Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10861

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
09/827440-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling, celstraf van een jaar, stenen gooien viaduct Rijswijk

De rechtbank geeft de officier van justitie ernstig in overweging om zo spoedig mogelijk een rechterlijke machtiging (in het kader van de Wet Bopz) aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/827440-16, 09/233773-15 (ttz. gev.), 09/234865-15 (ttz. gev.) en 09/282892-14 (ttz. gev)

Datum uitspraak: 25 september 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de (ten aanzien van de parketnummers 09/233733-15, 09/234865-15 en 09/282892-14 door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen) zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in het [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van:

- 11 februari 2016: politierechter (09/233773-15, 09/234865-15 en 09/282892-14);

- 31 augustus 2016: politierechter (09/233773-15, 09/234865-15 en 09/282892-14);

- 17 oktober 2016: pro-forma (09/827440-16);

- 13 januari 2017: pro-forma (09/827440-16 );

- 3 februari 2017: politierechter (09/233773-15, 09/234865-15 en 09/282892-14);

- 10 april 2017: pro-forma (09/827440-16);

- 6 juli 2017: pro-forma (alle voornoemde parketnummers);

- 13 juli 2017: pro-forma (alle voornoemde parketnummers);

- 11 september 2017: inhoudelijk (alle voornoemde parketnummers).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Sam-Sin en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. F.C. Knoef, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 09/827440-16 (dagvaarding I):

hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon NN van het leven te beroven, opzettelijk drie, althans één of meer (bak)ste(e)n(en) vanaf een viaduct [viaduct] in de richting van/op de ondergelegen snelweg heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juli 2016 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan NN opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen drie, althans één of meer (bak)ste(e)n(en) vanaf een viaduct [viaduct] in de richting van/op de ondergelegen snelweg heeft gegooid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van parketnummer 09/233773-15 (en 09/234865-15 als feit 2 gevoegd) (dagvaarding II):

1.

hij op of omstreeks 20 november 2015 te 's-Gravenhage in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het stadhuis van de gemeente 's-Gravenhage, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

2.

hij op of omstreeks 23 november 2015 te 's-Gravenhage in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het stadhuis van de gemeente 's-Gravenhage, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

Ten aanzien van parketnummer 09/282892-14 (dagvaarding III):

1.

hij op of omstreeks 20 december 2014, in de gemeente Enschede, [slachtoffer] , zijnde die [slachtoffer] , buitengewoon opsporingsambtenaar (bij de Nederlandse Spoorwegen), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] met de al dan niet tot vuist gebalde hand in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 20 december 2014, in de gemeente Enschede, opzettelijk beledigend een buitengewoon opsporingsambtenaar (bij de Nederlandse Spoorwegen), te weten [slachtoffer] , gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, die [slachtoffer] in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerhoer, kankerlijer ik zou je neuken totdat je kankeraids krijgt" en/of "Ik neuk je kankermoeder", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij op 12 juli 2016 te Rijswijk vanaf een viaduct stenen heeft gegooid naar een onderliggende snelweg. Dit is primair als poging doodslag en subsidiair als poging tot zware mishandeling tenlastegelegd. Hij heeft dit feit ontkend (dagvaarding I). Voorts wordt hem tweemaal verweten dat hij op vordering van een bevoegd ambtenaar zich niet heeft verwijderd uit het stadhuis van de gemeente Den Haag. Dit heeft de verdachte bekend (dagvaarding II). Tot slot wordt hem verweten dat hij een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) van de Nederlands Spoorwegen heeft mishandeld en beledigd. Hij heeft de belediging bekend en de mishandeling ontkend (dagvaarding III).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van:

- het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde feit,

- de bij dagvaarding II tenlastegelegde feiten en

- de bij dagvaarding III tenlastegelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I en dagvaarding III onder 1 tenlastegelegde feiten. Daartoe is ten aanzien van dagvaarding I ten eerste aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte stenen heeft gegooid. Volgens de raadsman heeft de verdachte dit ontkend, heeft [getuige] verklaard over andere stenen dan zijn aangetroffen op de snelweg, heeft die getuige geen stenen zien neerkomen op de snelweg, is enig door die getuige gehoord getoeter niet te relateren aan het gooien van stenen, wijst de locatie waar stenen en/of steengruis zijn aangetroffen niet op enige betrokkenheid en is de vergelijking van het steengruis op de weg met het steengruis in de Albert Heijn tas onvoldoende betrouwbaar.

Ten tweede is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte drie stenen heeft gegooid. Volgens de raadsman is [getuige] slechts zeker over twee gooibewegingen, is niet gebleken dat een op de vluchtstrook aangetroffen steen is gegooid op de tenlastegelegde datum.

Ten derde is aangevoerd dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Volgens de raadsman is er geen contact geweest tussen de stenen en voertuigen, is gemikt op de vluchtstrook, was er geen risico op het stuiteren van stenen en was er weliswaar een risico op een schrikreactie bij automobilisten, maar was de kans op een ongeluk met zwaar lichamelijk letsel te klein.

Ten vierde is aangevoerd dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Volgens de raadsman – met herhaling van het ten derde aangevoerde – was er geen reëel risico dat de stenen vitale delen van automobilisten konden raken, was de kans op een dodelijke afloop bij een auto-ongeluk gelet op de hedendaagse veiligheidsmaatregelen in auto’s te klein en waren de stenen te klein zijn om de kans op een dodelijke afloop als aanmerkelijk aan te merken.

Ten aanzien van dagvaarding III onder 1 is aangevoerd dat de verdachte dit feit ontkent, welke verklaring betrouwbaar is omdat hij de gerelateerde belediging wel heeft bekend.

Voorts heeft de raadsman zich ten aanzien van de overige feiten op de dagvaardingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Dagvaarding I (09/827440-16): poging doodslag/zware mishandeling

De rechtbank ziet zich ten eerste gesteld voor de vraag of de verklaringen van [getuige] – de enige getuige die over de toedracht van het gooien van stenen heeft verklaard – voldoende betrouwbaar kunnen worden geacht om voor het bewijs te worden gebezigd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[getuige] heeft op 12 juli 2016 bij de politie verklaard dat zij op de Bosgang reed, komende vanaf de Polakweg en gaande in de richting van het [naam] in Rijswijk. Omstreeks 17:30 uur reed zij over het viaduct over de A4. Zij zag aan de rechterkant van de weg een man haar tegemoet komen lopen die liep in de richting van de Klaroenstraat. Vervolgens zag zij dat de man uit een blauwe Albert Heijn plastic tas die hij bij zich droeg een baksteen pakte en die vervolgens met zijn rechterhand met kracht over het hek van het viaduct gooide. Die beweging zag zij hem nog tweemaal herhalen, waardoor zij hem in totaal drie stenen heeft zien gooien over het hek. Zij is hem vervolgens gevolgd en heeft de politie gebeld. De man had het volgende signalement: negroïde man, tussen de 30 en 35 jaar oud, zwart/wit petje, lichtblauwe trui, donkerblauwe spijkerbroek en dragende een rugtas.2 Vervolgens zag zij - blijkens haar verklaring van 15 oktober 2016 bij de politie - dat deze man door de politie werd aangehouden. Voorts heeft zij verklaard dat de man de stenen met een slingerbeweging onderhands over het hek heeft gegooid.3

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [getuige] voldoende steun vinden in het aantreffen van verdachte (die op dat moment voldeed aan het door [getuige] gegeven signalement) in de directe omgeving van het viaduct, het aantreffen van (delen van) stenen op de snelweg, het aantreffen van een Albert Heijn plastic tas bij de verdachte en de conclusie van een verbalisant dat het in die tas aangetroffen steengruis overeenkomsten vertoonde met enkele van voornoemde stenen en met het op de snelweg aangetroffen steengruis.

Immers is verdachte even na 17.35 uur door de politie aangehouden op de Klaroenstraat ter hoogte van de Triangelstraat te Rijswijk. Hij, een man met donker getinte huiskleur, had een zwarte cap op, een lichtkleurige trui aan, een donkere spijkerbroek, dragende een rugtas op zijn rug en in zijn hand een opgevouwen blauw/witte plastic Albert Heijn tas.4

Op de rijksweg A4 richting Amsterdam nabij hectometerpaal werden na 17.33 uur op de vluchtstrook meerdere stenen aangetroffen, op 10 tot 15 meter afstand van het viaduct. Er lagen drie grote stukken en aantal kleinere stukjes, en dat waren de enige stenen in de omgeving. Ook lag er een hoopje gruis, met daaromheen wat grotere brokken steen, welk gruis en afgebroken stukjes qua structuur en kleur volgens verbalisant [naam] overeenkwamen met één van de aangetroffen grotere stenen.5

Verbalisant [naam] heeft voorts steengruis aangetroffen in de bij de verdachte aangetroffen Albert Heijn plastic tas. Hij heeft geconcludeerd dat dit steengruis qua kleur overeenkwam met enkele van de op de rijksweg A4 aangetroffen brokken steen. Voorts vertoonde het steengruis in de tas volgens hem qua structuur een zeer sterke gelijkenis met het door hem op die weg aangetroffen gruis .6 Voor zover verweer is gevoerd dat niet gebleken is dat verbalisant [naam] een deskundige is op dit gebied, verwerpt de rechtbank dit verweer. De genoemde constateringen en conclusies zijn naar het oordeel van de rechtbank dermate basaal (dezelfde kleur en sterke gelijkenis in structuur) dat ook verklaringen van iemand zonder specifieke deskundigheid voor het bewijs kunnen worden gebezigd, zolang op grond van die enkele verklaring niet meer wordt geconcludeerd dan dat er sterke overeenkomsten waren.

De conclusie ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige]

Naar het oordeel van de rechtbank doet de omstandigheid dat [getuige] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over een kleur van de stenen die geen steun vindt in het dossier niet af aan de betrouwbaarheid van haar eerdere verklaringen. Deze verklaring bij de rechter-commissaris is immers vijf maanden na het feit afgelegd, hetgeen maakt dat bepaalde feiten en omstandigheden mogelijk niet meer juist door de getuige zijn herinnerd. Voorts is de strekking van zowel haar verklaringen bij de politie als haar verklaring bij de rechter-commissaris gelijk: de man die meermalen stenen heeft gegooid vanaf het viaduct richting de ondergelegen snelweg was de man met de Albert Heijn plastic tas die door de politie is aangehouden.

De rechtbank acht de verklaringen van [getuige] gelet op voornoemd steunbewijs dan ook voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank voorts van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte op 12 juli 2016 meerdere stenen van het viaduct richting de onderliggende snelweg heeft gegooid.

Aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel, en zo ja, of de verdachte dat bewust heeft aanvaard. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De stelling van de raadsman dat de verdachte doelbewust de stenen richting de vluchtstrook heeft gegooid vindt geen steun in het dossier. Immers, de verdachte heeft omtrent het gooien geen verklaring afgelegd. Uit de verklaring van [getuige] komen geen aanwijzingen naar voren dat de verdachte de stenen gericht naar een specifiek deel (laat staan naar de vluchtstrook) heeft getracht te gooien. Dat de stenen op de vluchtstrook zijn aangetroffen maakt dit niet anders, nu die daar ook kunnen zijn beland door daar naartoe te zijn gerold nadat zij met het wegdek of met auto’s op de snelweg in aanraking zijn gekomen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer daaromtrent. Daarmee volgt uit het dossier slechts dat de verdachte de stenen richting de snelweg heeft gegooid.

Gelet op hetgeen reeds is overwogen staat vast dat de verdachte omstreeks 17.30 uur, dus tijdens de spits, stenen richting de snelweg heeft gegooid. Uit het onderzoek volgt dat het druk was op de A4, dat er geen file stond en dat het verkeer met een gemiddelde snelheid kon doorrijden op een wegdeel waar die snelheid ligt rond de 100 kilometer per uur.7

Naar het oordeel van de rechtbank was er onder die omstandigheden een aanmerkelijke kans dat de door de verdachte gegooide stenen auto’s of motoren hadden kunnen raken, dat bestuurders zouden schrikken van de vanaf het viaduct gegooide stenen en dat er daardoor ongelukken hadden kunnen gebeuren. De rechtbank acht de kans naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk dat bij een verkeersongeluk met een auto of een motorfiets die met voornoemde snelheid rijdt in een druk verkeersbeeld minst genomen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor bestuurders en/of passagiers bestaat.

De vraag of onder die omstandigheden eveneens een aanmerkelijke kans op de dood bestond, laat staan de vraag dat dit naar algemene ervaringsregels het geval is, kan de rechtbank niet beantwoorden. Daartoe ontbreekt het de rechtbank aan voldoende informatie, zoals een rapportage van bijvoorbeeld het NFI over de gevaarzetting en de mogelijke gevolgen in dit specifieke geval. Hoewel er een kans op de dood bestaat bij een verkeersongeluk, maakt dat nog niet dat die kans zonder meer als aanmerkelijk kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden, te weten het gedurende de avondspits vanaf een viaduct in de richting van de daaronder gelegen snelweg gooien van forse stukken steen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval (met mogelijk zwaar lichamelijk letsel tot gevolg bij de bij dat ongeval betrokkenen), dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard en er dus sprake is van voorwaardelijk opzet.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

3.4.2

Dagvaarding II (09/233773-15): lokaalvredebreuken

Nu de verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren – tweemaal wederrechtelijk in het stadhuis te Den Haag vertoevende zich niet op vordering van een bevoegde ambtenaar zich te hebben verwijderd – heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman hiervoor vrijspraak hebben bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 11 september 2017;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, p. 6 (Pv2);

  • -

    het proces-verbaal van aangifte, p. 6 en 7 (Pv3).

Daarbij overweegt de rechtbank dat de vorderingen zijn gedaan door beveiligers van wie niet direct vast is komen te staan dat zij aangemerkt kunnen worden als bevoegde ambtenaren in de zin van art. 139 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder de term ‘ambtenaar’ in artikel 139 Sr tevens is begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. In dat kader zijn de beveiligers naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als bevoegde ambtenaren in de zin van art. 139 Sr.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten bij dagvaarding II onder 1 en 2 heeft begaan.

3.4.3

Dagvaarding III (09282892-14): mishandeling en belediging BOA

[slachtoffer] , bijzonder opsporingsambtenaar werkzaam op het Centraal Station in Enschede, heeft verklaard dat zij op 20 december 2014 na melding van een vervelende man zonder vervoersbewijs in een trein met collega’s naar die trein is gelopen. Nadat zij hem verzocht de trein te verlaten ontstond er een woordenwisseling waarbij de man tegen haar zei “Kankerhoer, kankerlijer ik zou je neuken tot je kankeraids krijgt. Ik neuk je kankermoeder”. Dit was voorts hoorbaar voor passagiers van de trein. Met haar collega’s vormde ze vervolgens een blok om de man uit de trein te werken. De man wilde echter niet meewerken. Vervolgens zag zij dat de man zijn rechterarm naar achteren haalde en voelde zij dat de man haar sloeg met zijn tot vuist gebalde hand. Hierop voelde zij gelijk pijn ter hoogte van haar linker wenkbrauw en een paar minuten later voelde zij aldaar een zwelling ontstaan.8

[getuige] , ook een bijzonder opsporingsambtenaar, heeft verklaard dat de verdachte naar de uitgang van de trein werd begeleid en dat hij zich vervolgens omdraaide. Toen [slachtoffer] op een zeker moment voor hem liep zag hij dat de verdachte met gebalde rechtervuist uithaalde en dat [slachtoffer] een klap tegen de linkerzijde van haar hoofd kreeg van de verdachte. Haar hoofd klapte hierdoor naar achteren. Ook [getuige] heeft verklaard dat de verdachte jegens hem en zijn collega’s heeft geschreeuwd: “kankerlijers, ik neuk je kankermoeder” en “kankerhoer” en “ik neuk je en dan krijg je aids”.9

De verdachte heeft ter terechtzitting van 11 september 2017 verklaard dat het kan dat hij [slachtoffer] heeft uitgemaakt voor “kankerhoer” en “kankerlijer”. Hij heeft de mishandeling ontkend en gesteld dat hij iets uit zijn borstzak wilde halen en dat een collega van [slachtoffer] zijn arm wegsloeg waarna deze per ongeluk [slachtoffer] raakte.10

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] omtrent de toedracht. Haar verklaring, dat de verdachte haar opzettelijk sloeg, vindt steun in de verklaring van [getuige] , terwijl de lezing van de verdachte geen steun vindt in het dossier en gelet op zijn boosheid op dat moment niet aannemelijk is.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten bij dagvaarding III onder 1 en 2 heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

Ten aanzien van parketnummer 09/827440-16 (dagvaarding I):

Subsidiair:

hij op 12 juli 2016 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan NN opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen drie stenen vanaf een viaduct [viaduct] op de ondergelegen snelweg heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van parketnummer 09/233773-15 (en 09/234865-15 als feit 2 gevoegd) (dagvaarding II)::

1.

hij op 20 november 2015 te 's-Gravenhage in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het stadhuis van de gemeente 's-Gravenhage, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

2.

hij op 23 november 2015 te 's-Gravenhage in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het stadhuis van de gemeente 's-Gravenhage, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

Ten aanzien van parketnummer 09/282892-14 (dagvaarding III):

1.

hij op 20 december 2014, in de gemeente Enschede, [slachtoffer] , zijnde die [slachtoffer] , buitengewoon opsporingsambtenaar (bij de Nederlandse Spoorwegen), gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] met de tot vuist gebalde hand tegen het gezicht te stompen;

2.

hij op 20 december 2014, in de gemeente Enschede, opzettelijk beledigend een buitengewoon opsporingsambtenaar (bij de Nederlandse Spoorwegen), te weten [slachtoffer] , gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankerhoer, kankerlijer ik zou je neuken totdat je kankeraids krijgt" en "Ik neuk je kankermoeder", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting bij De Waag of een soortgelijke instelling (met medicatie-inname) en het – indien nodig – meewerken aan een kortdurende klinische opname bij Palier of een soortgelijke instelling (ter observatie, detoxificatie en/of stabilisatie). Voorts heeft zij de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Daartoe is aangevoerd dat een poging tot zware mishandeling als deze – indien bewezen – niet zwaarder wordt bestraft dan met een gevangenisstraf van een jaar. Voorts is een psychose bij de verdachte niet vastgesteld en is er slechts zekerheid omtrent een gebrekkelijke ontwikkeling van de intelligentie van de verdachte. Voor een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ontbreekt het aan informatie. Voorts zou een behandeling slechts zien op de lage intelligentie van de verdachte, hetgeen niet te behandelen is. Een TBS-maatregel is naar het standpunt van de raadsman niet opportuun, daar het doel van een dergelijke maatregel dan slechts een zachte landing in de maatschappij bij vrijlating zou zijn. Dat de verdachte de bijzondere voorwaarden zal overtreden is reëel, maar dat maakt niet dat hij geen kans moet krijgen, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door stenen vanaf een viaduct op een onderliggende snelweg te gooien alwaar auto’s reden. Met dit handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid en daarmee de veiligheid van snelweggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Uit niets volgt dat het aan de verdachte te danken is dat er geen ongelukken zijn gebeurd. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en belediging van een ambtenaar in functie en tweemaal lokaalvredebreuk. Met de mishandeling en belediging heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van die persoon, en haar eer en goede naam aangetast. Met de lokaalvredebreuken heeft hij het ongestoord gebruiksrecht aangetast.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 14 juli 2017, waar uit volgt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum van 7 juni 2017, opgesteld door psychiater [naam] en psycholoog [naam] , volgt dat de verdachte deskundigen wantrouwt omdat zij in dienst van de overheid zijn. Hij wilde niet meewerken aan tests, doch heeft wel meegewerkt aan een intelligentietest (vermoedelijk vanwege zijn wens in de buurt te blijven van de vrouwelijke testmedewerkster). Op welke wijze de verdachte de laatste jaren zijn leven vormgaf is onbekend. Door het beperkte onderzoek is het niet mogelijk gebleken om tot een volledige diagnostische beschouwing en beantwoording van vragen omtrent zijn psychische gesteldheid te komen. Bij de verdachte is sprake van een zeer lage intelligentie, op de grens van licht verstandelijk beperkt en beperkt. Deze ernstige verstandelijke beperking van de verdachte wordt opgevat als een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens, die ten tijde van het plegen van de poging tot zware mishandeling aanwezig was. Er is sprake van pathologisch gebruik van cannabis en een vermoeden van pathologisch alcoholgebruik. In de periode van januari 2015 tot juli 2015 worden verschillende momenten gezien waarop de verdachte stenen gebruikt om zijn boosheid en frustraties gestalte te geven (het gooien van stenen tegen/door ramen van een advocatenkantoor, een stadsdeelkantoor, een politiebureau, het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Sociale Zaken en een ruit van een touringcar). Wegens het ontbreken van informatie omtrent verdachtes psychische toestand en levenssituatie ten tijde van het tenlastegelegde is volgens de deskundigen een uitspraak over verdachtes beoordelingsvermogen toentertijd omgeven met een aanzienlijke onzekerheidsmarge. Er is dan ook geen analyse te maken van verdachtes motieven voorafgaande of tijdens het plegen van het tenlastegelegde. Toerekeningsvatbaarheid wordt mogelijk gehouden, doch is niet heel waarschijnlijk te achten. Door het onvolledige onderzoek zijn de deskundigen niet in staat gebleken een uitspraak te doen over de recidivekans. De verdachte heeft weinig beschermende factoren in zijn leven die kunnen bijdragen aan het autonoom zijn in de huidige maatschappij. Hij leeft vrij geïsoleerd, heeft geen werk, geen woning en beschikt vermoedelijk evenmin over betekenisvolle relaties. Het lukt hem niet zelfstandig zijn leven een stress-arme vorm te geven.

Uit het (beknopte) reclasseringsadvies van 31 augustus 2017, opgesteld door reclasseringsmedewerker [naam] , volgt dat het leven van de verdachte zich kenmerkt door instabiliteit, dat hij moeite heeft met autoriteit (vermoedelijk voortkomend uit zijn verstandelijke beperking en doordat hij niet alle wet- en regelgeving begrijpt). Daar hij niet meewerkt aan onderzoek kan geen uitspraak worden gedaan over het recidiverisico. Er zijn zorgen omtrent verdachtes geestesgesteldheid omdat hij buiten een inrichting waarschijnlijk niet medicatietrouw is, geen dagbesteding heeft en weinig tot geen probleembesef heeft. Het is – gelet op zijn geringe responsiviteit – niet te verwachten dat de verdachte zich aan afspraken met de reclassering of enige andere instelling zal houden. De verdachte lijkt gebaat bij een residentiële setting waarin hij (psychologische) hulp en medicatie krijgt. De reclassering onthoudt zich voorts van een sanctieadvies.

Nadere overweging met betrekking tot de op te leggen straf of maatregel

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het onderzoek dat er sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis. Ook volgt uit het onderzoek dat de verdachte veel stress ervaart, daar niet goed mee kan omgaan (door zijn lage intelligentie en het daardoor ontbreken van coping vaardigheden) en dat hij zijn frustratie jegens instanties en personen onder meer uit door stenen te gooien. De aanleiding voor het gooien van stenen naar de snelweg volgt niet uit het onderzoek en dat maakt dat de verdachte - voor zover bekend - zonder enige aanleiding heeft gezorgd dat snelweggebruikers in gevaar werden gebracht. Dat is zorgwekkend en een indicatie dat verdachtes handelen in de toekomst kan escaleren dan wel ernstige gevolgen teweeg kan brengen. De rechtbank concludeert echter dat een passend strafrechtelijke kader als reactie op de feiten en de persoon van de verdachte moeilijk te vinden is.

De verdachte heeft vrijwel niet mee willen werken aan onderzoek omtrent zijn psychische gesteldheid en daardoor hebben de deskundigen geen conclusies kunnen trekken over zijn toerekenbaarheid en de kans op recidive. Hoewel de rechtbank voldoende aanwijzingen ziet dat de verdachte niet volledig toerekenbaar moet worden geacht voor zijn handelen, is er onvoldoende informatie voorhanden om te concluderen dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar te achten is (met name ter zake van de poging tot zware mishandeling). Dat maakt dat de rechtbank de verdachte niet kan plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis, hoewel dit vermoedelijk wel het meest geschikte strafrechtelijke kader is.

Oplegging van een TBS-maatregel acht de rechtbank een te zwaar middel en bij de huidige stand van zaken niet het juiste kader voor deze verdachte. Het opleggen van een TBS met voorwaarden acht de rechtbank niet opportuun omdat niet te verwachten is dat de verdachte zich aan die voorwaarden zou houden (hij komt over als zorgmijdend en heeft aangegeven direct van zijn medicatie af te stappen als hij vrijkomt). Dit zou dan vrijwel zeker leiden tot het ondergaan van de TBS-maatregel, terwijl de rechtbank dat kader niet passend acht.

De rechtbank ziet dan nog slechts twee opties: een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden – zoals door de officier van justitie gevorderd – of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals de rechtbank reeds heeft aangegeven is niet te verwachten dat de verdachte zich aan bijzondere voorwaarden zal houden zolang voor hem de mogelijkheid bestaat zich daaraan te onttrekken. Overtreding van die voorwaarden leidt dan vrijwel zeker tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Dat maakt dat het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf zijn doel niet zal bereiken. Bovendien laten het bewezenverklaarde en de geruime tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht weinig ruimte meer voor een voorwaardelijk deel. De rechtbank ziet daarom geen andere reële optie dan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te noemen duur.

Dit neemt niet weg dat er buiten het strafrechtelijk kader mogelijkheden zijn die wel geschikt zijn om de verdachte te helpen en zijn gedrag aan te passen. De rechtbank geeft de officier van justitie ernstig in overweging om zo spoedig mogelijk een rechterlijke machtiging (in het kader van de Wet Bopz) aan te vragen.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding III onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal dan ook ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 350,00 toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente met ingang van 20 december 2014 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade op 20 december 2014 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder bij dagvaarding III onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 45, 57, 139, 266, 267, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (met parketnummer 09/827440-16) primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte:

- het bij dagvaarding I (met parketnummer 09/827440-16) subsidiair tenlastegelegde feit,

- de bij dagvaarding II (met parketnummer 09/233773-15) onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en

- de bij dagvaarding III (met parketnummer 09/282892-14) onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I (met parketnummer 09/827440-16) subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van dagvaarding II (met parketnummer 09/233773-15) feit 1:

wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vorering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen;

ten aanzien van dagvaarding II (met parketnummer 09/233773-15) feit 2:

wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vorering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen;

ten aanzien van dagvaarding III (met parketnummer 09/282892-14) feit 1:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening;

ten aanzien van dagvaarding III (met parketnummer 09/282892-14) feit 2:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van één (1) jaar;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] , een bedrag van € 350,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 350,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. Y.C. Bours, rechter,

mr. B.P. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2017.

Mrs. J.A. van Steen en Y.C. Bours zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de processen-verbaal met de nummers: - PL1500-2016194948, van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft (doorgenummerd blz. 1 t/m 34 en deels ongenummerd)(hierna: Pv1); - PL1500-2015338601, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum (doorgenummerd blz. 1 t/m 13)(hierna: Pv2); - PL1500-2015341195, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum (doorgenummerd blz. 1 t/m 20)(hierna: Pv3); - PL0600-2014229562, van de politie eenheid oost-Nederland, TWN Divisie Informatie en Recherche (doorgenummerd blz. 1 t/m 15)(hierna: Pv4).

2 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 25 (Pv1).

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 34 (Pv1).

4 Proces-verbaal van aanhouding, p. 7 (Pv1); Proces-verbaal van bevindingen, met proces-verbaalnummer PL1500-2016194948-18, d.d. 12 januari 2017.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16 en fotobladen op p. 17 t/m 23 (Pv1).

6 Proces-verbaal van bevindingen, met proces-verbaalnummer PL1500-2016194948-18, d.d. 12 januari 2017.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16 (Pv1).

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 4 (Pv4).

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 12 (Pv4).

10 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 11 september 2017.