Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1087

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
C/09/514499 / HA ZA 16-818
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intellectuele Eigendom. Niet ingeschreven Gemeenschapsmodel- en auteursrecht. Uitputting in het geval van gezamenlijke rechthebbenden wanneer in verkeer is gebracht in de EER door één houder zonder toestemming van de mede-houder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2017/38 met annotatie van F.W.E. Eijsvogels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/514499 / HA ZA 16-818

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOWER LIVING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. P.A.J.M. Lodestijn te Nijmegen,

tegen

1 [B ] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE KLEINE WINST B.V.,

gevestigd te Oldebroek,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H.J.A.M. Dohmen te Tilburg.

Eisers 1 en 2 zullen hierna [A] en Tower Living genoemd worden en tezamen [A c.s.] (aangeduid in mannelijk enkelvoud). Gedaagden worden afzonderlijk aangeduid als [B ] en DKW, en tezamen als [B c.s.] (in mannelijk enkelvoud).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit

  • -

    de dagvaarding van 24 juni 2016;

  • -

    de op 13 juli 2016 door [A c.s.] in het geding gebrachte producties 1 t/m 8;

  • -

    de op 27 juli 2016 door [A c.s.] als productie 9 in het geding gebrachte akte domiciliekeuze;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 7 september 2016 met producties 1 t/m 12;

  • -

    het vonnis van 28 september 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de op 29 november 2016 ingekomen conclusie van antwoord in reconventie met producties 10 t/m 18;

  • -

    de brief namens [B c.s.] van 30 november 2016 met producties 13 t/m 16;

  • -

    de bij e-mail van 13 december 2016 als productie 17a toegezonden aanvullende proceskostenspecificatie van [B c.s.] ;

  • -

    de per fax bericht van 13 december 2016 toegezonden aanvullende kostenspecificatie van [B c.s.] ;

  • -

    het proces-verbaal van de op 15 december 2016 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tower Living is een groothandel in meubel- en interieurproducten. [A] is directeur van Tower Living en ontwerper van meubels.

2.2.

[B ] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Kolony B.V. (hierna: Kolony), een groothandel in woonaccessoires en decoratieartikelen.

2.3.

DKW drijft een (web)winkel in meubels en woondecoraties. De (indirecte) bestuurder/enig aandeelhouder van DKW is mevrouw [C] , echtgenote van [B ] (hierna: [C] ).

2.4.

[X] CV, tevens handelende onder de naam [handelsnaam X] (hierna: [X] ), is een Indonesische vennootschap die meubels produceert en verhandelt.

2.5.

Op de internationale meubelbeurs IFEX, gehouden in Jakarta in maart 2014, zijn voor het eerst meubels van de zogenaamde Daan-collectie (hierna: de Daan-collectie) aan het publiek gepresenteerd onder de naam “Aimann Collection”. Op de website van [X] ( [website] ) is hierover onder meer vermeld:

In this fair we introduce our new stunning concept design called Aimann collection in rustic modern minimalist. straight line modern look with traditional touch of rattan drawers and distress antique finished on doors. We brought all dining and living furniture sets in this fair. Amazing response from buyer and become our busy days during the fair and this collection being exclusive imp[orted]1 distribute[d] by Tower Living in Holland for the 1st time.”

2.6.

[X] en [A] hebben de Daan-collectie gezamenlijk ontwikkeld. Zij zijn overeengekomen dat zij gemeenschappelijk auteursrecht hebben op de Daan-collectie. In een verklaring van [D] van [X] , op 29 november 2016 aan de advocaat van [A c.s.] toegezonden, is hierover het volgende opgenomen:

You asked me about the ownership of the copyright concerning the Daan Collection.

[[X]] is producing the Brian Collection of Mr. [A] (Tower Living) since 2013. Mr. [A] owns the copyright of the Brian Collection.

In the winter of 2013 Mr. [A] started the development with us of a new collection based on Brian. On behave of [A] , […] also played his part in the design of the new collection. (…)

Because of this joint effort [A] and [[X]] have agreed upon a joint copyright on the Daan Collection.”

2.7.

De Daan-collectie is door Tower Living voor het eerst in het najaar van 2014 op de Nederlandse markt gepresenteerd. Zij distribueert de Daan-collectie aan een geselecteerd netwerk van meubelverkopers dat bekend staat onder de naam Jouw Meubel.

2.8.

In het najaar van 2015 bereikte Tower Living berichten uit de markt dat meubels uit de Daan-collectie door DKW, een niet door [A c.s.] geautoriseerde verkoper, in Nederland werden aangeboden. Bij brief van 9 oktober 2015 heeft (de advocaat van) [A c.s.] DKW onder meer gesommeerd om iedere inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) te staken, om opgaaf te doen van de omvang van de inbreuk en om een onthoudingsverklaring te tekenen. Op 23 november 2015 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [A c.s.] en [B c.s.] (hierna: de vaststellingsovereenkomst). [B ] heeft daarbij – naar ter zitting door [C] is bevestigd – DKW vertegenwoordigd. In de overeenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:

nemen in aanmerking:

dat [A] en Tower Living bij brief van hun advocaat van 9 oktober 2015 DKW en [B ] hebben gesommeerd hun inbreukmakend handelen op het auteurs- en modelrecht van [A] terzake van de Daan-collectie, waarvan afbeeldingen aan deze overeenkomst zijn gehecht, te staken en gestaakt te houden, alsmede tot het doen van opgaaf van:

a. de voorradige inbreukmakende Daan-meubelen, het totale aantal door DKW en [B ] direct, indirect dan wel via verbonden ondernemingen gefabriceerde, ingekochte, geïmporteerde, tentoongestelde, aangeboden, verkochte en geleverde dan wel op andere commerciële wijze in het verkeer gebrachte ongeoorloofde verveelvoudigingen

van de Daan-collectie van [A] en Tower Living, alsmede de titel waarop het een en

ander is geschied;

(…)

dat DKW en [B ] via de mailbrief van 27 oktober 2015 van hun advocaat enerzijds

hebben verklaard dat zij na ontvangst van evenbedoelde sommatiebrief elke vorm van exploitatie van de inbreukmakende Daan-meubelen hebben gestaakt en gestaakt zullen houden en anderzijds dat zij direct dan wel indirect in totaal zes exemplaren van de Daanmeubelen hebben gekocht op een markt in Lille (België), waarna zij deze zes exemplaren tegen de inkoopprijs hebben doorverkocht aan derden (consumenten), zulks met gevolg dat DKW en [B ] , direct dan wel indirect, op deze transacties geen winst hebben gemaakt;

dat partijen aan de hand van evenbedoelde verklaringen van DKW en [B ] hebben

geconcludeerd dat de schade die het inbreukmakend en onrechtmatig handelen van DKW en

[B ] heeft veroorzaakt relatief gering is, reden waarom zij hebben besloten ter

voorkoming van onzekerheid of geschil daarover hieronder vast te stellen hetgeen tussen

hen dienaangaande rechtens geldt, en

zijn ter vaststelling overeengekomen als volgt:

  1. DKW en [B ] verklaren dat de in de considerans weergegeven feiten en omstandigheden terzake de herkomst, de wijze alsook de omvang van de inbreuk op de rechten van intellectuele eigendom van [A] en Tower Living terzake van de Daan-collectie juist en volledig zijn, zulks op straffe van een direct opeisbare en niet voor verrekening dan wel matiging vatbare boete van € 5.000,-- voor elke inbreuk die het aantal van zes inbreuken overstijgt, onverminderd het recht van [A] en Tower Living op volledige schadevergoeding, met dien verstande dat de verbeurde boetes een strikt punitief karakter hebben en zich derhalve niet lenen voor verrekening met het verschuldigde bedrag uit hoofde van schadevergoeding.

  2. DKW en [B ] hebben met ingang van 27 oktober 2015 iedere inbreuk op de Daanmeubelen van [A] en Tower Living gestaakt en zullen ieder inbreukmakend handelen gestaakt houden, waaronder begrepen edoch niet daartoe beperkt het via de website of middels andere dragers verveelvoudigen van afbeeldingen van de Daan-collectie, dit een en ander op straffe van een direct opeisbare en niet voor verrekening dan wel matiging vatbare boete van € 1.000,-- voor iedere overtreding of, naar keuze van [A] en Tower Living, van € 500,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, zulks tot een maximum van € 25.000,-- en onverminderd het recht op volledige schadevergoeding. (…)”

2.9.

Aan de vaststellingsovereenkomst zijn onder andere de volgende afbeeldingen van de Daan-collectie gehecht:

2.10.

In de voorjaar van 2016 heeft [A c.s.] de beschikking gekregen over documenten (onder meer een invoice, een packing list, en een bill of lading) met betrekking tot een levering van [X] aan Kolony van 137 meubelstukken. Alle documenten zijn gericht aan “Kolony, [B ] , [adres] , [postcode] , [plaats] , The Netherlands”. Een deel van de geleverde meubels is omschreven als “Aimann”. De invoice, ter hoogte van USD 23.717, is gedateerd 8 mei 2015.

2.11.

Stellende dat de door [X] aan Kolony geleverde meubels inbreuk maken op de Daan collectie, heeft [A c.s.] [B c.s.] daarop gesommeerd om over te gaan tot betaling van een boete uit hoofde van overtreding van (artikel 1 van) de vaststellingsovereenkomst. [B c.s.] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A c.s.] vordert, samengevat, na vermindering van eis ter zitting, dat de rechtbank bij vonnis [B c.s.] hoofdelijk veroordeelt om, uitvoerbaar bij voorraad, aan [A c.s.] verbeurde boetes ter hoogte van € 360.000 te betalen, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, vermeerderd met rente en een bedrag van € 3.575 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [B c.s.] in de volledige proceskosten ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

[A c.s.] legt aan zijn vorderingen, verkort weergegeven en voor zover van belang, het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De meubels van de Daan-collectie genieten tot maart 2017 bescherming als niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel en kwalificeren voorts als werken in de zin van de Auteurswet (Aw). Met betrekking tot de nieuwheid en het eigen karakter van de modellen en de gemaakte creatieve keuzes die de Daan-collectie auteursrechtelijke bescherming verlenen, wijst [A c.s.] op de volgende kenmerkende elementen:

  1. een wit geverfd framework;

  2. bestaande uit langwerpige, nauw met elkaar verbonden latten,

  3. voorzien van een geborsteld, naturel, midden-bruinkleurig houten vlakken,

  4. op gedoseerde wijze voorzien van afbladderende, witte verf en

  5. bruine, rieten, gevlochten lades met “gespleten” handgrepen.

3.2.2.

[B c.s.] heeft met de vaststellingsovereenkomst het auteursrecht en de niet-ingeschreven modelrechten van [A] ten aanzien van de Daan-collectie onvoorwaardelijk erkend. Daarop kan hij niet terugkomen. Hij heeft de garantie gegeven dat hij maar een beperkt aantal (zes), inbreukmakende meubels op een markt in Lille heeft betrokken. Nu blijkt dat Kolony een veel groter aantal meubels van de Daan-collectie rechtstreeks van [X] geleverd heeft gekregen, is duidelijk dat DKW, gevestigd op hetzelfde adres, de zes inbreukmakende Daan-meubels bedoeld in de vaststellingsovereenkomst niet in Lille heeft aangekocht maar van Kolony heeft betrokken. DKW heeft derhalve in strijd met de vaststellingsovereenkomst gehandeld.

[B ] heeft zich in de vaststellingsovereenkomst mede verbonden ten aanzien van ‘verbonden ondernemingen’. Een levering aan Kolony, waarvan [B ] directeur/enig aandeelhouder is, moet dus worden aangemerkt als een handeling in strijd met de vaststellingsovereenkomst.

3.2.3.

Vergelijking van de door [X] aan Kolony geleverde meubels, zoals op verzoek van [A c.s.] met foto’s gespecificeerd op de factuur, en de aan de vaststellingsovereenkomst gehechte Daan-collectie, brengt mee dat ten minste 72 exemplaren van de door [X] aan [B c.s.] geleverde meubels (hierna tezamen: de Kolony-meubels) inbreuk maken op de rechten van [A c.s.] [B c.s.] hebben derhalve een boete verbeurd van € 360.000 (72 x 5.000), zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst.

3.3.

[B c.s.] voert verweer strekkende tot afwijzing van de vordering.

in reconventie

3.4.

In reconventie vordert [B c.s.] , verkort weergegeven, om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

- voor recht te verklaren dat de gepretendeerde niet-geregistreerde Gemeenschapsmodellen van [A c.s.] op de (in de vaststellingsovereenkomst afgebeelde meubels van de) Daan-collectie nietig zijn en dat er geen auteursrecht op rust;

- indien de meubels wel auteursrechtelijk beschermd zijn, voor recht te verklaren dat [A c.s.] geen auteursrechthebbende is;

- de vaststellingsovereenkomst te vernietigen en

- [A c.s.] hoofdelijk te veroordelen om aan DKW € 1.000 te betalen,

een en ander met veroordeling van [A c.s.] in de volledige proceskosten bedoeld in artikel 1019h Rv, vermeerderd met rente en nakosten.

3.5.

Aan zijn vorderingen legt hij samengevat het volgende ten grondslag.

3.5.1.

Uit het overgelegde vormgevingserfgoed blijkt dat de meubels uit de Daan-collectie niet nieuw zijn en evenmin een eigen karakter hebben; zij wijken slechts op ondergeschikte punten af van hetgeen al bekend was in het overgelegde vormgevingserfgoed. De meubels van de Daan-collectie zijn ook niet aan te merken als werken met een eigen oorspronkelijk karakter die het persoonlijk stempel van de maker dragen. Alle kenmerken van de Daan-collectie zijn zo banaal of triviaal, dan wel zozeer technisch of functioneel bepaald, dat in de afzonderlijke elementen, noch in de combinatie ervan, een persoonlijk stempel van de maker is te onderkennen.

3.5.2.

Wanneer zou komen vast te staan dat de Daan-meubels auteursrechtelijk beschermd zijn, is niet [A] , maar [X] rechthebbende, zoals blijkt uit de mededeling op de website van [X] over de IFEX beurs. [A c.s.] heeft [B c.s.] misleid door in strijd met de waarheid voorafgaand aan het tekenen van de overeenkomst te pretenderen dat hij IE-rechten kon doen gelden op de Daan-collectie. Ook heeft [A] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ten onrechte verklaard enig IE-rechthebbende ten aanzien van de meubels te zijn. Een en ander brengt mee dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd wegens dwaling dan wel bedrog.

3.6.

[A c.s.] voert verweer strekkende tot afwijzing van de vorderingen.

in conventie en reconventie

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

bevoegdheid in conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de vestigingsplaats van [B c.s.] (Nederland) is, voor zover aan de

vorderingen van [A c.s.] het Gemeenschapsmodelrecht ten grondslag wordt gelegd, deze rechtbank (internationaal en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikelen 80 lid 1, 81 aanhef en sub a2 en d, 82 lid 1, 83 lid 1 en 90 lid 1 GModVo3 en artikel 3 Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. Voor het overige (ten aanzien van de auteursrechten en de naleving van de vaststellingsovereenkomst) is de bevoegdheid niet bestreden en is deze rechtbank reeds om die reden bevoegd.

in conventie

4.2.

Partijen houdt in de kern verdeeld of [B c.s.] de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst heeft overtreden door ten tijde van het sluiten van die overeenkomst geen melding te maken van de gestelde inbreukmakende Kolony-meubels. Het meest verstrekkende verweer van [B c.s.] is dat, zo de vaststellingsovereenkomst al geldig is, reeds geen sprake kan zijn van een tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en van het verbeuren van boetes, omdat de Kolony-meubels, die beweerdelijk in strijd met die overeenkomst zijn ingevoerd, door de mede-auteursrechthebbende geleverd zijn, zodat sprake is van uitputting. Van inbreukmakende handelingen in de zin van de vaststellingsovereenkomst is geen sprake. Dit – bevrijdende – verweer, dat pas ter zitting is gevoerd in reactie op door [A c.s.] bij conclusie van antwoord in reconventie aangevoerde nieuwe feiten omtrent het gemeenschappelijk auteursrecht, en waartegen door [A c.s.] geen bezwaar is gemaakt, slaagt. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3.

Uitputting vormt een beperking op het uitsluitend recht van de houder van een IE-recht. Van modelrechtelijke, respectievelijk auteursrechtelijke, uitputting is sprake wanneer een voortbrengsel waarin een Gemeenschapsmodelrecht of een auteursrechtelijk beschermd werk belichaamd is, door of met toestemming van de rechthebbende in de EER in het verkeer is gebracht (artikel 12b Aw – dat een implementatie vormt van artikel 4 lid 2 Auteursrechtrichtlijn4 – en artikel 21 GModVo). De rechthebbende kan zijn recht ten aanzien van dat voortbrengel niet (meer) handhaven.

4.4.

Niet in geschil is dat [X] de Kolony-meubels in de EER in het verkeer heeft gebracht. Ook staat vast dat [X] mede-auteursrechthebbende is. Hoewel in deze procedure niet aan de orde is gekomen of het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrecht eveneens aan [X] en [A] gezamenlijk toebehoort, volgt uit het feit dat [A] en [X] de Daan-collectie gezamenlijk hebben ontwikkeld (zie 2.6) en bij het ontbreken van andersluidende afspraken, uit artikel 14 lid 2 GModVo dat het modelrecht hun gezamenlijk toekomt. De Kolony-meubels zijn derhalve door een rechthebbende in de EER in het verkeer gebracht.

4.5.

[A c.s.] voert aan dat geen sprake kan zijn van uitputting omdat [A] geen toestemming voor de levering van de Kolony-meubels heeft gegeven en [X] niet bevoegd was om in de EER te leveren. [X] en [A] zijn, aldus [A] , omtrent het beheer van het auteursrecht op de Daan-collectie, voor zover hier van belang, mondeling overeengekomen dat [A] , via Tower Living als licentiehouder, exclusief bevoegd is tot uitoefening van de rechten in de EER en dat [X] slechts met toestemming van [A] aan derden in de EER zal leveren. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus, dat [A c.s.] betoogt dat, bij een gemeenschappelijk IE-recht, het in de handel brengen door of met toestemming van één van de rechthebbenden, maar zonder toestemming van (een) andere rechthebbende(n), niet is aan te merken als in het verkeer brengen ‘door of met toestemming van de houder van de rechten’ als bedoeld in de toepasselijke regelgeving. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

4.6.

Voor zover niet reeds op grond van de – voor [B c.s.] niet kenbare – beheersregeling moet worden aangenomen dat toestemming van [A] vereist was voor levering van de Kolony-meubels, geldt dat ook bij afwezigheid van een specifieke afspraak, toestemming van [A] nodig zou zijn. Immers, de vraag of toestemming van de rechthebbenden gezamenlijk vereist is voor de exploitatie van een gemeenschappelijk Gemeenschapsmodel- of auteursrecht – een daad van beheer – dient in dat geval te worden beoordeeld naar Nederlands recht (voor het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel volgt dit uit artikel 27 lid jo lid 3 aanhef en sub a GModVo). Het beheer van gemeenschappelijke rechten geschiedt, bij het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling of andersluidende overeenkomst, uitsluitend door de deelgenoten tezamen (artikel 3:170 lid 2 BW). [A c.s.] heeft onbetwist gesteld dat hij [X] geen toestemming heeft gegeven om aan Kolony te leveren, zodat [X] onbevoegd namens de gemeenschap heeft gehandeld.

4.7.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de exploitatie van het gemeenschappelijke recht, ondanks het onbevoegd handelen van [X] , jegens [B c.s.] heeft te gelden als het in de handel brengen met impliciete toestemming van de gezamenlijke rechthebbenden. Uitputting en de in dat verband vereiste toestemming, zijn Unierechtelijke begrippen. Uit de door het Hof van Justitie – in het kader van het merkenrecht – ontwikkelde ‘uitputtingsjurisprudentie’5, volgt dat impliciete toestemming geacht wordt te zijn gegeven, wanneer sprake is van economische verbondenheid tussen de houder van het recht en degene die de voorwerpen in het verkeer heeft gebracht6. De ratio daarachter is dat de rechthebbende bij economische verbondenheid de mogelijkheid heeft om controle uit te oefenen op de exploitatie. Van economische verbondenheid is onder meer sprake wanneer de producten in het verkeer worden gebracht door dezelfde onderneming, door een licentiehouder, of door, kort gezegd, bedrijven die tot hetzelfde concern behoren7. Deze merkenrechtelijke jurisprudentie is van overeenkomstige toepassing bij auteursrechtelijke en modelrechtelijke uitputting. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van mede-gerechtigden in het algemeen sprake van economische verbondenheid omdat zij het recht gezamenlijk exploiteren of daartoe andersluidende afspraken maken, zodat zij daarop invloed kunnen uitoefenen. Ook in dit geval is sprake van economische verbondenheid tussen [X] en [A] . Zij hebben, naar [A c.s.] heeft gesteld, afspraken gemaakt over de exploitatie van het gemeenschappelijk recht, in die zin dat [X] de meubels waarop de rechten rusten produceert en deze, afhankelijk van het territorium, hetzij rechtstreeks, hetzij, in ieder geval voor wat betreft de EER, exclusief via [A c.s.] , aan derden levert. Nu sprake is van economische verbondenheid, moet het in de handel brengen van de Kolony-meubels in beginsel worden geacht te zijn geschied met toestemming van [A] . Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn door [A c.s.] – op wie ten aanzien van die mogelijke uitzonderingssituatie de stelplicht rust8 – niet gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken. Het niet naleven van de beheersovereenkomst door [X] , is daartoe onvoldoende; dit heeft geen auteursrechtelijke of modelrechtelijke derdenwerking. Het eventuele tekortschieten van [X] jegens [A c.s.] zal via de mogelijkheden die het verbintenissenrecht biedt, moeten worden opgelost.

4.8.

Een en ander leidt tot de slotsom dat tussen partijen geldt dat de Kolony-meubels door dan wel met toestemming van de rechthebbenden in de EER in het verkeer zijn gebracht, zodat de rechten van [A] ten aanzien van die partij zijn uitgeput. [B c.s.] is dan ook niet tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, zodat de vordering van [A c.s.] tot betaling van de gestelde verbeurde boetes, zal worden afgewezen. De nevenvorderingen volgen dit lot.

in reconventie

Niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrecht?

4.9.

[B c.s.] heeft zich op het standpunt gesteld dat aan [A] geen Gemeenschapsmodelrechtelijke bescherming toekomt, onder meer omdat de meubels van de Daan-collectie niet nieuw zijn en geen eigen karakter hebben, en derhalve . Op dit punt wordt als volgt overwogen. Een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt als nieuw beschouwd, indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar was vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt gevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld. Een model wordt slechts geacht een eigen karakter te hebben indien de algemene indruk die dat model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed. Daarbij geldt dat de geïnformeerde gebruiker een persoon is die niet slechts gemiddeld maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector9. Voorts dient het model niet te worden vergeleken met een combinatie van afzonderlijke kenmerken van meerdere oudere modellen, maar met één of meer individueel beschouwde modellen uit het vormgevingserfgoed10.

4.10.

De rechtbank is met [A c.s.] van oordeel dat de (meubels van de) Daan-collectie een robuuste uitstraling hebben en de hiervoor in 3.2.1 weergegeven kenmerken combineren. Dit is door [B c.s.] ook niet, althans onvoldoende, weersproken.

4.11.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de niet-ingeschreven modellen niet nieuw zijn en dat zij geen eigen karakter hebben, beroept [B c.s.] zich op verschillende meubels die naar hij stelt tot het vormgevingserfgoed behoren en waarin voornoemde kenmerken worden geopenbaard. Indien al moet worden aangenomen dat het door [B c.s.] gepresenteerde vormgevingserfgoed beschikbaar was voor het publiek vóór de datum waarop de Daan-collectie voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld (maart 2014) – dit wordt door [A c.s.] voor een deel van de gepresenteerde meubels betwist – is de rechtbank van oordeel dat dit Umfeld, niet in de weg staat aan de nieuwheid en het eigen karakter van de Daan-collectie. Gesteld noch gebleken is dat de combinatie van de door [A c.s.] genoemde kenmerken, zoals hiervoor weergegeven, tezamen in één enkel meubel uit het gestelde vormgevingserfgoed is terug te vinden en daaraan zou zijn ontleend. De nieuwheid van de Daan-collectie is daarmee gegeven; de individuele door [B c.s.] als nieuwheids-schadend genoemde meubels, behoeven geen bespreking.

4.12.

De Daan-collectie heeft ook een eigen karakter, nu de door [B c.s.] weergegeven meubels een andere algemene indruk maken op de geïnformeerde gebruiker dan de meubels uit de Daan-collectie. Zo vertoont geen van de gestelde oudere meubels de naar het oordeel van de rechtbank voor de Daan-collectie specifieke en karakteristieke combinatie van deels afbladderende witte verf op geborsteld, midden-bruinkleurig hout. De niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen van [A c.s.] verschillen daarmee in meer dan onbelangrijke details van het gestelde vormgevingserfgoed.

4.13.

Voor zover het betoog van [B c.s.] ter zitting ten aanzien van de techniek moet worden begrepen als een beroep op nietigheid van de modellen omdat de uiterlijke kenmerken van de meubels van de Daan-collectie uitsluitend door de technische functie worden bepaald, wordt aan die stelling voorbij gegaan. [A c.s.] heeft onvoldoende toegelicht dat de vormgevingskenmerken van de Daan-collectie uitsluitend gedicteerd worden door technische functionaliteit; dit is ook niet gebleken.

4.14.

De gevorderde verklaring voor recht tot nietigverklaring van de niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellen zal dan ook worden afgewezen.

Auteursrechtelijk beschermd werk?

4.15.

Ter onderbouwing van de gevorderde verklaring voor recht dat op de Daan-collectie geen auteursrecht rust, heeft [B c.s.] zich op vergelijkbare gronden beroepen als hiervoor in 4.11 beschreven. De rechtbank is van oordeel dat de Daan-collectie een eigen oorspronkelijk karakter heeft waarin het persoonlijk stempel van de maker tot uitdrukking komt. Dat gedeeltelijk gebruik is gemaakt van bestaande elementen, neemt niet weg dat de maker ten aanzien van de selectie van die elementen en de combinatie daarvan binnen één ontwerp, persoonlijke keuzes heeft gemaakt. De combinatie van de gebruikte kenmerken is niet banaal of triviaal, maar geeft blijk van vrije creatieve keuzes van de maker, dat de Daan-collectie een eigen karakter geeft. Op deze punten waren ook vele andere keuzes mogelijk geweest. Daarmee is een oorspronkelijk werk ontstaan. Dat de combinatie van alle genoemde kenmerken reeds in het vormgevingserfgoed voorkwam en daaraan zou zijn ontleend, is, zoals ook in het kader van het modelrecht is overwogen, gesteld noch gebleken. De meubels van de Daan-collectie zijn dan ook auteursrechtelijke beschermde werken, zodat de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.

[A] geen rechthebbende?

4.16.

De gevorderde verklaring voor recht dat [A] geen auteursrechthebbende is, stuit af op de door [B c.s.] niet betwiste nader ingenomen stelling van [A c.s.] dat [A] en [X] gezamenlijk auteursrechthebbende zijn.

Vaststellingsovereenkomst vernietigbaar?

4.17.

De vordering van [B c.s.] tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens bedrog dan wel dwaling, is gegrond op de veronderstelling dat [A c.s.] ten onrechte de indruk heeft gewekt dat de Daan-collectie auteurs en/of modelrechtelijk bescherming geniet en dat hij houder van die rechten is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is die veronderstelling onjuist, zodat de rechtbank de vordering zal afwijzen. De vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden of op grond van de redelijkheid en billijkheid, is, voor zover dit niet reeds op het voorgaande afstuit, niet toewijsbaar omdat [B c.s.] daartoe, mede gelet op de betwisting door [A c.s.] , onvoldoende heeft gesteld. Het betoog dat door andere ondernemingen, door [B c.s.] aangeduid als Paco en Bex, aangeboden meubels identiek zouden zijn aan de Daan-collectie, en wel geoorloofd zijn, wordt, zo deze stelling al rechtens relevant is, gepasseerd. Wat betreft de meubels van Paco mist de stelling feitelijke grondslag, nu de karakteristieke combinatie van deels afbladderende witte verf op geborsteld, midden-bruinkleurig hout vanwege een andere kleurstelling, onder meer opvallende grijsblauwe vlakken, bij Paco ontbreekt. De – door [A c.s.] gemotiveerd betwiste – relevante overeenstemming van de door Bex aangeboden meubels met de Daan-meubels, is door [B c.s.] niet onderbouwd. De vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wordt dan ook afgewezen.

Betaling € 1.000?

4.18.

De vordering tot betaling van € 1.000 is door [B c.s.] niet toegelicht. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat deze voortkomt uit ongedaan making van de betaling die door [B c.s.] aan [A c.s.] is gedaan uit hoofde van vaststellingsovereenkomst, in geval van vernietiging van die overeenkomst. Nu de vordering tot vernietiging van die vaststellingsovereenkomst niet slaagt, is de terugbetalingsvordering eveneens niet toewijsbaar.

Proceskosten in conventie en reconventie

4.19.

Als in het ongelijk gestelde partij zal [A c.s.] worden veroordeeld in de kosten in conventie. [B c.s.] maakt aanspraak op vergoeding van volledig proceskosten (op grond van artikel 1019h Rv) van in totaal € 55.630,08 (exclusief griffierecht). [A c.s.] , die zelf een bedrag van in totaal € 14.544,43 heeft opgevoerd, maakt tegen de hoogte van de door [B c.s.] gevorderde kosten bezwaar als zijnde buitenproportioneel in een zaak van deze omvang. Gelet op de betwisting door [A c.s.] , dienen de proceskosten aan de zijde van [B c.s.] door de rechtbank te worden begroot.

4.20.

De rechtbank overweegt dat 1019h Rv van toepassing is in conventie en reconventie, nu de procedure in conventie (indirect) betrekking heeft op de handhaving van IE-rechten in de zin van artikel 1019 Rv en de procedure in reconventie daarmee samenhangt, nu deze in feite een inbreukverweer vormt. De zaak kan worden aangemerkt als een eenvoudige bodemprocedure, zonder re- en dupliek, waarvoor het indicatietarief € 8.000 is. Partijen zijn het erover eens dat verdeling van de kosten in conventie en reconventie 60/40 moet zijn, waarin de rechtbank partijen zal volgen. De door [B c.s.] in conventie opgevoerde kosten (in totaal € 33.378,05; 60% van € 55.630,08) overschrijden het toepasselijke indicatietarief ruimschoots. De rechtbank overweegt dat de redelijke en evenredige kosten in een specifieke zaak kunnen afwijken van de in de Indicatietarieven in IE-zaken opgenomen bedragen, maar dan zal bij betwisting van de redelijkheid en evenredigheid de overschrijding van de indicatiebedragen zoals neergelegd in de Indicatietarieven, moeten worden toegelicht. Bij het ontbreken van een deugdelijke toelichting op de substantiële overschrijding door [B c.s.] , zal de rechtbank de kosten aan de zijde van [B c.s.] in conventie met toepassing van de Indicatietarieven, begroten, en wel op € 8.000 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 3.903 aan griffierecht, in totaal derhalve op een bedrag van € 11.903. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals verzocht. De vordering tot hoofdelijke veroordeling in de proceskosten is, bij gebreke van een betwisting daarvan, eveneens toewijsbaar.

4.21.

[B c.s.] zal, als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten in reconventie worden veroordeeld. [A c.s.] heeft in totaal € 14.544.43 (exclusief dagvaardingskosten en griffierecht) aan kosten opgevoerd, waartegen [B c.s.] geen bezwaar heeft gemaakt. De kosten van [A c.s.] in reconventie worden derhalve vastgesteld op in totaal € 5.817,77 (40% van € 14.544.43). De wettelijke rente over de proceskosten en de hoofdelijkheid daarvan, zullen, alleen al wegens het ontbreken van een betwisting, worden toegewezen.

4.22.

Voor de door beide partijen gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [A c.s.] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [B c.s.] tot op heden begroot op € 11.903, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, berekend over het tijdvak van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt [B c.s.] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [A c.s.] tot op heden begroot op € 5.817,77, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, berekend over het tijdvak van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

5.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. M.E. Kokke en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.

1 Het tussen vierkante haken vermelde is door de rechtbank toegevoegd.

2 Inbreuk op een Gemeenschapsmodel is (aanvankelijk) mede aan de vorderingen ten grondslag gelegd.

3 Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, inwerkingtreding: 6-3-2002, zoals laatstelijk gewijzigd bij PB EU 2006 L 386

4 Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, inwerkingtreding: 22-6-2001, PB EU van 22-6-2001 L 167 blz. 0010-0019

5 HvJEG 22 juni 1994, ECLI:EU:C:1994:261(IHT Danzinger/Ideal-Standard); HvJEG 23 april 2009, ECLI:EU:C:2009:260 (Copad/Dior); HvJEG 15 oktober 2009, ECLI:EU:C:2009:633 (Makro/Diesel); Hoge Raad 15 oktober 2010, ECLI:HR:2010:BN1414 (Makro/Diesel I)

6 Zie m.n. HvJEU Copad/Dior, genoemd in de vorige voetnoot

7 Vgl. HvJEG IHT Danzinger/Ideal-Standard, voornoemd, punt 34

8 Hoge Raad 15 oktober 2010, ECLI:HR:2010:BN1414 (Makro/Diesel I), r.ov 3.3.6

9 HvJEU, 20 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:679 (PepsiCo).

10 HvJEU 19 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:2013 (Karen Millen).