Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10792

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
C/09/520571 / HA ZA 16-1206
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid doordat de vennootschap een IE-kort geding aanhangig heeft gemaakt in de wetenschap dat zij niet aan evt. proceskostenveroordeling kon voldoen? Misbruik van recht. Vereenzelviging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0048
NJF 2018/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/520571 / HA ZA 16-1206

Vonnis van 6 september 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VG COLOURS B.V.,

gevestigd te De Lier, gemeente Westland,

eiseres,

advocaat mr. T.F.W. Overdijk te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B.V. I] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [A],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagden,

advocaat mr. E.K. Ditvoorst te Rotterdam.

Partijen zullen hierna VG Colours en [B.V. I c.s.] (afzonderlijk respectievelijk [B.V. I] en [de heer A] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 oktober 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 28 december 2016, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 juni 2017 en de daarin genoemde stukken, waaronder de brief van 22 mei 2017 met aanvullende producties aan de zijde van [B.V. I c.s.]

1.2.

Ten slotte is een datum voor het vonnis bepaald.

1.3.

Het proces-verbaal van comparitie is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [B.V. I c.s.] heeft bij brief van 29 juni 2017 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt onderdeel uit van het procesdossier.

2 De feiten

2.1.

VG Colours is een onderneming die zich onder meer richt op teelt en verhandeling van gekleurde orchideeën.

2.2.

[B.V. I] is enig bestuurder en aandeelhouder van HE Licenties B.V. (hierna: HE Licenties). [de heer A] is enig bestuurder van [B.V. I] HE Licenties is een onderneming die zich bezig houdt met de exploitatie van octrooirechten in de sierplantenindustrie.

2.3.

VG Colours en HE Licenties hebben sinds medio 2015 een geschil over de vraag of VG Colours inbreuk maakt op een octrooi met het kenmerk NL104904 van Hanson Uitgevers (hierna: Hanson) dat ziet op kleuren van orchideeën (hierna: het octrooi(recht)). HE Licenties is ten aanzien van het octrooi licentienemer van Hanson.

2.4.

HE Licenties heeft in juni 2015 bij deze rechtbank een kort geding procedure aanhangig gemaakt tegen VG Colours (bij deze rechtbank bekend onder zaak- en rolnummer C/09/489570 / KG ZA 15-756). De vordering van HE Licenties in conventie strekte – kort en zakelijk weergegeven - tot een verbod op verdere inbreuken op het octrooirecht, een bevel tot een verzoek aan afnemers van VG Colours om verkochte en/of geleverde planten te retourneren en een bevel om een lijst van afnemers van VG Colours ten aanzien van die planten aan HE Licenties te verstrekken, een en ander op straffe van een dwangsom. In reconventie vorderde VG Colours een bevel aan HE Licenties tot rectificatie aan alle media en/of geadresseerden die eerder van HE Licenties berichten hebben ontvangen met betrekking tot de vermeende octrooi-inbreuk.

2.5.

Bij aangetekende brief van 18 augustus 2015 heeft de raadsman van VG Colours aan [B.V. I c.s.] bericht dat VG Colours hen, als bestuurder en indirect bestuurder van HE Licenties, bij afwijzing van de vordering van HE Licenties aansprakelijk houdt voor betaling van een eventuele schadevergoeding en een proceskostenveroordeling, indien zou blijken dat HE licenties daarvoor onvoldoende verhaal zou bieden.

2.6.

Bij vonnis in kort geding van 10 september 2015 (hierna: het kortgedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering in conventie van HE Licenties afgewezen. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter – kort en zakelijk weergegeven – dat de gestelde octrooi-inbreuk onvoldoende aannemelijk is geworden.

De voorzieningenrechter heeft HE Licenties veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie, begroot op € 97.953,90, en deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De voorzieningenrechter heeft de reconventionele vordering van VG Colours eveneens afgewezen met veroordeling van VG Colours in de proceskosten in reconventie, begroot op nihil. Daartoe is het vonnis overwogen:

“5.11. VG Colours wenst in reconventie rectificatie. Met HE Licenties vermag de

voorzieningenrechter evenwel niet in te zien dat in het 2.14 weergegeven bericht (dat kennelijk gebaseerd is op een door HE Licenties uitgegeven persbericht en/of andere mededelingen) enige onjuistheid staat. Er staat immers niets meer of anders dan dat HE Licenties van oordeel is dat sprake is van inbreuk. Het is geen sommatie of andere vorm van handhaving jegens een derde. Verder ligt de ongeldigheid van de ingeroepen voortbrengselconclusies of niet-inbreuk op de werkwijzeconclusies niet dusdanig voor de hand dat HE Licenties door ter zake mede te delen dat sprake is van inbreuk, tegen beter weten in heeft gehandeld.

5.12.

De slotsom is dat de door VG Colours gevorderde rectificatie moet worden

afgewezen. Zij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. (…)”

2.7.

Met een e-mail van 16 september 2015 heeft de raadsman van HE Licenties aan de raadsman van VG Colours bericht dat HE Licenties in hoger beroep zal gaan van het kortgedingvonnis maar dat zij vrijwillig aan de proceskostenveroordeling zal voldoen en in verband met beperkte financiële middelen verzoekt om een betalingsregeling te treffen.

2.8.

Met een e-mail van 25 september 2015 heeft de raadsman van VG Colours aan de raadsman van HE Licenties bericht dat een betalingsregeling voor VG Colours niet aanvaardbaar is. In de e-mail wordt verzocht om voldoening van de proceskosten ineens, uiterlijk op 1 oktober 2015. HE Licenties heeft niet aan dit verzoek voldaan.

2.9.

HE Licenties is op 2 oktober 2015 in hoger beroep gegaan van het kortgedingvonnis. Deze procedure is thans aanhangig bij het gerechtshof Den Haag.

2.10.

Op 5 oktober 2015 heeft VG Colours het kortgedingvonnis aan HE Licenties laten betekenen met het bevel tot betaling van € 97.953,90 aan proceskosten, vermeerderd met nasalaris en kosten. HE Licenties heeft niet aan dit bevel voldaan.

2.11.

Bij aangetekende brief van 29 december 2015 heeft de raadsman van VG Colours [B.V. I c.s.] gesommeerd tot betaling van € 100.149,67 aan proceskosten en verschuldigde rente, uiterlijk op 31 december 2015. [B.V. I c.s.] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

2.12.

Bij brief van 11 januari 2016 heeft [B.V. I c.s.] aan de raadsman van VG Colours aansprakelijkheid voor de proceskosten van de hand gewezen.

2.13.

Na daartoe bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 8 september 2016 verlof te hebben verkregen, heeft VG Colours op 12 september 2016 ten laste van [B.V. I c.s.] conservatoir beslag laten leggen op aan hen toebehorende onroerende zaken, aandelen en certificaten van aandelen.

3 Het geschil

3.1.

VG Colours vordert samengevat -:

  • -

    i) een verklaring voor recht dat [B.V. I c.s.] in zijn hoedanigheid van bestuurder c.q. feitelijk leidinggever hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering wegens proceskosten die VG Colours heeft op HE Licenties uit hoofde van het kort geding vonnis dat tussen VG Colours en HE Licenties is gewezen op 10 september 2015;

  • -

    ii) [B.V. I c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 97.953,90, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    iii) [B.V. I c.s.] te veroordelen in de kosten van de procedure, met inbegrip van de beslagkosten.

3.2.

VG Colours legt aan haar vordering ten grondslag dat [B.V. I] als bestuurder van HE Licenties wist, althans behoorde te weten dat HE Licenties, in geval zij in de kort geding procedure in het ongelijk zou worden gesteld voor een aanzienlijk bedrag in de proceskosten zou worden veroordeeld en dat HE Licenties voor die vordering van VG Colours onvoldoende verhaal zou bieden. Door desondanks niet of onvoldoende zorg te dragen voor de beschikbaarheid van financiële middelen om te kunnen voldoen aan een veroordeling in de proceskosten, heeft [B.V. I] als bestuurder onrechtmatig jegens VG Colours gehandeld en is zij aansprakelijk voor de schade die VG Colours daardoor heeft geleden. Hetzelfde geldt ten aanzien van [de heer A] die met het oog op de handelingen namens HE Licenties heeft te gelden als middellijk bestuurder c.q. feitelijk leidinggever.

Daarnaast dienen [B.V. I] en HE Licenties te worden vereenzelvigd waardoor de vordering op HE Licenties ook kan worden verhaald op [B.V. I] Als laatste is [de heer A] als feitelijk bestuurder van [B.V. I] en HE Licenties aansprakelijk.

3.3.

[B.V. I c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bestuurdersaansprakelijkheid

4.1.

De kern van het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of [B.V. I c.s.] , als (indirect) bestuurder van HE Licenties, jegens VG Colours onrechtmatig heeft gehandeld door te bewerkstellingen dan wel toe te staan dat HE Licenties een kort geding tegen VG Colours is gestart, wetende dat HE Licenties de proceskosten niet zou kunnen voldoen bij verlies van die procedure.

4.2.

Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).

4.3.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vraag of [B.V. I c.s.] een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt voorop dat er geen algemene regel bestaat dat een partij voorafgaande aan een procedure voldoende gelden ter beschikbaar dient te hebben ter dekking van een eventuele kostenveroordeling. Het is juist dat dit ertoe leidt dat een wederpartij zich geconfronteerd kan zien met een onmogelijkheid van verhaal ter zake van de proceskostenveroordeling. Dit is echter, gezien het in artikel 6 EVRM geborgde recht op een effectieve toegang tot de rechter, een maatschappelijk risico voor diegenen die in rechte betrokken worden en dat in zijn algemeenheid, naar gangbare rechtsopvatting, aanvaardbaar is. Dat [B.V. I c.s.] niet of onvoldoende zorg zou hebben gedragen voor de beschikbaarheid van financiële middelen bij HE Licenties om aan een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen – hetgeen [B.V. I c.s.] overigens betwist – levert op zichzelf dus geen grond voor aansprakelijkheid op.

4.4.

Ter zitting heeft VG Colours betoogd dat dit in intellectuele-eigendomszaken anders ligt, nu op de voet van 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – anders dan in andere zaken – doorgaans een volledige proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Dit betoog faalt echter. Artikel 1019h Rv vormt de implementatie van artikel 14 Handhavingsrichtlijn, welke bepaling tot doel heeft het niveau van de bescherming van de intellectuele eigendom te versterken door te voorkomen dat een benadeelde partij ervan zou worden weerhouden om ter waarborging van zijn rechten een gerechtelijke procedure in te stellen. De stelling van VG Colours dat een partij in elk geval in intellectuele-eigendomszaken voldoende middelen beschikbaar dient te hebben alvorens een procedure te starten, staat naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met voornoemde doelstelling en kan daarom niet als juist worden aanvaard.

4.5.

Het voorgaande neemt niet weg dat processuele bevoegdheden – waaronder het aanhangig maken van een procedure – vatbaar kunnen zijn voor misbruik. In dit verband heeft de Hoge Raad overwogen dat sprake kan zijn van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012, 233).

4.6.

VG Colours stelt in dit verband, zo begrijpt de rechtbank, dat HE Licenties zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen, omdat zij een kortgedingprocedure tegen VG Colours is begonnen in de wetenschap dat haar op octrooi-inbreuk gebaseerde vorderingen bijzonder weinig kans van slagen hadden en zij de te verwachten volledige proceskostenveroordeling niet zou kunnen voldoen. Daarvan treft [B.V. I c.s.] als (indirect) bestuurders van HE Licenties een ernstig persoonlijk verwijt, ook omdat VG Colours hiervoor bij aangetekende brief van 18 augustus 2015 heeft gewaarschuwd, aldus VG Colours.

4.7.

De rechtbank is, bezien tegen de achtergrond van de in 4.5 geformuleerde maatstaf en terughoudend toetsend, van oordeel dat het gestelde misbruik van procesrecht door HE Licenties niet is komen vast te staan. In het kortgedingvonnis van 10 september 2015 heeft de voorzieningenrechter reeds overwogen (r.o. 5.11): “Verder ligt de ongeldigheid van de ingeroepen voortbrengselconclusies of niet-inbreuk op de werkwijzeconclusies niet dusdanig voor de hand dat HE Licenties door ter zake mede te delen dat sprake is van inbreuk, tegen beter weten in heeft gehandeld.” VG Colours heeft in de onderhavige procedure geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de vorderingen van HE Licenties, in weerwil van hetgeen in het kortgedingvonnis is overwogen, op voorhand geheel kansloos waren. De beslissing van HE Licenties om VG Colours in kort geding te betrekken kan daarom niet als onrechtmatig handelen worden bestempeld.

4.8.

Uit het voorgaande volgt tevens dat VG Colours geen omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan [B.V. I c.s.] een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De vorderingen van VG Colours komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking, voor zover deze zijn gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid van [B.V. I c.s.]

Vereenzelviging

4.9.

VG Colours voert voorts als grondslag voor haar vorderingen aan dat voldoende aanleiding bestaat voor vereenzelviging van de vennootschappen [B.V. I] en HE Licenties. VG Colours stelt in dat verband dat [B.V. I c.s.] misbruik hebben gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze twee vennootschappen, welk misbruik erin bestond dat zij een ‘lege huls’ als procespartij hebben ingezet met als doel het verhaal van kosten te frustreren, als gevolg waarvan VG Colours is benadeeld. Daarom moet volledig aan het identiteitsverschil tussen HE Licenties en [B.V. I] worden voorbijgegaan, aldus nog steeds VG Colours.

4.10.

De rechtbank overweegt dat gelet op de arresten van de Hoge Raad inzake Rainbow/Ontvanger (Hoge Raad 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480; NJ 2000, 698) en Krijger/Citco (Hoge Raad 9 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1752; NJ 1996, 213), de weg van vereenzelviging slechts onder uitzonderlijke omstandigheden openstaat voor een crediteur. Er dient in ieder geval sprake van te zijn dat degene die volledige of overheersende zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik maakt van het identiteitsverschil tussen die rechtspersonen. Wat dat betreft heeft VG Colours echter niets aan uitzonderlijke omstandigheden gesteld, noch is dat anderszins gebleken. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank dat [B.V. I c.s.] onweersproken heeft aangevoerd dat HE Licenties een lopende onderneming is die op regelmatige basis inkomsten verkrijgt en dat het onderbrengen van vermogensrechten (zoals octrooien) in een andere vennootschap in het handelsverkeer geen uitzonderlijke omstandigheid is. Het beroep op vereenzelviging faalt dus.

Resumé en kosten

4.11.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de vorderingen van VG Colours zullen worden afgewezen.

4.12.

VG Colours zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [B.V. I c.s.] begroot op € 3.903,- aan griffierecht en € 2.842,- (2 punten x tarief € 1.421,-) aan salaris advocaat, in totaal € 6.745,-.

4.13.

De proceskostenveroordeling levert voor de nakosten ook een executoriale titel op (zie onder meer Hoge Raad 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116) zodat deze kosten niet afzonderlijk in het dictum zullen worden opgenomen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van VG Colours af;

5.2.

veroordeelt VG Colours in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [B.V. I c.s.] begroot op een bedrag van 6.745,-;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.1

1 type: 2476