Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11036

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
NL17.6909
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin

- Polen

- Afhankelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6909


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening (NL17.6910) ingediend om overdracht hangende beroep te voorkomen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.6910, plaatsgevonden op 30 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Arabi. Tevens waren de zuster en een achterneef van eiseres ter zitting aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Iraakse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum]. Op 14 mei 2017 heeft zij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat de buitenlandse vertegenwoordiging van Polen te Amman (Jordanië) aan eiseres een visum heeft verstrekt. Polen is daarom op grond van artikel 12, vierde lid, van de Verordening EU nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk voor de behandeling van haar asielaanvraag. Op 5 juli 2017 heeft verweerder Polen verzocht om eiseres over te nemen. De Poolse autoriteiten hebben op 21 juli 2017 met dit verzoek ingestemd.

In wat eiseres heeft aangevoerd ziet verweerder geen aanleiding om op grond van artikel 16 of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich te trekken.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij christen is, dat zij afkomstig is uit Mosul en ongehuwd is. Zij verbleef bij haar vader en verzorgde hem. Toen Mosul werd aangevallen door IS, is zij in juni 2014 met haar vader gevlucht. Haar broer en zijn gezin worden sindsdien vermist. Haar vader is na de vlucht overleden. Volgens eiseres is zij toen alleen achtergebleven. Eiseres, die volgens haar verklaring analfabeet is, is vervolgens naar Nederland gekomen omdat haar oudste zuster in Nederland verblijft, haar steunt en haar verzorgt. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar analfabetisme een zware handicap is in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening, dat zij daardoor kwetsbaar is en derhalve op verblijf bij haar zus is aangewezen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. In geschil is de toepassing van artikel 16 en 17 van de Dublinverordening.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening zorgen de lidstaten er,

wanneer wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, een verzoeker afhankelijk is van de hulp van zijn kind dat, broer of zus die of ouder die wettig verblijft in een van de lidstaten of het kind dat, de broer of zus die, of de ouder van de verzoeker die wettig verblijft in een van de lidstaten afhankelijk is van de hulp van de verzoeker, normaal gesproken voor dat de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met dat kind, die broer of zus, of die ouder op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden, het kind, de broer of zus of de ouder of de verzoeker in staat is voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van de Dublinverordening (PB 2003 L 222/3; hierna: Uitvoeringsverordening) worden situaties van afhankelijkheid zo veel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten. Wanneer dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van door de betrokken personen verstrekte overtuigende inlichtingen.

6. Verweerder heeft terecht overwogen dat het analfabetisme van eiseres geen zware handicap is als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening en dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Hoewel het begrijpelijk is dat eiseres bij haar zuster in Nederland wil verblijven, heeft verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat eiseres niet zelfredzaam is en dat ook in ogenschouw dient te worden genomen dat de zus van eiseres al vrij lang in Nederland verblijft. De stelling van eiseres dat de situatie in Polen zodanig van die van Nederland verschilt, dat zij zich als analfabete niet staande zal kunnen houden waardoor zij in een isolement terecht zal komen, is niet zonder meer aannemelijk en door eiseres niet onderbouwd.

Het beroep op artikel 16 van de Dublinverordening faalt.

7. In geschil is verder nog of verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aanleiding had moeten zien de aanvraag van eiseres in behandeling te nemen.

8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening geldt - voor zover van belang - dat elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening kan de lidstaat waarin een verzoek om internationale bescherming is gedaan en die bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is, of de verantwoordelijke lidstaat, te allen tijde voordat in eerste aanleg een beslissing ten gronde is genomen, een andere lidstaat vragen een verzoeker over te nemen teneinde familierelaties te verenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer die laatste lidstaat niet verantwoordelijk is volgens de in de artikelen 8 tot 11 en 16 vastgelegde criteria. De betrokkenen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

In het beleid, dat is neergelegd in paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bepaald dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van in de Dublinverordening neergelegde criteria niet is verplicht. Verweerder gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval in de volgende situaties:

• er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; of

• bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

9. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de combinatie van de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding behoeft te worden gezien om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken. Dat eiseres zich vanuit Polen niet meer met haar familie zou kunnen herenigen, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die maakt dat overdracht aan Polen van een onevenredige hardheid getuigt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van

Mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.