Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:11031

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
NL17.6672
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afghaanse

- Asielaanvraag afgewezen

- Voldoende rekening gehouden met medische omstandigheden tijdens het nader gehoor

- Gestelde bedreigingen door de Taliban en door beschuldiging van brandstichting in een moskee niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht

- Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6672


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Polderman).


Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Wasseghi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft hier te lande in 2011, 2012 en 2013 asielaanvragen ingediend die steeds hebben geresulteerd in overdracht aan Duitsland. In 2014 heeft eiser een asielprocedure doorlopen in Duitsland, waarna hij is uitgezet naar Afghanistan. In datzelfde jaar is eiser weer teruggereisd naar Europa. Op 10 januari 2016 heeft hij, na eerdere asielaanvragen in Griekenland en Hongarije, opnieuw in Nederland asiel aangevraagd. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat het gezin waartoe hij behoorde in 2009, voorafgaand aan zijn eerste vertrek uit Afghanistan, door de Taliban is bedreigd en gedood. Tevens heeft hij daaraan ten grondslag gelegd dat hij in Afghanistan te vrezen heeft voor vervolging omdat hij, na in 2014 door Duitsland te zijn uitgezet, per ongeluk brand heeft veroorzaakt in een moskee.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daaraan is ten grondslag gelegd dat alle elementen van eisers relaas ongeloofwaardig worden geacht, met uitzondering van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Bij dit besluit is tevens bepaald dat aan eiser tot en met 3 november 2017 uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw wordt verleend in afwachting van een medisch advies van Bureau Medische Advisering.

3. In beroep voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen. Daarnaast voert hij aan dat verweerder zijn verklaringen over de bedreigingen door de Taliban en de brand in de moskee ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat hem de gevraagde vergunning op grond van die verklaringen had moeten worden verleend.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Uit het advies aan verweerder van de ‘Forensisch Medische Maatschappij Utrecht Advies B.V.’ van 28 april 2017 blijkt dat bij eiser geen beperkingen zijn vastgesteld voor het afnemen van een gehoor, maar dat wel sprake is van medische klachten. Uit het verslag van het nader gehoor van 28 juli 2017 blijkt dat het gaat om onder meer hoofd- en rugpijnklachten en duizeligheid. Ook blijkt uit dat verslag dat met deze klachten terdege rekening is gehouden. Zo is regelmatig aan eiser gevraagd hoe hij zich voelde en zijn diverse pauzes ingelast. Bij het hervatten van het gehoor heeft eiser desgevraagd steeds bevestigd dat hij het gehoor wilde voortzetten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zijn beoordeling heeft kunnen baseren op de verklaringen zoals eiser die tijdens het nader gehoor heeft afgelegd.

5. Eiser heeft verklaard dat zijn vader militair is geweest bij het Afghaanse leger en dat het gezin door de Taliban is bedreigd en gedood toen hij weigerde om voor hen te gaan werken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader inderdaad voor de Afghaanse overheid werkzaam is geweest. Daarbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eiser slechts summier heeft kunnen verklaren over de werkzaamheden van zijn vader en over de geuite bedreigingen. Hieruit volgt dat verweerder ook terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn vader in de negatieve belangstelling van de Taliban zou hebben gestaan. Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser toentertijd 17 jaar oud was en dat dit niet zodanig jong is dat niet van hem verwacht kan worden om over deze gebeurtenissen gedetailleerder te verklaren. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij bij terugkeer naar Afghanistan persoonlijk te vrezen zou hebben voor de Taliban.

6. Eiser heeft verder verklaard dat hij in 2014 door Duitsland is uitgezet naar Afghanistan en dat hij toen twee weken bij zijn oom in Kabul heeft kunnen verblijven. Hij heeft verder verklaard dat hij toen is teruggereisd naar zijn geboortestreek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat het vreemd is dat hij is teruggekeerd naar de regio waar hij volgens zijn eigen verklaringen niet veilig is voor de Taliban. Met zijn verklaringen dat dit de enige regio is waarmee hij bekend is en dat hij verkleed als vrouw naar een moskee is gegaan waar hij kon onderduiken, is deze ongerijmdheid onvoldoende weerlegd.

7. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij bij het koken op open vuur per ongeluk brand heeft veroorzaakt in de plaatselijke moskee en dat hij daardoor met de dood werd bedreigd door de mullah (geestelijke) en de lokale bevolking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij slechts summier en bovendien tegenstrijdig heeft verklaard over de plaats van deze moskee. Eiser heeft immers enerzijds verklaard dat de moskee in zijn geboorteplaats Sanglakh stond en anderzijds dat het een plaatsje daar vlakbij betrof. Daarnaast heeft eiser nauwelijks de omgeving kunnen beschrijven, terwijl hij naar eigen zeggen jarenlang in het gebied heeft gewoond. Ten tweede heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat de mullah en de bevolking hem onmiddellijk zouden hebben beschuldigd van opzettelijke brandstichting, terwijl hij volgens zijn eigen verklaringen inmiddels een bekende voor hen was en duidelijk zichtbaar moet zijn geweest dat het door eiser gebouwde fornuis de brandhaard was.

8. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers relaas met voornoemde tegenwerpingen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De overweging van verweerder dat geen vervolgingsgrond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen is ingeroepen en dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) is door eiser niet gemotiveerd bestreden. Aldus heeft verweerder met juistheid overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.