Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10905

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
AWB 16/9983
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

naturalisatieverzoek afgewezen - beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 8, geldigheid: 2011-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/9983

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Laros).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om hem het Nederlanderschap te verlenen (het naturalisatieverzoek) afgewezen.

Bij besluit van 7 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1966 en dat hij de Guinese nationaliteit bezit. Bij besluit van 10 december 2004 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor het doel ‘verblijf bij partner [partner], geldig vanaf 12 oktober 2004 en laatstelijk verlengd tot 19 september 2014. Op 9 oktober 2012 heeft eiser het onderhavige naturalisatieverzoek ingediend. Bij besluit van 11 november 2014 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 12 oktober 2014.

Op 5 februari 2016 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning. Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfvergunning met terugwerkende kracht vanaf 12 oktober 2004 ingetrokken. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 12 januari 2017 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Op 21 juli 2017 heeft verweerder het besluit van 12 januari 2017 weer ingetrokken en bericht dat er opnieuw op eisers bezwaar zal worden beslist. Diezelfde dag heeft eiser zijn beroep tegen het besluit van 12 januari 2017 ingetrokken.

2.
Verweerder heeft eisers naturalisatieverzoek afgewezen omdat het door hem ter staving daarvan overgelegde paspoort door Bureau Documenten van de IND (Team Onderzoek en Expertise Documenten, TOED) op 14 juni 2013 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus verkregen is geacht, het uittreksel geboorteakte vals en de kopie conform origineel uittreksel geboorteakte frauduleus verkregen. Omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels de daartoe juiste en benodigde documenten, voldoet eiser volgens verweerder niet aan het bepaalde in artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

In het bestreden besluit heeft verweerder tevens overwogen dat er, nu eiser op 5 februari 2016 een voornemen tot intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunningen heeft ontvangen en de aan hem verleende verblijfsvergunning bij besluit van 10 oktober 2016 ook daadwerkelijk met terugwerkende kracht vanaf 12 oktober 2004 is ingetrokken, tevens bedenkingen bestaan tegen verblijf van eiser in Nederland voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de RWN, hetgeen eveneens grond vormt voor afwijzing van zijn naturalisatieverzoek.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de besluitvorming in de naturalisatieprocedure had moeten aanhouden in afwachting van de behandeling van het bezwaar in de procedure tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning. Volgens eiser hangen de gronden waarop zijn naturalisatieverzoek is afgewezen zo nauw samen met de gronden waarop de aan hem verleende verblijfsvergunning is ingetrokken, dat ten onrechte niet de besluitvorming in de verblijfsprocedure is afgewacht. Doordat met de intrekking van het besluit van 12 januari 2017 de intrekkingsprocedure zich weer in de bezwaarfase bevindt, is deze discussie volgens eiser weer opgelaaid.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1032). In deze uitspraak, waarin door de betreffende vreemdeling eveneens werd bepleit dat verweerder ten onrechte niet de uitkomst van de verblijfsrechtelijke procedure heeft afgewacht voordat een beslissing op het naturalisatieverzoek werd genomen, heeft de Afdeling onder rechtsoverweging 3.2. het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 in zaak nr. 200508705/1 terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister gehouden was om het nemen van een besluit in de onderhavige procedure aan te houden totdat in de verblijfsrechtelijke procedure de intrekking van de aan [appellant] verleende verblijfsvergunning in rechte vast zou staan. De enkele omstandigheid dat de verleende verblijfsvergunning is ingetrokken, zodat [appellant] ten tijde van de beslissing op het verzoek niet over een geldige verblijfsvergunning beschikte, leidt immers reeds tot het oordeel dat bedenkingen in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN bestaan en dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister het verzoek terecht op deze grond heeft afgewezen. Dat de minister het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning bij besluit van 5 augustus 2015 heeft ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel, omdat ten tijde van belang niet op voorhand duidelijk was dat de minister een dergelijk besluit zou nemen. (..)”

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in lijn met voornoemde Afdelingsuitspraak op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheid dat ten tijde van het bestreden besluit de verblijfsvergunning was ingetrokken, voldoende reden was voor verweerder om te concluderen dat bedenkingen in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN bestaan en dat verweerder niet heeft hoeven wachten tot deze intrekking in rechte vast zou komen te staan. De beroepsgrond slaagt niet.

5.
Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.