Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10993

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
NL17.8282
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin Italië

- Nederland niet verantwoordelijk

- artikelen 9, 16 en 17

- biologische kinderen in Duitsland

- Duitsland mogelijk verantwoordelijk op grond van artikel 9, 3:2 en 3:46

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.8182


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.8183, plaatsgevonden op 21 september 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Oublal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is staatloos en afkomstig uit Raqqa in Syrië. Zij is geboren op [geboortedatum]. Op 9 mei 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiseres de buitengrenzen van de lidstaten op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Verweerder heeft Italië op 30 juni 2017 gevraagd eiseres op grond van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (verder: de Verordening) over te nemen. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Verordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek. Er is volgens verweerder geen sprake van de situatie dat Nederland op grond van artikel 9 van de Verordening verantwoordelijk is, ook is geen sprake van een situatie op grond waarvan Nederland de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 16, eerste lid, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid, van de Verordening aan zich had moeten trekken.

3. Eiseres is van mening dat haar beroep op de artikelen 9, 16 en 17 van de Verordening wel kan slagen. Zij wijst op de omstandigheid dat haar ouders en haar broer allen in Nederland verblijven met een verblijfsvergunning asiel, waardoor Nederland ook voor haar asielaanvraag verantwoordelijk is. Na haar scheiding is zij weer bij haar ouders gaan wonen en maakte zij deel uit van dat gezin. Daarnaast beroept eiseres zich op de waarborgen voor familie- en gezinsleven uit de preambule van de Verordening. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting verklaard dat het beroep op de slechte opvangomstandigheden voor alleenstaande vrouwen in Italië geen zelfstandige betekenis toekomt, maar dat deze omstandigheid betrokken dient te worden bij de beoordeling van de humanitaire clausule.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat haar twee minderjarige kinderen, [kind] ([geboortedatum]) en [kind] ([geboortedatum]) bij haar ex-man in Duitsland verblijven en dat om die reden Duitsland op grond van artikel 9 van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verantwoordelijkheid Nederland:

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 9 van de Verordening niet van toepassing is. Op grond van artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening kunnen ouders en/of een volwassen broer niet worden beschouwd als gezinsleden als bedoeld in artikel 9. Evenmin is gebleken dat er tussen eiseres en haar ouders of haar broer een afhankelijkheidsrelatie bestaat zoals bedoeld in artikel 16 van de Verordening. De enkele stelling dat eiseres deel uitmaakt van het gezin van haar ouders en graag bij hen wil verblijven en dat zij niet in staat is zichzelf zelfstandig staande te houden, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een dergelijke afhankelijkheid.

5. Met betrekking tot het beroep op artikel 17 van de Verordening overweegt de rechtbank dat aan verweerder beoordelings- en beleidsruimte toekomt bij de vraag of er sprake is van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat overdracht van kennelijke hardheid getuigt. De uit de preambule van de Verordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven, waar deze bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, hebben hun weerslag gevonden in de artikelen 9, 10, 11 en 16. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in de uitspraak van 25 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2385), beoogt de Verordening daarnaast wel waarborgen te bieden voor gezinsleden, maar dit noopt verweerder niet zonder meer in gezinsverbanden, die de Verordening in voormelde artikelen niet beoogt te beschermen, aanleiding te zien de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken. In de wens van eiseres, om zich bij haar in Nederland verblijvende familieleden te willen voegen, hoe begrijpelijk ook, noch in de overige door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden, heeft verweerder aanleiding hoeven zien de humanitaire clausule toe te passen.

6. De conclusie is dan ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Nederland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres en dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag van eiseres niet onverplicht aan zich te trekken. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

Verantwoordelijkheid Duitsland

7. Eiseres heeft aangevoerd dat haar minderjarige kinderen in Duitsland verblijven bij haar ex-echtgenoot. Om die reden heeft zij subsidiair gesteld dat Duitsland op grond van artikel 9 van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek.

8. In artikel 9 van de Verordening is bepaald dat wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet, is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

9. Uit de resultaten van 28 mei 2017 van het onderzoek dat de verbindingsambtenaar in Duitsland heeft uitgevoerd, komt naar voren dat de voormalige echtgenoot van eiseres, [voormalige echtgenoot], van Syrische nationaliteit, niet in de Duitse systemen voorkomt. Wel komen de vermoedelijke dochters van eiseres in de systemen voor onder de namen [dochter], geboren op [geboortedatum], en [dochter], geboren op [geboortedatum], beiden afkomstig uit Syrië. Zij zijn op 1 december 2015 Duitsland ingereisd en hebben tot 23 maart 2018 verblijf op grond van nareis. Zij staan niet met een zelfstandige asielaanvraag geregistreerd.

10. De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat het gaat over de dochters van eiseres. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat artikel 9 van de Verordening desondanks niet van toepassing is, omdat de dochters geen internationale bescherming in Duitsland genieten.

11. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Vast staat dat beide dochters in het kader van nareis in Duitsland verblijven. De vraag is of daarmee vaststaat dat zij geen internationale bescherming genieten in Duitsland. Verweerder heeft geen inzicht gegeven in de systematiek van de Duitse vreemdelingenwetgeving. Niet duidelijk is of er in Duitsland sprake is van een met Nederland vergelijkbare situatie waarin aan nareizigers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verstrekt. Van belang is verder de vraag of in Duitsland minderjarigen aan wie in het kader van nareis een verblijfsrecht wordt verstrekt, in staat zijn om daarnaast een zelfstandige asielaanvraag in te dienen. De minderjarige dochters van eiseres waren bij aankomst immers nog slechts 9 en 11 jaar oud, terwijl zij gelet op hun verblijfsrecht niet als alleenstaande minderjarige vreemdelingen kunnen worden aangemerkt. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet zonder meer in te zien dat een persoon met een verblijfsrecht als nareiziger niet geldt als een persoon die internationale bescherming geniet. Omdat concrete informatie over de feitelijke verblijfsstatus van de dochters - in het licht van de Duitse vreemdelingenwetgeving - ontbreekt, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden beoordeeld of eiseres een geslaagd beroep op artikel 9 van de Verordening toekomt.

12. Dat de ex-echtgenoot van eiseres niet in de Duitse systemen voorkomt met de door eiseres genoemde naam tijdens het gehoor, maakt dit niet anders. Niet in geschil is immers dat het gaat om de biologische kinderen van eiseres en dat zij gezinsleden als bedoeld in artikel 9 van de Verordening zijn.

Conclusie

13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3.46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal opnieuw op de aanvraag moeten beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,- (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.