Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10977

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
09-827165-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meermalen seksuele handelingen verricht in het zicht van jonge kionderen die aan het buiten spelen waren in of in de nabijheid van een speeltuintje. Hij heeft door het leggen van contact met de kinderen hen bewogen om getuige te zijn van deze seksuele handelingen. Daarmee heeft hij de grenzen die gelden binnen de maatschappij en het strafrecht overschreden. Jonge kinderen moeten in hun (seksuele) ontwikkeling beschermd worden tegen het zien van seksuele handelingen van anderen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij diverse bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827165-17

Datum uitspraak: 19 september 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1982 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende bij Ipse de Bruggen “De Kijvelanden”, te Portugaal.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 maart 2017 (pro forma) en 5 september 2017 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.H.M. Jager-Huiskens en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. W. van der Voet, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Valeriusstraat, een meisje, genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag 2] 2009), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- aan dat meisje [slachtoffer 1] te vragen of zij een konijntje wilde zien en/of

- ( vervolgens) dat meisje [slachtoffer 1] mee te nemen naar een steegje en/of

- ( vervolgens) in het bijzijn van dat meisje [slachtoffer 1] , zijn ontblote penis te tonen en/of op zijn penis te spugen en/of

- ( vervolgens) dat meisje [slachtoffer 1] bij haar schouder en/of nek heeft vastgepakt;

2.

primair:

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Professor Rutgersstraat, drie meisjes, genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag 3] 2010), [slachtoffer 3] (geboren [geboortedag 4] 2009) en [slachtoffer 4] (geboren [geboortedag 5] 2010), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- die meisjes te benaderen en/of te zeggen "er is een konijn bij de bosjes" en/of "wil je/willen jullie het konijntje zien", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- in het bijzijn van die beide meisjes [slachtoffer 2] en meisje [slachtoffer 4] zijn ontblote, stijve penis te tonen en/of met zijn handen heen en weer gaande bewegingen over zijn piemel te maken;

subsidiair:

hij op of omstreeks 14 juli 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de Professor Rutgersstraat, door zich daar met ontblote en/of stijve, penis te bevinden en en/of met zijn handen heen en weer gaande bewegingen met zijn penis te maken;

3.

primair:

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Van Riebeeckstraat/Falckstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 5] (geboren [geboortedag 6] 2005) en/of een jongen, genaamd [slachtoffer 6] (geboren [geboortedag 7] 2005) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 7] (geboren [geboortedag 8] 2007), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

ten overstaan van die meisjes [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en/of die jongen [slachtoffer 6] van zijn/een fiets te stappen en/of die fiets tegen een hek/schutting te zetten en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en/of die jongen [slachtoffer 6] zijn, verdachtes, ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

subsidiair:

hij op of omstreeks 31 december 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de Van Riebeeckstraat/Falckstraat, door zich daar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden en en/of zwaaiende bewegingen met zijn geslachtsdeel te maken;

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 8 januari 2017 te Vlaardingen,

- op of nabij de Professor Rutgerstraat/Professor Mekelstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 8] (geboren [geboortedag 9] 2009) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 9] (geboren [geboortedag 10] 2008), en/of

- op of nabij de Geert Grotelaan/Coornhertstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 10] (geboren [geboortedag 11] 2011) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 11] (geboren [geboortedag 12] 2011),

waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- tegen die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] te zeggen: "Kijk een dood konijntje" (althans woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] zijn ontblote penis te tonen,

- met zijn/een fiets naar een speelplaatsje te gaan, waar die meisjes [slachtoffer 10] aan het spelen waren en tegen die meisjes [slachtoffer 10] te zeggen:"Kom, ja, kom" en/of "Willen jullie een snoepje" (althans -telkens- woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 10] zijn ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

5.

primair:

hij in of omstreeks 6 mei 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Sweelinckstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 12] (geboren [geboortedag 13] 2008) en/of een meisje, genaamd [slachtoffer 13] (geboren [geboortedag 14] 2009), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- tegen die meisjes [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] , die in een speeltuintje aanhet spelen waren, te zeggen/vragen: "Wil je een konijntje? (althans woorden van gelijke aard en/of strekking) en/of (vervolgens) in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] zijn ontblote penis te tonen en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

subsidiair:

hij op of omstreeks 6 mei 2016 te Vlaardingen de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de Sweelinckstraat, door zich daar met ontblote penis te bevinden en en/of zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

6.

hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2016 tot en met 5 augustus 2016 te Vlaardingen meermalen, althans eenmaal (telkens) de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten op of nabij de Coornhertstraat en/of op of nabij de Vossiusstraat, door (telkens) zich daar toen met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het seksueel corrumperen van minderjarigen (feit 1, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 en feit 5 primair) en/of schennis van de eerbaarheid (feit 2 subsidiair, feit 3 subsidiair, feit 5 subsidiair en feit 6). Verdachte ontkent dat hij de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hij heeft zich verder voornamelijk beroepen op zijn zwijgrecht.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het seksueel corrumperen van minderjarigen, zoals ten laste gelegd onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4. Daarnaast acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 5 subsidiair en feit 6 ten laste gelegde schennis van de eerbaarheid. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – op de gronden zoals in de pleitnota verwoord – vrijspraak bepleit van feit 3 primair, feit 4 voor wat betreft het incident van 30 december 2016, feit 5 primair en subsidiair en feit 6.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de dader slechts wordt beschreven aan de hand van algemene uiterlijke kenmerken en dat het bij het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde vastpakken van het meisje niet volgt uit de bewijsmiddelen, zodat daarvan in ieder geval vrijspraak moet volgen. Ten aanzien van feit 2 (primair en subsidiair) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van zijn sperma op de plaats waar het incident met de meisjes zou hebben plaatsgevonden. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot feit 3 subsidiair en feit 4 voor wat betreft het incident van 8 januari 2017, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Daar waar dit aangewezen is, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Het juridisch kader

Ten aanzien van een deel van de tenlastelegging dient de vraag te worden beantwoord of de daarin beschreven handelingen zijn aan te merken als bestanddelen van artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel stelt het ‘seksueel corrumperen van een minderjarige’ strafbaar. Hiervan is kort samengevat sprake wanneer een minderjarige door de dader er met ontuchtig oogmerk en voor het eigen seksueel gerief van de dader toe wordt bewogen aanwezig te zijn bij seksuele handelingen. Voor ‘bewegen tot’ zijn actieve handelingen van de dader vereist. Het gaat er daarbij om de minderjarige te confronteren met concrete seksuele handelingen. ‘Bewegen tot’ vereist een zeker causaal verband, en minstens voorwaardelijk opzet op de aanwezigheid van de minderjarige ten tijde van het uitvoeren van de seksuele handelingen. Er moet dan ook minstens sprake zijn van enige vorm van (stilzwijgende) uitnodiging aan de minderjarige. Hierin ligt het verschil met de in onderdelen van de tenlastelegging omschreven schennis van de eerbaarheid (artikel 239 Sr).

Seksueel corrumperen (feit 2, primair, feit 1, feit 3, primair, feit 4, feit 5 primair)?

Feit 2, primair 1

[aangeefster 1] , de moeder van de minderjarige meisjes [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , heeft in haar aangifte verklaard dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en haar nichtje [slachtoffer 4] op 14 juli 2016 aan het spelen waren in het speeltuintje bij de flat aan de Professor Rutgersstraat te Vlaardingen en dat de meisjes opeens gillend naar haar toe kwamen rennen en vertelden dat er een man stond te plassen en dat er melk uit kwam. Aangeefster heeft iets later de politie gebeld.2

Agenten zijn naar aanleiding van deze melding omstreeks 13.00 uur naar de Professor Rutgersstraat gegaan en hebben daar met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gesproken. Zij vertelden aan de agenten dat ze rond 12:45 uur aan het spelen waren in de speeltuin naast het flatgebouw, dat er een man kwam die hun vertelde dat er een konijntje zat en dat ze even moesten komen kijken; de man liet vervolgens zijn geslachtsdeel zien en was aan het ‘plassen’; de man ‘plaste een soort melk met een licht witte kleur’.

De meisjes gaven het volgende signalement van de man: blank, leeftijd van iemand die net kinderen heeft, kalend met een soort zeer korte stoppels op zijn hoofd, zwarte of bruine broek, werkschoenen, shirt met lange mouwen (mogelijk blauw), fiets met de kleuren wit en zwart.3

[slachtoffer 2] was ten tijde van het incident 6 jaar oud4, [slachtoffer 3] was 7 jaar5 en [slachtoffer 4] was 5 jaar6.

[slachtoffer 2] heeft in het studioverhoor op 4 augustus 2016, samengevat, onder meer verklaard dat:

  • -

    ze met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] aan het spelen was;

  • -

    zij, toen zij de man zag plassen, aan hem vroeg wat hij aan het doen was;

  • -

    de man antwoordde op haar vraag: ‘Ik ben aan het plassen’;

  • -

    het leek op melk wat er uit kwam, soort koemelk;

  • -

    de man in het zwart was, maar ze wist niet meer de kleur van het shirt;

  • -

    zij zag dat hij zijn piemel vasthield;

  • -

    zij zag dat de piemel tot zijn navel kwam;

  • -

    de man had gezegd dat er een konijn was bij de bosjes;

  • -

    ze zag dat de melk op de grond terecht was gekomen;

  • -

    de man een zwarte broek droeg;

  • -

    de man een klein beetje kaal was;

  • -

    de man een klein beetje bruin was;

  • -

    de man zijn piemel vast had met twee handen;

  • -

    ze zag dat de man een klein beetje bewoog met zijn 2 handen bij zijn piemel;

  • -

    de man naar haar keek toen hij zei dat hij aan het plassen was

  • -

    de man na het plassen vroeg of zij naar het konijntje wilde kijken;

  • -

    de man aan [slachtoffer 4] vroeg of zij de konijntjes wilde zien;

  • -

    eerst de melk eruit kwam en hij daarna zij zijn piemel bewoog, loog en wegfietste;

  • -

    zij zijn voorkant zag toen hij aan het plassen was.7

[slachtoffer 3] heeft in het studioverhoor op 4 augustus 2016, samengevat, onder meer verklaard dat:

  • -

    de meneer zijn piemel bewoog;

  • -

    er melk uit kwam;

  • -

    zij aan de man vroeg: "Wat ben je aan het doen."

  • -

    de man hierop antwoordde: "Ik ben aan het plassen";

  • -

    de man tegen haar nichtje had gezegd, dat er een konijntje was;

  • -

    de man zijn twee handen om zijn piemel had en deze omhoog en omlaag bewoog en draaide;

  • -

    zij zag dat er toen druppeltjes uit kwamen;

  • -

    zij zag dat het op de grond terechtkwam en zij dit niet normaal vond;

  • -

    zij zag dat hij geen jas droeg;

  • -

    zij zag dat hij een beetje zwarte schoenen droeg met daarop 2 witte poppetjes afgebeeld;

  • -

    zij zag dat de meneer in eerste instantie met zijn rug naar hun stond gekeerd en zich vervolgens omdraaide in hun richting;

  • -

    zij toen zijn piemel zag;

  • -

    zij zag dat hij daarop ging plassen;

  • -

    zij zag dat de man zich weer omdraaide en zei dat daar een konijn zat;

  • -

    de man vermoedelijk op een meisjesfiets was;

  • -

    zij wist dat daar geen konijntjes waren;

  • -

    haar nichtje [slachtoffer 4] wel ging kijken;

  • -

    de man zijn piemel weer weg deed;

  • -

    de fiets zwart van kleur was.8

Op de stoep ter hoogte van de entree van het appartementencomplex aan de Professor Rutgersstraat, waaraan zich aangrenzend het speelveldje bevindt, is een donkere vlek aangetroffen. De betreffende plaats werd 2 keer bemonsterd op de aanwezigheid van sperma.9

Het NFI heeft deze monsters onderzocht en vastgesteld dat het sperma op deze monsters afkomstig is van verdachte, met een matchkans (naar de rechtbank begrijpt: dat dit sperma afkomstig is van een ander) van kleiner dan 1 op 1 miljard.10

De camerabeelden van de flat waar verdachte destijds woonde ( [adres] in Vlaardingen) zijn bekeken. In het proces-verbaal van bevindingen, waarin stills van de camerabeelden zijn opgenomen, is op foto 11 te zien dat verdachte op 14 juli 2016 om 12:16:39 uur de flat verlaat met een fiets en dat hij gekleed is in een donkere broek met daarop een donker/licht gestreept t-shirt met korte mouwen. De verbalisant die de beelden heeft bekeken ziet verder dat verdachte rechtsaf slaat in de richting van de Professor Rutgersstraat en dat verdachte om 12:22:11 uur met fiets weer terugkomt in de flat.11

De afstand tussen de flat van verdachte en de Professor Rutgersstraat in Vlaardingen bedraagt 180 meter. Dit is 0 minuten fietsen.12

Verdachte ontkent dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij heeft op 16 augustus 2016 bij de politie verklaard dat hij drie keer met een Poolse vrouw, die [naam] heet, seks heeft gehad. De derde keer was volgens verdachte bij de flat aan de Professor Rutgersstraat. Volgens verdachte heeft zich dit ongeveer twee maanden voorafgaand aan het verhoor afgespeeld.

De rechtbank acht dit alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk. De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen sluiten immers niet uit dat de verdachte op het tijdstip van het incident buiten zijn woning was. Daar komt bij dat de verdachte past in het signalement dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gegeven; zwarte broek, een klein beetje kaal en zwarte fiets. Verder heeft de politie onderzoek gedaan naar de identiteit van “ [naam] ”, aan de hand van de door verdachte verstrekte aanwijzingen, maar dit heeft niet tot enig resultaat geleid. Bovendien acht de rechtbank het volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte op exact dezelfde plaats als waar op 14 juli 2016 het sperma met zijn DNA is gevonden, te weten voor de entree van het appartementencomplex aan de Professor Rutgersstraat, seks heeft gehad met [naam] , en dat het sperma dan daar op exact dezelfde plek – afgaande op de verklaringen van verdachte - ongeveer een maand zou zijn blijven liggen.

Dit alles maakt dat de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht. Er is in casu sprake van het in artikel 248d Sr bedoelde causaal verband. Dit is gelegen in het tonen van de penis en het maken van zwaaiende bewegingen met de penis na in de nabijheid van het speeltuintje te zijn gaan staan, waardoor er een directe zichtlijn tussen verdachte en de meisjes moet hebben bestaan, en in het aankijken van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door verdachte en het aanpreken van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (althans één van hen).

De rechtbank stelt op grond van de weergegeven bewijsmiddelen vast dat verdachte tegen de meisjes heeft gezegd dat er een konijn was bij de bosjes en dat hij heeft gevraagd of zij dat konijn wilden zien. Uit de studioverhoren van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] volgt dat de verdachte dit na afloop van de door hem verrichte seksuele handeling aan hun heeft gevraagd. In het proces-verbaal van bevindingen is daarentegen opgenomen dat de meisjes aan de verbalisanten hebben verteld dat de man eerst had gezegd dat er een konijntje zat en dat ze even moesten kijken en dat de man vervolgens zijn geslachtsdeel zou hebben laten zien. De rechtbank kan, gelet op deze discrepantie, niet met zekerheid vaststellen op welk moment verdachte tegenover de meisjes is begonnen over een konijntje. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging, opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, dan ook vrijspreken, nu dit naar het oordeel van de rechtbank weliswaar heeft plaatsgevonden, maar niet kan worden vastgesteld dat dit valt te beschouwen als ‘het bewegen tot’.

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het seksueel corrumperen door in het bijzijn van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn ontblote, stijve penis te tonen en met zijn handen heen en weer gaande bewegingen over zijn piemel te maken.

Feit 1 13

[slachtoffer 1] , ten tijde van het incident 6 jaar oud14, heeft in het studioverhoor verklaard dat zij samen met haar vriendin [betrokkene 1] buiten speelde en dat er toen ineens een man uit het steegje (naar de rechtbank begrijpt: in de Valeriusstraat te Vlaardingen) kwam die zei: “willen jullie een wit konijntje zien?” [slachtoffer 1] en haar vriendin zeiden dat ze dat wel wilden en toen zei de man: “ho, één voor één”. [slachtoffer 1] ging als eerste en toen liet de man zijn piemel zien en hij spuugde er op. Haar vriendin [betrokkene 1] zei toen “je vader!” en toen is zij snel weggerend en de man ook. [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat toen de man tegen haar zei “jij mag eerst”, de man haar aanraakte bij haar linker schouder.

Volgens [slachtoffer 1] had de man een zwarte fiets, zij dacht een mannenfiets, bij zich. De man was kaal en droeg alles zwart; leren jasje, broek en schoenen. De man sprak slecht Nederlands en zei steeds “kom mij na”. Hij zei ook een soort van Turkse woorden.15

De vader van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 13 maart 2016 [slachtoffer 1] en zijn andere dochter kwam ophalen bij de moeder van zijn ex-vrouw. Hij zag het buurmeisje [betrokkene 1] bij de poort staan en hoorde haar zeggen: “ [slachtoffer 1] , je vader komt er aan”. [slachtoffer 1] heeft tegen hem verteld dat de man zijn ding uit zijn broek haalde en er op ging spugen. Daarna vertelde [slachtoffer 1] dat ze één voor één met die man mee mochten gaan om naar zijn konijntje te kijken en dat zij als eerste was meegegaan. De vader van [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat hij de man heeft gezien en dat hij kaal was en een zwarte leren jas droeg.16

De afstand tussen de flat waar verdachte destijds woonde en de Valeriusstraat in Vlaardingen bedraagt 2 kilometer. Dit is 6 minuten fietsen.17

De rechtbank is van oordeel dat het signalement dat [slachtoffer 1] en haar vader hebben gegeven van de man past bij dat van verdachte. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat de man gevraagd heeft of ze een konijntje wil zien, overeenkomt met de gang van zaken bij het bewezen verklaarde feit 2. Verdachte heeft daar immers ook aan de meisjes gevraagd of zij naar een konijntje wilden kijken. In samenhang met het signalement van verdachte, de locatie en de aard van de ontuchtige handelingen, ziet de rechtbank hierin bewijs voor het tenlastegelegde feit.

De rechtbank acht, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Feit 3, primair 18

[aangeefster 2] , de moeder van de toentertijd 11-jarige [slachtoffer 6] en de 9-jarige [slachtoffer 7] , heeft in haar aangifte verklaard dat [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en nog een paar kinderen op oudejaarsdag buiten aan het spelen waren aan de achterkant van haar huis aan de Riebeeckstraat te Vlaardingen. De kinderen kwamen binnen stormen en [slachtoffer 7] vertelde haar dat er een kinderlokker was die zijn piemel/pik liet zien. Het buurmeisje [betrokkene 2] had toen tegen die man geroepen: “Ga weg, wat doe je nu, ga weg hier”. [slachtoffer 6] keek nog een keer naar de man en zag toen dat die man met zijn piemel aan het spelen was.

De kinderen hebben vervolgens in de tuin gespeeld en zijn daarna weer naar het muurtje bij het huis van [slachtoffer 5] gaan spelen.19

[slachtoffer 5] , ten tijde van het incident 11 jaar oud20, heeft in het studioverhoor, samengevat onder meer verklaard dat zij op oudejaarsdag met vrienden, waaronder [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] , buiten in de buurt van haar woning aan het spelen was. Zij was naar het toilet geweest en hoorde van haar vrienden dat er een man was geweest die zijn piemel had laten zien. Een kwartiertje later kwam er een man aanfietsen en haar vrienden zeiden dat dit dezelfde man was. De man stopte en keek om zich heen. De man zag de kinderen zitten. Hij keek naar de kinderen en haalde zijn piemel uit zijn broek en liet die zien. Hij zwaaide heen en weer en maakte rondjes met zijn piemel. [slachtoffer 5] heeft dit stiekem gefilmd met haar telefoon. Zij heeft dit filmpje om 13.13 uur aan haar vader laten zien.

[slachtoffer 5] heeft verder verklaard dat de fiets van de man turquoise/blauw was.21

De vader van [slachtoffer 5] heeft verklaard dat het incident heeft plaatsgevonden bij de achterkant van de tuin van zijn huis en dat dit de Falckstraat is. Nadat hij het filmpje dat [slachtoffer 5] had gemaakt had bekeken, heeft hij om 13.24 uur de politie gebeld.22

Op het filmpje dat [slachtoffer 5] heeft gemaakt ziet de verbalisant dat een man zijn blote geslachtsdeel vasthield met zijn rechterhand, dat hij met de duim van zijn linkerhand zijn broeksband omlaag hield en dat de man met zijn geslachtsdeel een draaiende beweging maakte. Verder is te zien dat aan de zijgevel van de woning een damesfiets stond met een lila/paars frame.23

Verdachte wordt door agent [verbalisant 1] herkend als de persoon die te zien is op het filmpje dat [slachtoffer 5] heeft gemaakt. De agent kent verdachte vanuit zijn wijkwerkzaamheden als wijkagent.24

De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] herkennen verdachte ook als de persoon die te zien is op het filmpje. Verdachte is in hun bijzijn op 15 augustus 2016 aangehouden en [verbalisant 3] heeft verdachte later ook nog gehoord.25

Er is onderzoek gedaan in de kelderbox van de woning van verdachte en daar wordt een blauw/paarse damesfiets aangetroffen, die zeer sterk lijkt op de fiets die op het filmpje is te zien. De vader van verdachte heeft verklaard dat dit de fiets van verdachte is.26

De camerabeelden van de flat waar verdachte destijds woonde zijn bekeken. In het proces-verbaal van bevindingen, waarin stills van de camerabeelden zijn opgenomen, is te zien dat verdachte op 31 december 2016 om 11:21:48 uur de flat verlaat, dat hij gekleed was in een zwarte jas, zwarte broek, zwarte schoenen en een muts en dat hij een rugzak droeg. Om 11:35:05 uur komt hij terug in de flat. Verdachte verlaat de flat dan weer om 11:51:56 uur en komt om 11:57:21 uur weer terug in de flat. Om 12:56:06 uur komt verdachte geheel in het zwart gekleed via de trap naar beneden en loopt richting de keldergang. De verbalisant ziet dat verdachte op de fiets is en dat verdachte om 13:45:07 uur weer terug komt in de flat.27

De rechtbank acht, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht en dat verdachte [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van deze handelingen. De enkele omstandigheid dat verdachte volgens de verklaring van de moeder van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] geen oogcontact met de kinderen heeft gemaakt, staat niet aan de bewezenverklaring van dit feit in de weg. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte twee keer achter elkaar op dezelfde plek is geweest. De eerste keer dat verdachte ter plaatse was, is er wel contact is geweest met één van de aanwezige kinderen. Verdachte gaat vervolgens weer terug gaat naar deze plek waarvan hij weet dat daar kinderen (kunnen) zijn. Hij kijkt vervolgens de kant van de kinderen op voordat hij zijn seksuele handelingen verricht. In al deze omstandigheden ziet de rechtbank een (stilzwijgende) uitnodiging van verdachte aan de minderjarigen, zodat van ‘bewegen tot’ kan worden gesproken.

Feit 4 28

Incident 30 december 2016

[slachtoffer 8] , ten tijde van het incident 7 jaar oud29, heeft in het studioverhoor verklaard dat zij met haar vriendinnetje [slachtoffer 9] in de kerstvakantie buiten aan het spelen was en dat een man hen had aangesproken bij een andere flat, bij de Telder. De man riep: ‘Kom, kom, dode konijn, dode konijn’ en de man wenkte daarbij met zijn hand, waardoor [slachtoffer 8] dacht dat ze hem moest volgen. Ze waren een stukje met de man meegelopen naar een glazen lift. Daar had de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek gehaald waarna hij er mee ging ‘wieberen’; heen en weer schudden. Het was een heel lang geslachtsdeel. De man was blank en droeg een zwarte jas en een donkerblauwe spijkerbroek. Ook droeg hij een ouderwetskleurige rode muts. Hij had verder een zwarte spikkelbaard, was ongeveer 35 jaar oud, ongeveer 1.73 meter lang, had donkerbruine ogen en een gewoon postuur. De man had een zwarte fiets bij zich30.

De vader van [slachtoffer 8] heeft in zijn aangifte verklaard dat [slachtoffer 8] de man eerst had zien fietsen bij het wijkgebouw de Telder aan de Professor Telderstraat te Vlaardingen, dat zij onder de balkons van de flats aan de Professor Mekelstraat was gelopen, de Professor Rutgerstraat was in gelopen en dat ter hoogte van de hoofdingang van de flat aan de Professor Mekelstraat de man stond. Het incident heeft op 30 december 2016 tussen 12.00 uur en 12.30 uur plaatsgevonden.31

[aangeefster 3] , de moeder van de toentertijd 8 jarige [slachtoffer 9] , heeft verklaard dat [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] op 30 december 2016 buiten waren. [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] kwamen bij haar thuis en vertelden haar dat er een man was die zijn piemel liet zien. De man had gezegd: “ kijk een dood konijntje” en toen gingen zij kijken en liet de man zijn piemel zien. Volgens [slachtoffer 9] was de man blank, droeg hij een zwart leren jas, een spijkerbroek en had hij een gekleurde muts op. Hij had een zwarte fiets bij zich.

De meisjes kwamen uit de Professor Telderstraat via de Professor Mekelstraat en het incident heeft volgens aangeefster op de hoek met de Professor Rutgersstraat te Vlaardingen plaatsgevonden.32

De camerabeelden van de flat waar verdachte destijds woonde zijn bekeken. In het proces-verbaal van bevindingen, waarin stills van de camerabeelden zijn opgenomen, is te zien dat verdachte op 30 december 2016 om 11:04:01 uur via de trap in het portiek van de flat komt, dat hij naar de keldergang loopt en dat hij gekleed is in een spijkerbroek, donkergekleurde jas, zwarte schoenen, grijze capuchon en een bordeaux gekleurde muts. Verdachte komt om 12:49:58 uur met een fiets aan zijn hand terug in de flat.33

De moeders van [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] hebben aan hun dochters een foto van een man getoond34, die zij via via hadden gekregen. [slachtoffer 9]35 en [slachtoffer 8]36 hebben verklaard dat dit de man is die zij hebben gezien.

[verbalisant 4] heeft de persoon op de betreffende foto herkend als verdachte. [verbalisant 4] heeft de verdachte op 15, 16 en 17 augustus 2016 gehoord.37

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de herkenning van de verdachte door [slachtoffer 9] , [slachtoffer 8] en door de verbalisant. Op de camerabeelden van de flat is immers te zien dat verdachte op 30 december 2016 vanaf 11.04 uur tot 12.49 uur zijn woning heeft verlaten en een spijkerbroek, donkergekleurde jas en een bordeaux rode muts droeg, hetgeen past in de signalementen die [slachtoffer 8] (de man droeg een zwarte jas, een donkerblauwe spijkerbroek en een ouderwetskleurige rode muts) en [slachtoffer 9] (de man droeg een zwart leren jas, een spijkerbroek en een gekleurde muts) hebben gegeven. De verdediging heeft verder onvoldoende aangevoerd op basis waarvan geconcludeerd moet worden dat de herkenningen onjuist zouden zijn.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 8] dat de man zei “Kom, kom, dode konijn, dode konijn” en de verklaring van de moeder van [slachtoffer 9] dat de man zei: “ kijk een dood konijntje”, overeenkomt met de gang van zaken zoals bij de bewezen verklaarde feiten 1 en 2. Verdachte heeft daar immers ook aan de meisjes gevraagd of zij naar een konijntje wilden kijken. In samenhang met de overige bewijsmiddelen en de aard van de ontuchtige handelingen, ziet de rechtbank hierin bewijs voor het tenlastegelegde feit.

De rechtbank acht, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

Incident 8 januari 2017

Naar aanleiding van een melding dat er twee kinderen van 5 jaar geconfronteerd waren met een toonder, zijn agenten naar de Coornhertstraat te Vlaardingen gegaan. Daar spraken zij met [betrokkene 3] , de vader van [slachtoffer 11] en de oom van [slachtoffer 10] . De vader verklaarde dat de meisjes rond 14.45 uur aan het spelen waren in het speeltuintje gelegen aan de Coornhertstraat in Vlaardingen. Zij zagen dat een man zich ophield in een inham van een portiek gelegen aan het speeltuintje. De man heeft de kinderen benaderd in het speeltuintje en hun een snoepje aangeboden, hetgeen de meisjes hebben geweigerd. De vader heeft verder tegen de agenten gezegd dat de man na een aantal minuten zijn dochter en nichtje weer had benaderd en twee keer zijn broek liet zakken en begon te zwaaien met zijn geslachtsdeel. Volgens de meisjes had de man een zwarte broek en zwarte jas aan en had hij een fiets bij zich.38

[aangeefster 4] , moeder van de toentertijd 5 jarige [slachtoffer 11] en de tante van de toentertijd 5 jarige [slachtoffer 10] , heeft verklaard dat [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] op 8 januari 2017 tussen 14.45 uur en 15.00 uur aan het spelen waren in het speeltuintje in de groenstrook tussen de Coornhertstraat en de Geert de Grotelaan te Vlaardingen. [slachtoffer 11] heeft aan haar verteld dat er een man in de speeltuin was met een fiets en dat hij zei: “kom ja kom”. [slachtoffer 11] wilde niet komen en toen deed de man zijn broek naar beneden. [slachtoffer 11] deed voor hoe de man ter hoogte van zijn kruis stond te slingeren. Dit zou bij de schommels zijn gebeurd. Toen [slachtoffer 11] op het trappetje van de glijbaan stond, was de man weer naar hen toegekomen en had hij weer zijn broek naar beneden gedaan.

[slachtoffer 11] heeft haar verder verteld dat de man een zwarte broek en jas droeg en dat hij een zwarte fiets bij zich had. De man had niet aan ze gezeten, maar wel aan hun gevraagd of ze een snoepje wilden. Dit hadden ze allebei niet aangenomen.

Aangeefster heeft van [betrokkene 4] een foto van een man gekregen en zij heeft deze foto aan [slachtoffer 11] getoond. [slachtoffer 11] zei eerst dat dit de man uit de speeltuin was, maar ging later toch twijfelen. Aangeefster heeft de foto ook aan haar zwager gestuurd en die heeft de foto aan [slachtoffer 10] laten zien. [slachtoffer 10] had gelijk gezegd dat dit de man was.39

[getuige] , wonende aan de Coornhertsstraat te Vlaardingen, heeft nadat haar 11-jarige dochtertje tegen haar had gezegd dat er buiten een vreemde man stond met zijn gulp open waaruit zijn piemel hing, op 8 januari 2017 om 15.23 uur een foto van deze man gemaakt. De man stond ter hoogte van een fiets, bij ondergrondse containers. De man droeg een donkere jas en een bordeauxrode muts. [getuige] heeft de foto van de man op 8 januari 2017 gelijk op de app geplaatst van de VVE van de flat aan de Coornhertstraat.40

Verbalisanten [verbalisant 4] heeft de persoon op de betreffende foto herkend als verdachte. [verbalisant 4] heeft verdachte op 15, 16 en 17 augustus 2016 gehoord.41

De camerabeelden van de flat waar verdachte destijds woonde zijn bekeken. In het proces-verbaal van bevindingen, waarin stills van de camerabeelden zijn opgenomen, is te zien dat verdachte op 8 januari 2017 om 14:16:10 uur via de trap in het portiek van de flat komt, dat hij naar de keldergang loopt en dat hij een bordeaux gekleurde muts op heeft. De verbalisant ziet dat verdachte buitenom in de richting van de Professor Rutgersstraat te Vlaardingen fietst. Verdachte komt om 14:47:59 uur via de keldergang terug in de flat en loopt omhoog. Om 15:23:10 uur loopt verdachte naar de keldergang, hij is in het zwart gekleed en heeft een bordeaux gekleurde muts op zijn hoofd. De verbalisant ziet dat verdachte buitenom in de richting van de Professor Rutgersstraat te Vlaardingen fietst. Verdachte komt om 15:33:01 uur via de keldergang terug in de flat en neemt de trap omhoog.42

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte ten tijde van het incident met [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] alsmede op het tijdstip waarop getuige [getuige] de foto heeft gemaakt, buiten was, donkere kleding droeg en een bordeauxrode muts op had. Deze kledingstukken zijn ook te zien op de foto die getuige [getuige] heeft gemaakt. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte met de fiets zijn woning heeft verlaten, hetgeen eveneens past in het signalement dat [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] van de man hebben gegeven (zwarte jas, zwarte broek en fiets). De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het incident met [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] heeft plaatsgevonden rond hetzelfde tijdstip waarop en op dezelfde plaats waar (Coornhertstraat) de foto door getuige [getuige] is genomen. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de persoon is die [slachtoffer 11] en [slachtoffer 10] in het speeltuintje hebben gezien.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte door de meisjes te benaderen en aan te spreken de meisjes met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van de seksuele handelingen (het tonen van zijn ontblote piemel en het maken van zwaaiende bewegingen met zijn penis). De enkele omstandigheid dat verdachte in dit geval aan de meisjes heeft gevraagd of ze een snoepje willen, hetgeen afwijkt van de modus operandi van de bewezen verklaarde feiten 2 en 1 (het vragen of de meisjes een konijntje wilde zien), doet hieraan, tegenover de reeds genoemde bewijsmiddelen, niet af. Het sluit verdachte geenszins uit.

De rechtbank acht, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5, primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder feit 5 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Schennis van de eerbaarheid (feit 5 subsidiair en feit 6)?

Feit 5, subsidiair

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat het verdachte is die dit feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Feit 6

[aangeefster 5] heeft verklaard dat haar dochtertje [slachtoffer 14] op 6 juli 2016 om 14.16 uur aan het buiten spelen was in het speeltuintje bij de Coornhertstraat te Vlaardingen. [slachtoffer 14] heeft in haar studioverhoor verklaard dat er een vreemde man was die zijn piemel liet zien. Volgens [slachtoffer 14] droeg de man een grijze trui en blauwe spijkerbroek en had hij een fiets bij zich.

Op 13 juli 2016 om 16.00 uur heeft [aangeefster 5] de politie gebeld met de mededeling dat zij dezelfde man in het speeltuintje zag staan en naar haar dochter zag kijken.

[aangeefster 6] heeft op 5 augustus 2016 omstreeks 12.34 uur de politie gebeld met de melding dat haar kleindochter en andere kinderen aan het buiten spelen waren en een man zijn piemel liet zien. Aangeefster heeft de man zien weg fietsen en zag dat hij in het zwart gekleed was en een groene rugzak droeg.

De camerabeelden van de flat waar verdachte destijds woonde zijn voor zowel 6 juli 2016, 13 juli 2016 als 5 augustus 2016 bekeken. De rechtbank constateert dat de camerabeelden van 6 en 13 juli 2016 niet uitsluiten dat verdachte buiten was op de tijdstippen dat [slachtoffer 14] in het speeltuintje was.

De rechtbank stelt verder vast dat in het proces-verbaal van bevindingen, waarin stills van de camerabeelden zijn opgenomen, is vermeld dat verdachte op 5 augustus 2016 om 12:02:32 uur via de trap in het portiek van de flat komt en dat hij toen geen rugzak bij zich had. Verdachte komt om 12:25:17 uur via de keldergang weer terug in de flat en had ook toen geen rugzak bij zich. Verdachte is na 15.56 uur niet meer in de portiek van de flat geweest. [aangeefster 6] heeft echter verklaard dat de man die zij zag wegfietsen een groene rugzak droeg. Dit komt dus niet overeen met datgene wat op de camerabeelden is te zien.

Uit de overige bewijsmiddelen blijken verder geen zodanige specifieke feiten en omstandigheden die overeenkomen met de wel bewezenverklaarde feiten, zodat de modus operandi van de eerder bewezen feiten niet als schakelbewijs gebruikt kan worden voor de hiervoor genoemde incidenten.

Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 13 maart 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Valeriusstraat, een meisje, genaamd [slachtoffer 1] (geboren 24 mei 2009), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- aan dat meisje [slachtoffer 1] te vragen of zij een konijntje wilde zien en

- vervolgens dat meisje [slachtoffer 1] mee te nemen naar een steegje en

- vervolgens in het bijzijn van dat meisje [slachtoffer 1] , zijn ontblote penis te tonen en op zijn penis te spugen en

- dat meisje [slachtoffer 1] bij haar schouder heeft vastgepakt;

2.

primair:

hij op 14 juli 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Professor Rutgersstraat, drie meisjes, genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag 3] 2010), [slachtoffer 3] (geboren [geboortedag 4] 2009) en [slachtoffer 4] (geboren [geboortedag 5] 2010), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- die meisjes te benaderen, en

- in het bijzijn van die beide meisjes [slachtoffer 2] en meisje [slachtoffer 4] zijn ontblote, stijve penis te tonen en met zijn handen heen en weer gaande bewegingen over zijn piemel te maken;

3.

primair:

hij op 31 december 2016 te Vlaardingen, op of nabij de Van Riebeeckstraat/Falckstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 5] (geboren [geboortedag 6] 2005) en een jongen, genaamd [slachtoffer 6] (geboren [geboortedag 7] 2005) en een meisje, genaamd [slachtoffer 7] (geboren [geboortedag 8] 2007), waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

ten overstaan van die meisjes [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en die jongen [slachtoffer 6] van zijn fiets te stappen en die fiets tegen een hek/schutting te zetten en vervolgens in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] en die jongen [slachtoffer 6] zijn, verdachtes, ontblote penis te tonen en zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken;

4.

hij in de periode van 30 december 2016 tot en met 8 januari 2017 te Vlaardingen,

- op of nabij de Professor Rutgerstraat/Professor Mekelstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 8] (geboren [geboortedag 9] 2009) en een meisje, genaamd [slachtoffer 9] (geboren [geboortedag 10] 2008), en

- op of nabij de Geert Grotelaan/Coornhertstraat een meisje, genaamd [slachtoffer 10] (geboren [geboortedag 11] 2011) en een meisje, genaamd [slachtoffer 11] (geboren [geboortedag 12] 2011),

waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, met ontuchtig oogmerk er toe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen door

- tegen die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] te zeggen: "Kijk een dood konijntje" en vervolgens in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] zijn ontblote penis te tonen,

- met zijn fiets naar een speelplaatsje te gaan, waar die meisjes [slachtoffer 10] aan het spelen waren en tegen die meisjes [slachtoffer 10] te zeggen: "Kom, ja, kom" en "Willen jullie een snoepje" (althans -telkens- woorden van gelijke aard en/of strekking) en vervolgens in het bijzijn van die meisjes [slachtoffer 10] zijn ontblote penis te tonen en zwaaiende bewegingen met zijn penis te maken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 197 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Reclassering Nederland, een opnameverplichting bij Ipse De Bruggen en daarna een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Verder heeft de officier van justitie gevorderd een contactverbod op te leggen met de in de ten laste gelegde vermelde minderjarige kinderen voor de duur van maximaal 6 maanden, waarbij er een vervangende hechtenis voor de duur van 1 week wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het noodzakelijk is dat verdachte wordt behandeld en dat de door de officier van justitie geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf niet onredelijk is. De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht te bepalen dat de behandeling bij Ipse De Bruggen maximaal zes maanden zal duren, omdat verdachte anders te lang in het gesloten regime van Ipse De Bruggen moet doorbrengen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft meermalen seksuele handelingen verricht in het zicht van jonge kinderen die aan het buiten spelen waren in of in de nabijheid van een speeltuintje. Hij heeft door het leggen van contact met de kinderen hen bewogen om getuige te zijn van deze seksuele handelingen. Daarmee heeft hij de grenzen die gelden binnen de maatschappij en het strafrecht overschreden. Jonge kinderen moeten in hun (seksuele) ontwikkeling beschermd worden tegen het zien van seksuele handelingen van anderen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor (minderjarige) getuigen een traumatische ervaring kan zijn wanneer zij volkomen onverwacht met een dergelijk handelen worden geconfronteerd. Dat dit in tenminste één van de zaken ook daadwerkelijk het gevolg van verdachtes handelen is geweest, blijkt ook uit de verklaring van de moeder van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1] .

Naast de directe gevolgen voor de kinderen, heeft verdachte met zijn handelen ook voor onrust, onveiligheid en onzekerheid in Vlaardingen gezorgd. Speeltuintjes zijn bij uitstek plaatsen waar kinderen veilig moeten kunnen spelen, en ouders moeten hun kinderen daar ook veilig weten. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte gedateerd 2 maart 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Verdachte is tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis inzake de feiten 1 en 2 echter wel opnieuw de fout in gegaan, hetgeen de rechtbank in het nadeel van verdachte meeweegt in de strafmaat.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport Pro Justitia psychologisch onderzoek van 14 november 2016, opgesteld door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog.

Volgens de psycholoog is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling/geestelijk stoornis in de vorm van lichte zwakzinnigheid, aanpassingsstoornis met depressieve en angstige kenmerken, een psychotisch stoornis en cannabisafhankelijkheid (in remissie).

Verdachte ontkent de ten laste gelegde feiten, zodat niets kan worden gezegd over toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook de risicotaxatie is onvolledig gebleven door de onvolledige forensische beschouwingen. Factoren die volgens de psycholoog risico-verhogend zouden kunnen zijn, zijn de verstandelijke beperking, onrijpe persoonlijkheid en het gebrek aan copingvaardigheden. De hoge leeftijd van verdachtes ouders, hun slechte gezondheid en het sociale isolement van verdachte zijn bijkomende risicofactoren.

De psycholoog uit grote zorgen over verdachte : hij moet zo snel mogelijk in behandeling in het LVB-circuit, waar verdachte kan wonen en werken en uit zijn isolement kan komen. Dit moet voordat zijn ouders, die op leeftijd zijn, komen te overlijden. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, waarbij de reclassering op zoek moet gaan naar een geschikte woonbegeleiding in de zin van een residentiële setting, voor verdachte, zoals Ipse De Bruggen. Deze setting kan dan op termijn de begeleiding van de (verslavings)reclassering overnemen.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de adviezen van Reclassering Nederland van 19 oktober 2016 en van 9 februari 2017. Hierin is onder meer vermeld dat bij verdachte sprake is van een (aanzienlijke) verstandelijke beperking alsmede mogelijk verdere psychiatrische problematiek. Verder is er in het recente verleden sprake geweest van een fors problematisch cannabisgebruik. Verdachte is bekend bij Bouman GGZ en heeft daar wekelijks behandelgesprekken. Hij gebruikt antipsychotica. Na de schorsing van de voorlopige hechtenis in 2016 heeft verdachte zich aan de voorwaarden met betrekking tot het contact met de reclassering gehouden. Geadviseerd wordt om als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een opnameverplichting bij Ipse De Bruggen of soortgelijke instelling op te leggen.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het advies van Reclassering Nederland van 18 augustus 2017, opgesteld door T. Starrenburg, reclasseringsmedewerker. Hierin is onder meer vermeld dat verdachte sinds 10 april 2017 bij de SGLVG (Sterk Gedragsgestoord Licht Verstandelijk Gehandicapt) kliniek van Ipse de Bruggen in de Kijvelanden verblijft. Hij volgt het programma overwegend passief. Hij doet wat hem gevraagd wordt, maar lijkt weinig motivatie voor behandeling te ervaren.

De begeleiders schatten het probleembesef en probleeminzicht in als zeer problematisch. Dit komt voornamelijk door het passief volgen van het programma. Het is belangrijk dat verdachte meer motivatie toont en daardoor meer verantwoordelijkheid kan nemen. Ook zou openheid van zaken over zijn handelen (de feiten) helpen bij inschatten en beperken van recidive. Behandeling om abstinent te blijven en het uitbreiden van de copingvaardigheden zijn nodig om de kans op herhaling en overmatig prikkeling te voorkomen.

Verdachte volgt bij Ipse De Bruggen trainingen en is gestart met een module over middelengebruik. Als hij veroordeeld wordt, moet hij ook starten met SGG (situatie, gedrag, gevolgen). Er is nog geen verlof geweest. Verlof wordt op basis van vooruitgang op de risico taxatie, behandelcommitment en behandelvooruitgang bepaald. Na een eventuele bewezenverklaring, moet er met verdachte over de delicten gesproken kunnen worden waardoor hij openheid hierin kan geven. Dan kan er een risicotaxatie ten aanzien van het recidiverisico gedaan worden. Mocht de rechtbank klinische behandeling opleggen, dan duurt deze ongeveer een jaar. Daarin zal ook seksualiteit en het delict bespreekbaar worden. Na dat jaar is verdachte aangewezen op beschermd wonen met 24 uurs toezicht.

Geadviseerd wordt om het opgestarte traject voort te zetten waardoor er een behandeling gericht op het delict opgestart kan worden en verdachte door kan stromen naar een beschermde/beschutte woonvorm.

Ter terechtzitting heeft de heer T. Starrenburg, reclasseringmedewerker, als deskundige in aanvulling op het advies van de reclassering, verklaard dat hij het afgelopen jaar wel enige vooruitgang heeft gezien bij verdachte, maar dat het erg langzaam gaat vanwege het beperkte leervermogen van verdachte. Het doorstromen naar een begeleid wonen voorziening buiten Ipse De Bruggen is niet onmogelijk, maar zal lang duren. Het is verder van groot belang dat verdachte met de psycholoog van Ipse De Bruggen leert praten over seksuele zaken.

De op te leggen straf

De rechtbank stelt voorop dat de ernst en de frequentie van de feiten oplegging van een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt. Een gedeelte daarvan zal in de vorm van een voorwaardelijke straf worden opgelegd, nu de rechtbank – conform de adviezen – behandeling van verdachte noodzakelijk vindt.

Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 176 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden de door de reclassering geadviseerde meldplicht en opnameverplichting bij Ipse De Bruggen koppelen, zodat verdachte gedurende de proeftijd in een verplicht kader kan blijven werken aan de geconstateerde problematiek en daarna kan doorstromen naar een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank vraagt zich wel af of een behandeling bij Ipse de Bruggen, gericht op seksualiteitsbeleving en delicten, van de grond zal komen. Verdachte is verstandelijk beperkt en het is de vraag in hoeverre hij voldoende leerbaar zal zijn. Het is echter niet aan de rechtbank om op voorhand de duur van een noodzakelijke behandeling te maximeren, zoals de verdediging heeft verzocht. Dat is aan de behandelaars, in overleg met de reclassering. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de reclassering zich rekenschap geeft van de beperkingen van verdachte en dat zij er op zal toezien dat verdachte niet langer dan strikt noodzakelijk in het gesloten regime bij Ipse De Bruggen verblijft. De reclassering kan daarover, zo nodig, overleg voeren met de officier van justitie, om zo nodig te komen tot wijziging of aanpassing van de bijzondere voorwaarden.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat er toezicht moet komen op verdachte om te voorkomen dat hij opnieuw jonge kinderen benadert, is de rechtbank van oordeel dat het door officier van justitie gevorderde contactverbod deze noodzakelijke bescherming niet biedt.

Niet gebleken is dat verdachte weet om welke minderjarigen het in de tenlastelegging gaat, terwijl andere, niet met name genoemde, minderjarigen die bescherming eveneens verdienen.

Ook een andere maatregel op grond van artikel 38v Sr in de zin van een contact- of gebiedsverbod komt de rechtbank op dit moment niet geraden voor, omdat niet voldoende duidelijk is hoe dit geformuleerd zou moeten worden op een zodanige manier dat deze maatregel ook daadwerkelijk gecontroleerd en gehandhaafd kan worden. Het is aan de reclassering om, in het kader van het toezicht, met verdachte afspraken over zijn gedrag te maken, desnoods in overleg met de politie, op het moment waarop verdachte (al dan niet in het kader van verlof) Ipse de Bruggen of een andere setting verlaat.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Vorderingen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]

[aangeefster 1] heeft zich namens haar minderjarige kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 250,-- per kind, te vermeerderen met wettelijke rente, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade.

Vordering [slachtoffer 1]

[betrokkene 5] heeft zich namens haar minderjarige dochter [slachtoffer 1] als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor in totaal € 5.235,87, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering strekt tot vergoeding van zowel materiële schade (€ 737,87) als – bij wijze van voorschot – immateriële schade

(€ 4.500,--).

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Tevens heeft zij verzocht de wettelijke rente toe te wijzen en daarnaast de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie verzocht de materiële schade volledig toe te wijzen en de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 2.000,--. Tevens heeft zij verzocht de wettelijke rente toe te wijzen en daarnaast de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] te matigen. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich voor wat de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht deze te matigen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit 2. De rechtbank acht – gelet op de aard van het feit – aannemelijk dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden, en het gevorderde bedrag acht de rechtbank billijk.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde immateriële schade toekennen, ter hoogte van een bedrag van € 250,-- met betrekking tot [slachtoffer 3] en een bedrag van € 250,-- met betrekking [slachtoffer 2] . De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 juli 2016.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat:

  • -

    i) van een bedrag groot € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 14 juli 2016, ten behoeve van het slachtoffer genaamd
    [slachtoffer 3] ; en

  • -

    ii) van een bedrag groot € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 14 juli 2016, ten behoeve van het slachtoffer genaamd
    [slachtoffer 2] .

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank dat deze met stukken is onderbouwd, en niet is betwist door verdachte. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toekennen, ter hoogte van in totaal € 735,87, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van de vordering, zijnde 22 augustus 2017.

Omtrent de post “immateriële schade” overweegt de rechtbank dat zij aannemelijk acht dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Uit de toelichting bij de vordering en de toelichting ter zitting volgt dat [slachtoffer 1] als gevolg van het ten laste gelegde feit lichamelijk klachten heeft ontwikkeld en lijdt aan posttraumatische stres stoornis, waarvoor zij diverse behandelingen moet ondergaan. Dat het feit voor haar ingrijpende gevolgen heeft gehad, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan.

Bij bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met de schade die de benadeelde partij tot op heden heeft geleden. Er is volgens de toelichting van mr. Oosse nog geen sprake van een medische eindtoestand. De wet voorziet echter niet in het in de strafzaak toekennen van een voorschot op de definitief vast te stellen immateriële schade, zoals door de benadeelde partij gevorderd. Wel kan de rechtbank voor de tot op heden geleden immateriële schade een vergoeding naar billijkheid toekennen, hetgeen een definitieve vaststelling is. Voor het overige acht de rechtbank de vordering niet eenvoudig van aard en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding. In zoverre zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, met de bepaling dat zij haar vordering ter zake kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De vraag moet dan worden beantwoord wat een billijke vergoeding is voor de tot op heden geleden immateriële schade. Uitgangspunt is dat de hoogte van immateriële schadevergoeding naar billijkheid moet worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder het aan de verdachte gemaakte verwijt en de aard en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde. Bij de beoordeling van de hoogte van dit bedrag wordt ook in aanmerking genomen wat door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen wordt toegekend.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het gevorderde smartengeld te matigen en

ter zake van de immateriële schade tot op heden naar billijkheid een bedrag van € 1.500,-- toe te wijzen. De rechtbank zal tevens de gevorderde wettelijke rente daarover toewijzen, nu vast is komen te staan dat die schade met ingang van 13 maart 2016 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] :

  • -

    i) van een bedrag groot € 735,87 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 22 augustus 2017;

  • -

    ii) van een bedrag groot € 1.500,-- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 13 maart 2016.

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële

schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule, zoals door de benadeelde partij verzocht. Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 248d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

ten aanzien van feit 2, primair:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

ten aanzien van feit 3, primair:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

ten aanzien van feit 4, eerste alternatief/cumulatief,:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

ten aanzien van feit 4, tweede alternatief/cumulatief,:

met ontuchtig oogmerk iemand, van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 176 (honderdzesenzeventig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (zestig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Advies & Toezicht Unit 2 Zuid-West, Marconistraat 2 te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd, zo lang als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in een kliniek van Ipse De Bruggen, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven;

- gedurende de proeftijd, op een door zijn behandelaars in overleg met de reclassering te bepalen tijdstip, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
, een bedrag van € 250,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
, een bedrag van € 250,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
:

  • -

    een bedrag groot € 735,87 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 22 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  • -

    een bedrag groot € 1.500,-- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 13 maart 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 14 juli 2016, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente met ingang van 14 juli 2016, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van:

  • -

    een bedrag groot € 735,87 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 22 augustus 2017, en

  • -

    een bedrag groot € 1.500,-- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van 13 maart 2016, ;

ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 32 (tweeëndertig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de betreffende benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding van

€ 1.500,-- zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 2009) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.E. Bierling, voorzitter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

mr. D.M. Drok, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van (i) het proces-verbaal “Blauwe Rex, zaakdossier Rutgersstraat” met het nummer PL 2016230937, van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 148), hierna te noemen: PV1, en (ii) het proces-verbaal “aanbieding zaak Rutger en Valerius” met het nummer PL 2016085230,van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd blz. 149 t/m 167), hierna te noemen: PV2.

2 Proces-verbaal aangifte door [aangeefster 1] , blz. 17 (PV1).

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 1 (PV1).

4 Proces-verbaal aangifte door [aangeefster 1] , blz. 17 (PV1).

5 Proces-verbaal aangifte door [aangeefster 1] , blz. 17 (PV1).

6 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 6] , blz. 48 eerste alinea (PV1).

7 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 34-35 (PV1).

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 40 en 41 (PV1)

9 Proces-verbaal van sporenonderzoek, blz. 6-7 met bijlagen (PV1)

10 Een geschrift, te weten het NFI-rapport van 28 juli 2016, blz. 11-13 (PV1)

11 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 156-157 (PV2)

12 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 121 en 122 (PV1)

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal “zaaksdossier Valerius” met het nummer PL 2016085230, van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 142).

14 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 5] , blz. 4.

15 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , blz. 25, 26, 28 en 31- 35.

16 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , blz. 12 en 13.

17 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 124 en 130.

18 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal “zaaksdossier Falck” met het nummer PL 2017003034, 2016230937, 2017005697, 2016423863, 2017005287, 2017009243, van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 112).

19 Proces-verbaal van aangifte door [betrokkene 7] , blz. 26 en 27.

20 Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 7] , blz. 13.

21 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 5] , blz. 9-11.

22 Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 7] , blz. 15 en 16.

23 Proces-verbaal van bevindingen beschrijving filmpje [slachtoffer 5] , blz. 3 en 4.

24 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 5.

25 Proces-verbaal van herkenning [verdachte] , en de daarbij horende screenshots, blz. 6 en 7.

26 Proces-verbaal van bevindingen fiets, met foto’s, blz. 19-21.

27 Proces-verbaal camerabeelden Falckstraat, met foto’s, blz. 32-37.

28 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal “zaaksdossier Falck” met het nummer PL 2017003034, 2016230937, 2017005697, 2016423863, 2017005287, 2017009243, van de politie eenheid Rotterdam, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 112).

29 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] , blz. 51.

30 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 58 en 59.

31 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] , blz. 52 en 53 en de bijlage op blz. 55.

32 Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 3] , blz. 65-68.

33 Proces-verbaal camerabeelden Mekelstraat, blz. 73-76.

34 Een geschrift, te weten een foto, blz. 70.

35 Proces-verbaal aangifte door [aangeefster 3] , blz. 68.

36 Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 4] , blz. 62-63.

37 Proces-verbaal herkenning verdachte [verdachte] , blz. 71 en de foto op blz. 72.

38 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 86.

39 Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 4] , blz. 89-90 en de foto op blz. 92.

40 Proces-verbaal van verhoor van [getuige] , blz. 93-95 en de foto op blz. 98.

41 Proces-verbaal herkenning verdachte [verdachte] , blz. 71 en de foto op blz. 72.

42 Proces-verbaal camerabeelden Coornhert, blz. 99 en 103- 105.