Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10951

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
NL 17 5815
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afghanistan

- afvallige

- opvolgende aanvraag

- nieuw document

- origineel of kopie?

- verzoek om contra-expertise afgewezen

- geen aannemelijke verklaringen voor niet eerder overleggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.5815

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. H.W.F. Klarenaar

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Janssen

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juli 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. D. Madjlessy is opgetreden als tolk in de Dari-taal.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Afghaanse nationaliteit.

2. Bij besluit van 24 juni 2016 heeft verweerder de eerste asielaanvraag van eiser afgewezen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 26 juli 2016 het beroep tegen het afwijzende besluit ongegrond verklaard (AWB 16/14225). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 24 augustus 2016 deze uitspraak bevestigd (zaaknr. 201605898/1/V2). Daarmee is in rechte vast komen te staan dat eisers asielrelaas, dat hij in 2015 een bijbel heeft gekregen en als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden, niet geloofwaardig is.

3. Op 12 oktober 2016 heeft eiser onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft hij een gestelde originele verklaring met vertaling overgelegd van de volksraad van het district Stalef, provincie Kabul, gedateerd 26 mei 2016. Met deze verklaring wordt volgens eiser bevestigd dat hij tot afvallige is verklaard en dat hij moet worden gestraft.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 18 oktober 2016 blijkt dat het overgelegde document een kleurenkopie betreft en geen origineel, waardoor de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft eiser volgens verweerder verwijtbaar nagelaten het document tijdens zijn eerdere asielprocedure in te dienen, dan wel eerder te vertellen over de inhoud ervan. Daarnaast stelt verweerder dat eiser verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met de inhoud van het document. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij, zelfs indien zou worden uitgegaan van de authenticiteit van het overgelegde document, zijn standpunt handhaaft dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

5. Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat het document een origineel betreft, en geen kopie. De zaak moet daarom worden aangehouden om hem gelegenheid te bieden een contra-expertise te laten uitvoeren. Hierop en op wat eiser verder heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, nu niet gebleken is dat het voor eiser niet mogelijk was het document in de vorige procedure over te leggen, dan wel hier melding van te maken. Het stuk dateert immers van 26 mei 2016, vier weken voor zijn eerste gehoor in de vorige asielprocedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht niet gevolgd heeft in zijn gegeven verklaring voor het feit dat het stuk niet eerder is ingebracht. Eisers verklaring dat contact met zijn moeder niet mogelijk was omdat haar telefoon in het water gevallen was en zij afhankelijk is van haar dochter en schoonzoon, heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht. Dit geldt temeer, nu uit het document zou blijken dat sprake is van levensgevaar. Daarnaast heeft verweerder terecht gesteld dat eiser verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met de inhoud van het document. Zo staat in het document dat er voor de volksraad bewijsstukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat eiser een ongelovige is en dat daarnaast zijn moeder een verklaring hierover heeft afgelegd. Eiser heeft echter verklaard dat er geen bewijsstukken zijn, maar alleen de verklaringen van zijn moeder, oom en tante. Reeds op grond van voorgaande argumenten heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

7. Gelet op wat hiervoor onder 6. is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek aan te houden om eiser in de gelegenheid te stellen alsnog een contra-expertise te laten doen.

8. Ten aanzien van het inreisverbod heeft eiser in beroep volstaan met een verwijzing naar de zienswijze. Nu verweerder daar in het bestreden besluit gemotiveerd op heeft gereageerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.