Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10784

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
C/09/537952 / FT RK 17/1480 en C/09/17/326 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel staat niet in de weg aan faillissementsaanvraag. Verweerder had voldoende gelegenheid vermogen liquide te maken. Geen misbruik van bevoegdheid door Ontvanger.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 17, geldigheid: 2017-09-01
Faillissementswet 1, geldigheid: 2015-11-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2017/311 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer : C/09/537952 / FT RK 17/1480

insolventienummer: C/09/17/000 F

uitspraakdatum : 12 september 2017

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,

mede kantoorhoudende te Den Haag,

verzoeker,

advocaat: mr. E.E. Schipper,

heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:

[verweerder],

geboren op [geboortedatum] 1941 te [geboorteplaats],

woonadres: [adres, postcode en woonplaats],

verweerder,

advocaat: mr. R. Zilver.

Verzoeker zal hierna worden aangeduid als ‘de Ontvanger’ en verweerder als ‘[verweerder]’.

Het verzoekschrift is op 12 september 2017 behandeld in raadkamer. Daarbij zijn verschenen:

- de rijksadvocaat, mr. E.E. Schipper;

- [ A], werkzaam bij de Belastingdienst;

- [ verweerder], verweerder;

- mr. R. Zilver, advocaat van [verweerder];

- mr. S.H. Kayed, advocaat van [verweerder].

Het verzoek, de stellingen van de Ontvanger en het verweer van [verweerder]

De Ontvanger heeft het faillissement van [verweerder] aangevraagd stellende dat hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen nu hij zowel de vordering van de Ontvanger als andere vorderingen onbetaald laat. [verweerder] heeft dit verzoek betwist. Ter onderbouwing van hun standpunten hebben partijen het volgende aangevoerd.

De Ontvanger heeft uit hoofde van onherroepelijk vaststaande aanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen, kansspelbelasting, premieheffing en omzetbelasting die zien op de periode 1989 tot en met 1994 een opeisbare vordering van in totaal ruim € 2.5 miljoen op [verweerder]. Op deze vordering strekt een bedrag van € 22.000,- in mindering, welk bedrag [verweerder] de Ontvanger medio juli 2017 heeft betaald. [verweerder] laat daarnaast andere crediteuren, de gemeente ’s-Gravenhage en de Direktbank, onbetaald en verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, aldus de Ontvanger.

[verweerder] stelt zich op het standpunt stelt dat de Ontvanger door het doen van deze faillissementsaanvraag misbruik van zijn bevoegdheid daartoe maakt. [verweerder] heeft, kort samengevat, aangevoerd dat (i) de Ontvanger de faillissementsaanvraag uitsluitend doet om aan de schorsende werking van artikel 17 lid 2 van de Invorderingswet 1990 te ontkomen, omdat [verweerder] verzet heeft ingesteld tegen het dwangbevel van de Ontvanger. Dat verzet staat ook aan een faillissementsaanvraag in de weg, (ii) [verweerder] niet of onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn onroerend goed liquide te maken, (iii) een door de curator in te stellen onderzoek in de onderhavige zaak volstrekt overbodig is en (iv) de Ontvanger over minder vergaande middelen, waaronder verweer voeren in de verzetprocedure dan wel rechterlijke toestemming vragen om de schorsende werking opgeheven te krijgen, beschikt dan het doen van deze faillissementsaanvraag.

Beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.

Ten aanzien van het verzet dat [verweerder] heeft ingesteld tegen het dwangbevel overweegt de rechtbank dat verzet tegen een dwangbevel als bedoeld in artikel 17 Invorderingswet 1990 noch op grond van die wet noch op grond van de Faillissementswet aan een faillissementsaanvraag in weg staat. Het verzet schorst enkel het dwangbevel. Omdat een verzet niet aan de aanvraag in de weg staat, is ook de kans van slagen van dat verzet daarvoor niet van belang. Dat [verweerder] nooit getuigen heeft kunnen horen in de procedures over de belastingaanslagen en of dat, volgens [verweerder], een oordeel over de materiële verschuldigdheid tot een geslaagd verzet zal leiden, brengt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel. Het verweer faalt.

Het verweer dat [verweerder] niet in de gelegenheid is geweest zijn vermogen in onroerende zaken liquide te maken staat evenmin aan de aanvraag in de weg. Er is sinds de eerste aanslag voldoende tijd geweest om onroerende zaken te verkopen. Van het rauwelijks aanvragen van het faillissement is evenmin sprake. Ook dat verweer faalt.

Het verweer dat het faillissement geen doel zou dienen doet evenmin opgeld. Vast staat dat [verweerder] vermogen heeft dat onder zijn schuldeisers verdeeld kan worden. Het verweer dat het faillissement niet nodig zou zijn voor onderzoek naar verhaalsobjecten miskent dat de werkzaamheden van de curator veel meer omvatten dan het doen van verhaalsonderzoek. Ook overigens zijn er geen gronden voor het oordeel dat de Ontvanger de bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement niet zou hebben of zou misbruiken.

De verschuldigdheid van de hoofdvordering staat in rechte vast of, anders gezegd, de besluiten waarbij de aanslagen zijn vastgesteld hebben formele rechtskracht. Ook een herzieningsverzoek heeft niet tot een andere uitkomst geleid. Het vorderingsrecht van de Ontvanger is dan ook summierlijk komen vast te staan. Het bestaan van steunvorderingen van de gemeente Den Haag en de Direktbank is niet betwist.

Eveneens staat voldoende summierlijk vast dat [verweerder] is komen te verkeren in de toestand van hebben opgehouden te betalen. Onbestreden is dat er activa zijn en dat er onvoldoende liquide middelen zijn om de vorderingen te voldoen. De betaling van de hypotheeklasten en een overboeking aan de Ontvanger vormen niet een voldoende betwisting van die toestand.

De rechtbank beslist dan ook als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart [verweerder], voornoemd, in staat van faillissement;

- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdinsolventieprocedure is als bedoeld in artikel

3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese

Unie (herschikking IVO);

- benoemt tot rechter-commissaris mr. G.H.M. Smelt

en stelt aan als curator mr. B.F. van Noort,
advocaat te Delft;

- geeft last aan de curator tot het openen van aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.

Gewezen door mr G.H.M. Smelt, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

12 september 2017 om 12:02 uur, in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

De behandelend juridisch medewerker is A.M.C. van der Zwan.

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.