Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10903

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
AWB 16/30492
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag verblijfsvergunning regulier voor verblijf als familie- of gezinslid afgewezen op grond van paspoortvereiste - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/30492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres] zijnde wettelijk vertegenwoordigster van [zoon], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Bozbey),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ ten behoeve van haar zoon [zoon], afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn ter zitting verschenen de vader van [zoon], [vader], en N.H. Idris, tolk.

Overwegingen

1. [zoon] is geboren op [geboortedatum] 2016 in Nederland. Eiseres, zijn moeder, heeft de Somalische nationaliteit en een verblijfsvergunning asiel. [vader], zijn vader, heeft de Ethiopische nationaliteit en geen rechtmatig verblijf in Nederland. Op 14 januari 2016 is [zoon] door [vader] erkend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres geen geldig document voor grensoverschrijding van haar zoon heeft overgelegd en omdat niet is gebleken dat [zoon] niet in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat [zoon] niet valt onder de in paragraaf B1/4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) genoemde categorieën van vreemdelingen die van het paspoortvereiste zijn uitgezonderd, nu zijn vader niet in het bezit is van een verblijfsvergunning en niet is vrijgesteld van het vereiste om over een geldig document voor grensoverschrijding te beschikken. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:706, waaruit volgt dat het niet onredelijk is om, indien één van de ouders van een vreemdeling niet van het paspoortvereiste is vrijgesteld, van die ouder te verlangen dat hij voor zichzelf én voor zijn kind voor de juiste identiteitspapieren zorgt. Volgens verweerder levert het afwijzen van de aanvraag voorts geen schending op van het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel er volgens verweerder sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Somalië uit te oefenen, nu eiseres een asielvergunning heeft, is volgens verweerder niet gebleken dat het gezinsleven niet in een ander land, bijvoorbeeld Ethiopië, kan worden uitgeoefend.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Volgens eiseres is het voor de vader van [zoon] onmogelijk om een paspoort te overleggen. Hoewel hij zich meerdere keren tot de Ethiopische autoriteiten heeft gewend om voor zichzelf een paspoort te verkrijgen en hij ook door de Dienst Terugkeer & Vertrek bij de Ethiopische autoriteiten is gepresenteerd, weigeren de Ethiopische autoriteiten hem een paspoort te verstrekken omdat volgens hen zijn Ethiopische nationaliteit niet vaststaat. Eiseres stelt voorts dat er op 27 december 2016 ook namens [zoon] een paspoort is aangevraagd bij de Ethiopische autoriteiten, maar dat dit niet is verstrekt omdat volgens de Ethiopische autoriteiten ook zijn Ethiopische nationaliteit niet vaststaat. Eiseres stelt verder dat uit de overgelegde geboorteakte van [zoon] blijkt dat hij uit eiseres is geboren en door zijn vader is erkend en dat, nu verweerder de Ethiopische nationaliteit van de vader van [zoon] erkent, daarmee ook de identiteit en nationaliteit van [zoon] vaststaan. Ook gelet hierop wordt [zoon] volgens eiseres ten onrechte het paspoortvereiste tegengeworpen. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1815). Eiseres stelt verder dat de weigering [zoon] een verblijfsvergunning te verlenen in strijd is met artikel 8 EVRM. Volgens eiseres is er sprake van familieleven tussen haar en [zoon] en heeft [zoon] ook twee oudere zussen en een pleegzus in Nederland. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [zoon] en de overige gezinsleden. [zoon] kan volgens eiseres niet naar Ethiopië vertrekken, aangezien de Ethiopische autoriteiten weigeren zijn Ethiopische nationaliteit te bevestigen en zijn vader een laissez-passer te verstrekken. Aangezien eiseres in Nederland een gevestigd leven heeft en haar kinderen hier naar school gaan, kan volgens eiseres ook van haar en de overige gezinsleden niet worden gevergd dat zij zich in Ethiopië vestigen. Terugkeer naar het land van herkomst van eiseres, Somalië, is volgens eiseres ook niet mogelijk, aangezien zij een asielvergunning heeft. Omdat handhaving van het paspoortvereiste betekent dat [zoon] en eiseres van elkaar worden gescheiden, dient het belang van [zoon] volgens eiseres zwaarder te wegen dan dat van Nederland. In dit verband beroept eiseres zich op de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:81). Eiseres stelt verder dat de tegenwerping van het paspoortvereiste getuigt van excessief formalisme, dat de weigering om [zoon] een verblijfsvergunning te verlenen leidt tot schending van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), en dat verweerder ten onrechte niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het geldende beleid heeft afgeweken. Ter nadere onderbouwing heeft eiseres in beroep een schriftelijke reactie op het bestreden besluit van Defence for Children van 6 juli 2017 ingebracht.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat door eiseres eerder een gelijksoortige aanvraag is ingediend ten behoeve van haar dochter [dochter]. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 7 oktober 2015 afgewezen en het daartegen ingediende bezwaarschrift bij besluit van 25 mei 2016 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 8 november 2016 (AWB 16/12497) ongegrond verklaard en deze uitspraak is door de Afdeling op 18 januari 2017 in hoger beroep bevestigd (201609457/1/V1). Nu hetgeen in het kader van de aanvraag ten behoeve van [zoon] door partijen is aangevoerd niet wezenlijk verschilt van hetgeen is aangevoerd in het kader van de eerdere aanvraag ten behoeve van zijn zus [dochter] en nu de rechtbank niet is gebleken dat de relevante wetgeving en het ter zake gevoerde beleid sindsdien zijn veranderd, zal de rechtbank de uitspraak van 8 november 2016 tot uitgangspunt nemen.

4.2.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht de aanvraag heeft afgewezen, omdat [zoon] niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

4.3.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Volgens paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000 wijst verweerder de aanvraag van een hier te lande geboren kind om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij ouder (familie- en gezinslid) niet wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding af wanneer beide ouders in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning en beide ouders zijn vrijgesteld van het vereiste om over een geldig document voor grensoverschrijding te beschikken. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat dit beleid niet onredelijk is. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van 8 augustus 2013 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2013:706).

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen nu [zoon] niet beschikt over een paspoort. Uit het beleid van paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000 volgt dat verweerder in een aantal uitzonderingssituaties het paspoortvereiste niet tegenwerpt. De uitzondering zoals hierboven geformuleerd is in het onderhavige geval niet van toepassing omdat de vader van [zoon] niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning en niet is vrijgesteld van het paspoortvereiste. Met verweerder concludeert de rechtbank voorts dat niet is aangetoond dat het onmogelijk is voor [zoon] om een paspoort te verkrijgen. Verweerder heeft terecht gesteld dat de ouders van [zoon] niet alles hebben ondernomen wat redelijkerwijs van hen kan worden gevergd om in het bezit te komen van een geldig paspoort voor [zoon].

De rechtbank stelt voorop dat de vader van [zoon] niet is vrijgesteld van het beschikken over een paspoort. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid van de vader van [zoon] verwachten dat hij al het mogelijke doet om in het bezit te komen van zijn identiteitspapieren. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 8 november 2016 heeft overwogen kan de vader, gelet op de in die procedure overgelegde verklaringen van de Ethiopische autoriteiten, een paspoort verkrijgen als hij een geboorteakte en documenten die op zijn ouders zien, overlegt. Niet gebleken is dat de vader van [zoon] niet over deze documenten beschikt dan wel kan beschikken. Indien en voor zover de door eiseres in de onderhavige procedure overgelegde verklaring van de Ethiopische ambassade ziet op [zoon] nu daarin wordt gesproken over “[zoon] [naam vader]” en tevens over “her father” en “her Ethiopian Nationality”, overweegt de rechtbank dat op grond van deze verklaring niet kan worden vastgesteld dat het voor vader onmogelijk is gebleken om aan een geldig document voor grensoverschrijding te komen.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat uit de uitspraak van 12 mei 2014 van de Afdeling blijkt dat, nu de identiteit van [zoon] vaststaat, verweerder hem het paspoortvereiste niet langer kan tegenwerpen. In deze uitspraak kwam de Afdeling tot deze conclusie omdat de vader van de vreemdeling eerst een dienstplicht diende te vervullen alvorens een paspoort te verkrijgen en de moeder van de vreemdeling diende mee te gaan naar dat land met als risico dat haar verblijfsvergunning zou worden ingetrokken indien zij meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland zou verblijven. Dat zich ten aanzien van [zoon] vergelijkbare omstandigheden voordoen is niet gebleken. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank daarbij niet ten onrechte op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit van [zoon] met het overleggen van zijn geboorteakte niet zijn komen vast te staan. Ook om die reden kan het beroep van eiseres op voornoemde Afdelingsuitspraak niet slagen.

4.5.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet gebleken is dat het voor eiseres onmogelijk is om een paspoort voor [zoon] te verkrijgen als bedoeld in artikel 3.72 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

4.6.

Het standpunt van eiseres dat de weigering om aan [zoon] een verblijfvergunning te verlenen in strijd is met artikel 8 EVRM, artikel 3 IVRK en artikel 24 van het Handvest en dat de tegenwerping aan [zoon] van het paspoortvereiste getuigt van excessief formalisme, slaagt niet.

4.7.

Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechter dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

Uit het arrest van het EHRM inzake Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 (nr. 47017/09) kan voorts worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden -althans hadden moeten- weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

4.8.

De rechtbank stelt met betrekking tot de gemaakte belangenafweging vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de namens [zoon] aangevoerde belangen heeft betrokken bij de beoordeling of zich een schending van artikel 8 van het EVRM voordoet. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het weigeren van de gevraagde verblijfsvergunning niet in strijd is met het door artikel 8 EVRM beschermde recht op familie- en gezinsleven. Verweerder heeft voorop kunnen stellen dat geen sprake is van inmenging op dit recht omdat de weigering om [zoon] hier te lande verblijf toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van gezins- en familieleven in staat stelde. Verder heeft verweerder in de belangenafweging zwaar gewicht kunnen toekennen aan het feit dat [zoon] tot op heden niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding en dat niet is aangetoond dat [zoon] niet via zijn vader in het bezit kan komen van een paspoort. Uit verweerders belangenafweging blijkt dat hij rekening heeft gehouden met de belangen van [zoon] als jong kind, gelegen in het krijgen van zorg en bescherming van zijn ouders, door te overwegen dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen. Dat eiseres in het bezit is van een asielvergunning maakt niet dat op voorhand aannemelijk is dat zij zich niet kan vestigen in Ethiopië nu haar asielvergunning is verstrekt gelet op de situatie in haar land van herkomst, Somalië. De stelling dat van eiseres en de overige gezinsleden niet kan worden gevergd dat zij zich in Ethiopië vestigen en dat hun toegang en verblijf in dat land niet is gegarandeerd, is niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. Het standpunt dat het gezin, als zij al naar Ethiopië kunnen reizen, in een vluchtelingenkamp terecht zal komen wat zal resulteren in ‘a certain degree of hardship’ is niet onderbouwd en leidt derhalve niet tot een andere conclusie.

4.9.

Wat betreft het beroep van eiseres op de belangen van het kind en in het bijzonder op artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV3716) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangen van [zoon] voldoende in zijn afweging heeft betrokken. Het beroep op artikel 24 van het Handvest leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat die bepaling overeenkomstig artikel 3 van het IVRK moet worden geïnterpreteerd, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld uitspraak van 8 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:416).

4.10.

Het beroep van eiseres op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder slaagt evenmin. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840), moet voor een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb, sprake zijn van omstandigheden die alleen of tezamen in een concreet geval door toepassing van een beleidsregel tot onevenredige gevolgen leiden. De rechtbank is van oordeel dat het handelen door verweerder overeenkomstig de beleidsregels geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting betoogd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als hier bedoeld, nu de inspanningen die van de vader van [zoon] worden verwacht niet onredelijk zijn en nu de onderhavige zaak daarmee niet afwijkt van vergelijkbare zaken waarin van mensen die geen paspoort hebben ook inspanningen worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee genoegzaam gemotiveerd waarom het beroep van eiseres op artikel 4:84 Awb niet slaagt.

4.11.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het tegenwerpen van het paspoortvereiste aan haar zoon [zoon] getuigt van excessief formalisme, nu niet is gebleken dat het verkrijgen van een paspoort voor [zoon] blijvend onmogelijk is.

4.12.

Ten aanzien van de schriftelijke reactie op het bestreden besluit van Defence for Children (DfC) van 6 juli 2017 overweegt de rechtbank het volgende. DfC betoogt allereerst dat verweerder [zoon] ten onrechte het paspoortvereiste tegenwerpt. DfC stelt dat [zoon] ingevolge het geldende beleid wel van het paspoortvereiste moet worden vrijgesteld, nu de verblijfsaanvraag ten behoeve van hem niet door zijn vader maar door zijn moeder is ingediend, die vanwege haar asielvergunning van het paspoortvereiste is vrijgesteld. Verder betoogt DfC dat, indien verweerder volhoudt dat [zoon] niet van het paspoortvereiste kan worden vrijgesteld, hem op grond van artikel 3.23, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000, ontheffing daarvan moet worden verleend, nu het voor zijn vader onmogelijk is om voor zichzelf en [zoon] een paspoort te verkrijgen. DfC stelt voorts dat verweerder, door [zoon] de onduidelijkheid over de nationaliteit van zijn vader tegen te werpen, handelt in strijd met artikel 2 IVRK. Verder stelt DfC dat de identiteit en nationaliteit van [zoon] door overlegging van een geboorteakte al zijn komen vast te staan en dat door verweerder onvoldoende is gemotiveerd waarom desondanks aan het paspoortvereiste wordt vastgehouden. DfC stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er in deze zaak geen aanleiding bestond om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de geldende beleidsregels af te wijken. Volgens DfC heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende onderkend dat de gevolgen van het vasthouden aan het paspoortvereiste voor [zoon], namelijk dat hij met zijn vader naar Ethiopië zal moeten terugkeren en daardoor lange tijd zal worden gescheiden van zijn moeder, onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat het paspoortvereiste dient. DfC stelt verder dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 EVRM. Volgens DfC heeft het bestreden besluit feitelijk tot gevolg dat [zoon] het recht wordt ontnomen om op te kunnen groeien met zijn beide ouders, wat niet in overeenstemming is met het arrest van het EHRM inzake Neulinger en Schuruck tegen Zwitserland. Voortzetting van het gezinsleven in Ethiopië is volgens DfC voorts niet gewaarborgd. Verder betoogt DfC dat jonge kinderen vanwege hun afhankelijkheid en sterke emotionele band met hun ouders extra kwetsbaar zijn voor de negatieve gevolgen van scheiding van hun ouders. Ook dit is in het geval van [zoon] volgens DfC door verweerder onvoldoende bij de besluitvorming betrokken.

4.13.

De rechtbank stelt vast dat DfC geen wezenlijk andere standpunten naar voren heeft gebracht dan die welke door eiseres al eerder naar voren zijn gebracht in het kader van de onderhavige aanvraag ten behoeve van haar zoon [zoon] en haar eerdere aanvraag ten behoeve van haar dochter [dochter]. In reactie op de standpunten van DfC verwijst de rechtbank derhalve naar hetgeen hierboven is overwogen en naar de uitspraak van deze rechtbank van 8 november 2016 (AWB 16/12497), waarbij het beroep van eiseres tegen het besluit tot afwijzing van haar aanvraag ten behoeve van haar dochter [dochter] ongegrond is verklaard. Die uitspraak staat in rechte vast.

Dat het bestreden besluit resulteert in door artikel 2 IVRK verboden discriminatie of bestraffing van [zoon] op grond van omstandigheden die zijn ouders betreffen, volgt de rechtbank niet. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting terecht opgemerkt dat het paspoortvereiste in dit soort zaken voor alle kinderen geldt en dat verblijfsstatus geen onveranderlijk persoonlijk kenmerk is, maar het gevolg van een keuze om zich in een bepaald land te vestigen, waardoor in dat verband minder snel aangenomen wordt dat sprake is van discriminatie of bestraffing zoals het EHRM heeft geoordeeld (Bah tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 56328/07.

5. Het beroep is derhalve ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.