat zich tussen 1 september 2015 en 31 mei 2016 nul veiligheidsincidenten hebben voorgedaan in Behsud (pagina 59).

Tot slot heeft verweerder gesteld dat eiser nooit in Afghanistan is geweest en hij in feite geen herkomstgebied heeft. Eiser zou zich overal in Afghanistan kunnen vestigen waar Hazara’s geen kwetsbare minderheid of risicogroep vormen, zoals bij voorbeeld Kabul.

Dat eiser een alleenstaande minderjarige vreemdeling is, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft daarbij verwezen naar zijn besluit van 23 augustus 2016 en de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 2 februari 2017.

4. Eiser heeft aangevoerd dat zich in Afghanistan een uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw bescherming biedt.

Uit de overgelegde stukken volgt volgens eiser dat niet langer kan worden uitgegaan van de informatie in het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van november 2016, omdat de situatie nadien ernstig is verslechterd.

Eiser heeft aangevoerd dat het voor hem niet veilig is om terug te keren naar Afghanistan, omdat hij niet naar het oorspronkelijk woongebied van zijn familie kan reizen. Volgens het voornoemde ambtsbericht zijn vooral de wegen tussen Kabul en Ghazni, Daikundi en Bamyan zeer gevaarlijk. Dit houdt in dat niet alleen “death road’ gevaarlijk is maar dat alle wegen die vanuit Kabul naar het oorspronkelijk woongebied van eisers familie gaan onveilig zijn. Dit volgt ook uit het rapport van de UNHCR van december 2016 en de e-mail van Melissa Chiovenda Kerr, opgenomen in het rapport van ACCORD van 2 september 2016. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser vanuit Bamyan veilig naar Behsud kan reizen. In het voornoemde EASO-rapport van november 2016 staat op pagina 63 vermeld dat de toenemende instabiliteit een bedreiging vormt voor de provincie Bamyan en op pagina 52 tot 56 staat vermeld dat Wardak een instabiele provincie is met veel veiligheidsincidenten. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn individuele omstandigheden niet heeft betrokken bij de beoordeling of hij veilig kan reizen en veilig het oorspronkelijk woongebied van zijn ouders kan bereiken. Eiser heeft daarbij verwezen naar een Nederlandse vertaling van een uitspraak van 17 maart 2017 van een Zweedse rechtbank, waarin is geoordeeld dat Hazara-minderjarigen zonder sociaal netwerk een risico op schending van artikel 3 van het EVRM lopen bij terugkeer naar Afghanistan.

Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij zich als minderjarige Hazara zonder enig sociaal netwerk en kennis van omgangsvormen in Afghanistan, niet veilig in Kabul kan vestigen.

5. In het verweerschrift van 26 juli 2017 heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft daartoe verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1040, rechtsoverweging 8 waarin de Afdeling overweegt dat de vraag via welke route een vreemdeling in zijn herkomstgebied kan komen in het kader van de asielaanvraag niet aan de orde is. Secundair heeft verweerder verwezen naar het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. De rechtbank ziet, gelet op het procesverloop en de rechtsoverweging 14 van haar eerdere uitspraak van 2 februari 2017, geen aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich in Afghanistan, geen uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw bescherming biedt. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 2 februari 2017, rechtsoverweging 12, waarin is geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld. Uit de door eiser aangehaalde stukken, voor zover niet al bij de voormelde uitspraak betrokken, blijkt niet dat de algehele situatie dusdanig is verslechterd dat kan worden geoordeeld dat de mate van willekeurig geweld in Afghanistan dermate hoog is dat een burger van Afghanistan die daarnaartoe terugkeert, reeds door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser ingebrachte informatie weliswaar naar voren komt dat de situatie in Afghanistan bijzonder zorgelijk is, maar niet dat de algehele situatie dusdanig ernstig is dat er thans dient te worden gesproken van een de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw bedoelde bijzondere situatie.

8. Met betrekking tot eisers betoog dat het voor hem onveilig is om vanuit Kabul door te reizen naar het district Behsud, overweegt de rechtbank dat uit de door eiser aangehaalde informatie inderdaad blijkt dat onder andere de wegen tussen Kabul en Ghazni, Daikundi en Bamyan voor Hazara’s zeer gevaarlijk kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij ook daadwerkelijk alleen via deze routes zijn herkomstgebied zou kunnen bereiken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser de mogelijkheid heeft te vliegen van Kabul naar Bamyan en dat eiser van daaruit veilig naar het Behsud district kan reizen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze reisroute niet veilig is. Uit het EASO-rapport van november 2016 blijkt immers ook dat de provincie Bamyan en het district Behsud in de provincie Wardak relatief rustig zijn. Dit wordt eveneens gemeld in de e-mail van Melissa Chiovenda Kerr in het ACCORD-rapport van 2 september 2016.

9. Verder is de rechtbank van oordeel dat het beroep op de uitspraak van de Zweedse rechter en het ontbreken van een sociaal netwerk faalt. In de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 2 februari 2017 is al overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Afghanistan in het geheel geen familieleden wonen en dat het ontbreken van een sociaal netwerk geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak in rechte vaststaat. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bespreking van het UNHCR-rapport van december 2016, waarin de UNHCR de aanbeveling heeft gedaan dat bij het tegenwerpen van een vestigingsalternatief individueel beoordeeld moet worden of er een sterk sociaal netwerk aanwezig is.

10. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: