Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10928

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 30579
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bagdad, sjiiet, doet beroep op 15-c

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2017-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30579

uitspraak van de enkelvoudige van 18 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Boon).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen mevrouw R. Stanley, als tolk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 in Bagdad en heeft de Iraakse nationaliteit.

2. Bij besluit van 12 oktober 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Vervolgens heeft betrokkene op 7 september 2010 een aanvraag voor een asielvergunning voor onbepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 7 juni 2011 afgewezen. Dit besluit is in rechte komen vast te staan. Op 9 oktober 2012 is een bericht van vertrek opgemaakt. Op 15 april 2014 heeft eiser een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 10 juli 2014 afgewezen. Ook dit besluit is in rechte komen vast te staan. Op
25 november 2014 heeft eiser onderhavige, opvolgende asielaanvraag ingediend. In de periode van 16 oktober 2014 tot en met 15 oktober 2015 gold een besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers onder andere afkomstig uit de provincie Bagdad.

3. Aan onderhavige asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat het voor hem, als sjiitische moslim, gevaarlijk is in Bagdad. Ook heeft eiser aan onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij inmiddels een gezin heeft en dat zijn dochter een aangeboren hartafwijking heeft waar ze al meerdere keren aan is geopereerd.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Hieraan heeft verweerder, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Bagdad niet in de weg staat aan de terugkeer van eiser naar die stad. Niet is gebleken van een zodanige en significante wijziging van de veiligheidssituatie in Bagdad, dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (hierna: 15c-situatie).

5. Eiser voert in beroep aan dat de situatie in Bagdad naar zijn mening is verergerd en dat de aanslagen nu (mede) expliciet zijn gericht op sjiieten. Eiser verwijst hierbij naar een nieuwe notitie van het landelijk bureau van Vluchtelingenwerk Nederland van januari 2017 met bijlagen en naar verschillende berichten op een nieuwssite over aanslagen in Irak.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

6.1

Niet in geschil is dat sprake is van een herhaalde aanvraag. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bij uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, heeft geoordeeld dat de bestuursrechter voortaan elk besluit op een herhaalde aanvraag - waarbij die aanvraag niet wordt ingewilligd - overeenkomstig artikel 8:69 van de Awb moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen.

6.2

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in het arrest van 23 augustus 2016 inzake J.K. e.a. tegen Zweden (zaaknummer 59166/12) geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Irak niet zodanig is dat een algemene behoefte bestaat voor internationale bescherming van asielzoekers. Ook verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3084) en van 3 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1744) waarin het oordeel van de rechtbank, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de stad Bagdad niet een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bestaat, is bevestigd. Verder verwijst de rechtbank naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:6629), deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 2 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:6571) en deze rechtbank en zittingsplaats van 18 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:5382).

6.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, mede gelet op de hierboven weergegeven jurisprudentie, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Bagdad, ook voor een sjiiet zoals eiser, geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Hetgeen door eiser is aangevoerd is niet voldoende om anders te oordelen. Uit de genoemde uitspraken volgt dat in het algemeen in Bagdad geen sprake is van een 15c-situatie. Uit het door eiser overgelegde rapport ‘Veelgestelde vragen – Irak – Veiligheidssituatie’ van Vluchtelingenwerk Nederland van 5 januari 2017 met bijlagen, blijkt niet van een recente toename van het geweld in Bagdad, noch van het ontstaan van een specifiek significant gevaar voor sjiieten in Bagdad. Hoewel uit de door eiser in beroep overgelegde stukken blijkt dat de situatie in Bagdad nog steeds ernstig is en er veel aanslagen plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een significante verandering van de veiligheidssituatie in Bagdad op grond waarvan thans wel van een artikel 15c-situatie moet worden uitgegaan. Dat de aanvallen van Islamitische Staat voornamelijk op sjiitische wijken zouden zijn gericht is daarvoor niet voldoende, gegeven het feit dat de stad voornamelijk sjiitisch is. Ook eisers verwijzing ter zitting, naar rechtsoverweging 5.4 van de hierboven genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 juni 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:6629) leidt niet tot een ander oordeel. Dat soennitische wijken minder te maken zouden hebben met bomaanslagen en dat de situatie in verschillende soennitische en gemengde wijken gunstig afsteekt tegen de situatie in sjiitische wijken illustreert dat de situatie in Bagdad ernstig is, maar niet dat er sprake is van een artikel 15c-situatie ten aanzien van sjiieten, zoals eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

6.4

Ten aanzien van het ter zitting naar voren gebrachte standpunt van eiser dat personen die lang weg zijn geweest uit Irak en terugkeren vanuit het Westen of Europa gevaar lopen en doelwit zijn van ontvoering, overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende concreet is om aan te nemen dat eiser bij terugkeer slachtoffer zal zijn van bij artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens EVRM verboden handelingen. Deze grond kan derhalve ook niet slagen.

6.5

Voor zover eiser ter zitting een beroep heeft willen doen op artikel 8 van het EVRM verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 2.7 van de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2012 (201111790/1/V4) in de procedure van eiser omtrent zijn asielaanvraag voor onbepaalde tijd. De scheiding tussen asiel en regulier die uit de systematiek van de Vw 2000 volgt leidt ertoe dat de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 8 van het EVRM, behoudens in het kader van een vergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, dient plaats te vinden in de procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier. Eiser dient derhalve een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier in te dienen indien hij verblijf bij zijn gezin wenst, op grond van artikel 8 van het EVRM.

7. Gelet op al het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.