Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10766

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-08-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
NL17.6161
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank neemt de overwegingen 4.2 tot en met 4.8 van de uitspraak van 12 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:5048) van de rechtbank Den Haag over en maakt deze tot de hare.

Niet in geschil is dat eiser rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 Vw. Ten tijde van het opleggen van de maatregel viel eiser onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn. Artikel 3, eerste lid, Opvangrichtlijn bepaalt immers –voor zover hier van belang - dat zij van toepassing is op o.a. derdelanders die een asielverzoek op het grondgebied van een lidstaat indienen, voor zover zij als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven. In aanvulling daarop neemt de rechtbank in aanmerking de definitie van “verzoeker” in de Procedure- en Opvangrichtlijn, die luidt: “een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.”. De definitie voor “definitieve beslissing” luidt blijkens artikel 2, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn: “een beslissing of de onderdaan van een derde land (…) de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de verzoekers in de lidstaten mogen blijven in afwachting van het resultaat.” Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een vreemdeling “verzoeker” blijft in de zin van zowel de Procedure- als de Opvangrichtlijn, zolang de beslissing van verweerder nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval zolang rechtsmiddelen openstaan en benut worden, zoals in het onderhavige geval. Uit artikel 7.3 Vb volgt dat eiser het recht heeft de uitkomst van zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te wachten. Ook op grond van artikel 46, aanhef, vijfde respectievelijk achtste lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat de lidstaat de asielzoeker moet toestaan op het grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van zijn rechtsmiddel dan wel schorsingsverzoek.

Derhalve dient geconcludeerd te worden dat eiser op het grondgebied mag verblijven in de zin van artikel 3, eerste lid van de Opvangrichtlijn en valt eiser onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn.

Nu eiser in ieder geval in afwachting van de uitkomst van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen in Nederland mag blijven, kan hij slechts in bewaring worden gesteld krachtens artikel 8, derde lid van de Opvangrichtlijn. In dit artikel is bepaald – voor zover hier van belang – dat een asielzoeker alleen in bewaring mag worden gehouden wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen. Het EU Hof van Justitie heeft in het arrest van 15 februari 2016 (C-601/15 PPU (ECLI:EU:C:2016:84)) overwogen dat het begrip „openbare orde", naast de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, in elk geval veronderstelt dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de zware en lichte bewaringsgronden en deze gronden zijn ook door verweerder toegelicht. Met deze verwijzing naar de bewaringsgronden heeft verweerder echter niet kenbaar gemotiveerd dat en waarom de persoonlijke gedragingen van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6161


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A. Šimičević, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Pakistaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Ingevolge artikel 5.1a, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling als bedoeld in artikel 59, eerste lid, Vw in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Artikel 5.1b, eerste lid, Vb bepaalt dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, Vb slechts is voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde (zware gronden) en vierde lid (lichte gronden) van artikel 5.1b Vb zich voordoen.

3. Verweerder acht het in het belang van de openbare orde dan wel de nationale veiligheid dat eiser in bewaring wordt gesteld omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft eiser dan ook op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld omdat eiser:

(zware gronden)

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.

(lichte gronden)

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;

4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

4. Eiser voert aan dat de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) niet op hem van toepassing is omdat hij onder de Opvangrichtlijn (Richtlijn 2013/33/EU) valt. Eiser heeft asiel aangevraagd en mag de behandeling van zijn verzoek om een voorlopig voorziening in Nederland afwachten. De bewaring van eiser is in strijd is met de Opvangrichtlijn. Artikel 3, eerste lid, Opvangrichtlijn bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming op het grondgebied, inclusief aan de grens, in de territoriale wateren of in de transitzones, van een lidstaat indienen voor zover zij als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven. In het kader van de asielprocedure mag eiser zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland afwachten. Dat eiser het recht heeft de uitkomst van de voorlopige voorziening in Nederland af te wachten volgt uit artikel 7.3 Vb. Ook uit artikel 46, aanhef, vijfde respectievelijk achtste lid, van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) volgt dat de lidstaat de asielzoeker moet toestaan op het grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van zijn rechtsmiddel dan wel schorsingsverzoek. Derhalve dient geconcludeerd te worden dat eiser op het grondgebied mag verblijven in de zin van artikel 3, eerste lid, Opvangrichtlijn en dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn. Gelet op punt 15 van de considerans bij de Opvangrichtlijn moet bewaring van asielzoekers worden toegepast in overeenstemming met het onderliggende beginsel dat personen niet in bewaring mogen worden gehouden om de enkele reden dat zij internationale bescherming zoeken, met name overeenkomstig de internationale wettelijke verplichtingen van de lidstaten en overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag van Genève. Asielzoekers mogen alleen in bewaring worden genomen onder de in deze richtlijn vastgestelde, zeer duidelijk omschreven uitzonderlijke voorwaarden en alleen indien dit beantwoordt aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, zowel wat de wijze als wat het doel van de bewaring betreft. Nu eiser in ieder geval in afwachting van de uitkomst van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mag blijven, kan hij slechts in bewaring worden gesteld krachtens artikel 8, derde lid, Opvangrichtlijn. Niet blijkt uit de maatregel op welke wijze dit artikel door verweerder is overwogen. Dit maakt de maatregel reeds onzorgvuldig en onrechtmatig. Daarnaast is te weinig gemotiveerd waarom een actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde bestaat.

Nu eiser een asielzoeker is met rechtmatig verblijf in afwachting van zijn beroepsprocedure, kan niet gesteld worden dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is.

Eiser meent voorts dat er geen redelijke gronden zijn om aan te nemen dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Eiser meent dat de bewaringsmaatregel onrechtmatig is opgelegd. Daar komt bij dat eiser kan verblijven op het adres van een ‘garantsteller’, dan wel een door verweerder toegewezen locatie.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser terecht op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring is gesteld. Eiser zit niet in bewaring als asielzoeker. Noch eisers beroep tegen de beslissing op zijn asielverzoek noch zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft opschortende werking. De Opvangrichtlijn spreekt van iemand die een asielverzoek heeft gedaan en om die reden in Nederland mag verblijven. Het is juist dat eiser zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Door de afwijzing van eisers asielverzoek is hij echter niet meer te kwalificeren als verzoeker in de zin van de Opvangrichtlijn.

Het verzoek om een voorlopige voorziening mag weliswaar in Nederland afgewacht worden, maar geeft geen rechtmatig verblijf. Dit is in overeenstemming met artikel 9 Procedurerichtlijn. Artikel 46, aanhef, vijfde respectievelijk achtste lid, Procedurerichtlijn – waarin het gaat om de mogelijkheid het verzoek om een voorlopige voorziening af te wachten – is hieraan niet gelijkwaardig, nu dit artikel spreekt over het recht op het grondgebied te blijven ingevolge, het vijfde en zesde lid. Het achtste lid maakt twee keer melding van de term ‘op het grondgebied verblijven’. De eerste vermelding ziet op het afwachten van de uitspraak in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening, de tweede vermelding op het afwachten van de uitspraak in de beroepsprocedure. Hiermee is geen sprake van een identieke betekenis. De voorzieningenrechter zou dan niet oordelen over het recht van de vreemdeling om op het grondgebied te verblijven, omdat dit recht er al zou zijn. De voorzieningenrechter heeft dan dus niets om te beoordelen. Rechtmatig verblijf is een nationaalrechtelijk begrip en in artikel 3 Opvangrichtlijn wordt naar het nationale recht verwezen. In haar uitspraak van 22 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN8249) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overwogen dat het in beginsel aan de nationale wetgever is om aan dit begrip binnen de grenzen van het unierecht invulling te geven. Het recht om het verzoek om een voorlopige voorziening te mogen afwachten is geïmplementeerd in artikel 7.3 Vb, maar hieruit vloeit niet voort dat tevens sprake is van rechtmatig verblijf. Dit zou anders worden indien het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen. Dan is sprake van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw.

Kortom, eiser is terecht de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd, aldus verweerder.

4.2

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft op 6 juli 2017 asiel aangevraagd. Bij besluit van 28 juli 2017, uitgereikt op diezelfde datum, is het asielverzoek afgewezen en aan eiser een inreisverbod van twee jaren opgelegd. Tevens behelst het besluit een terugkeerbesluit waarbij eiser is aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten. In het besluit staat voorts vermeld dat indien eiser tijdig een verzoek om een voorlopig voorziening indient, hij de behandeling daarvan wel in Nederland mag afwachten. Op 28 juli 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en connex hieraan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

4.3

Bij uitspraak van 12 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:5048) heeft de rechtbank Den Haag het volgende overwogen, voor zover van belang:

“4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 van de Vw.

4.3

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de bewaring van eiser in strijd is met de Opvangrichtlijn. Daartoe dient eerst de vraag te worden beantwoord of eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn valt. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Artikel 3, eerste lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming op het grondgebied, inclusief aan de grens, in de territoriale wateren of in de transitzones, van een lidstaat indienen voor zover zij als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven, alsmede op de gezinsleden, indien zij overeenkomstig het nationale recht onder dit verzoek om internationale bescherming vallen.

Zoals onder 4.1 is overwogen mag eiser de uitspraak op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland afwachten. Dat eiser het recht heeft de uitkomst van de voorlopige voorziening in Nederland af te wachten volgt uit artikel 7.3 van het Vreemdelingenbesluit. Ook op grond van artikel 46, aanhef, vijfde respectievelijk achtste lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat de lidstaat de asielzoeker moet toestaan op het grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van zijn rechtsmiddel danwel schorsingsverzoek. Derhalve dient geconcludeerd te worden dat eiser op het grondgebied mag verblijven in de zin van artikel 3, eerste lid van de Opvangrichtlijn en valt eiser onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn.

4.4

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eisers bewaring in strijd is met de Opvangrichtlijn.

Gelet op punt 15 van de considerans van de Opvangrichtlijn moet bewaring van asielzoekers worden toegepast in overeenstemming met het onderliggende beginsel dat personen niet in bewaring mogen worden gehouden om de enkele reden dat zij internationale bescherming zoeken, met name overeenkomstig de internationale wettelijke verplichtingen van de lidstaten en overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag van Genève. Asielzoekers mogen alleen in bewaring worden genomen onder de in deze richtlijn vastgestelde, zeer duidelijk omschreven uitzonderlijke voorwaarden en alleen indien dit beantwoordt aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, zowel wat de wijze als wat het doel van de bewaring betreft. Verzoekers die in bewaring worden gehouden, dienen daadwerkelijk de noodzakelijke procedurele waarborgen te kunnen genieten, zoals een beroep voor een rechterlijke instantie.

4.5

Nu eiser in ieder geval in afwachting van de uitkomst van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen in Nederland mag blijven, kan hij slechts in bewaring worden gesteld krachtens artikel 8, derde lid van de Opvangrichtlijn. In dit artikel is bepaald – voor zover hier van belang – dat een asielzoeker alleen in bewaring mag worden gehouden

(..)

e) wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen.

(..)

4.7

Het EU Hof van Justitie heeft in het arrest van 15 februari 2016 (C-601/15 PPU (ECLI:EU:C:2016:84)) overwogen dat het strikte kader voor de aan de bevoegde nationale instanties toegekende bevoegdheid om een verzoeker op grond van artikel 8, lid 3, eerste alinea, onder e), van de Opvangrichtlijn in bewaring te stellen, mede wordt gevormd door de door het Hof in de rechtspraak gegeven uitlegging aan de begrippen „nationale veiligheid" en „openbare orde" in andere richtlijnen, welke uitlegging ook geldt voor de Opvangrichtlijn. Zo heeft het Hof geoordeeld dat het begrip „openbare orde", naast de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, in elk geval veronderstelt dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

4.8

Verweerder dient derhalve in de maatregel van bewaring te motiveren dat en waarom eisers persoonlijke gedrag een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt.”

4.4

De rechtbank neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de hare. In aanvulling daarop neemt de rechtbank in aanmerking de definitie van “verzoeker” in de Procedure- en Opvangrichtlijn, die luidt: “een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.”. De definitie voor “definitieve beslissing” luidt blijkens artikel 2, aanhef en onder e, van de Procedurerichtlijn: “een beslissing of de onderdaan van een derde land (…) de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de verzoekers in de lidstaten mogen blijven in afwachting van het resultaat.”

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een vreemdeling “verzoeker” blijft in de zin van zowel de Procedure- als de Opvangrichtlijn, zolang de beslissing van verweerder nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval zolang rechtsmiddelen openstaan en benut worden, zoals in het onderhavige geval. De standpunten van verweerder gaan dan ook niet op.

In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar de zware en lichte bewaringsgronden en deze gronden zijn ook door verweerder toegelicht. Met deze verwijzing naar de bewaringsgronden heeft verweerder echter niet kenbaar gemotiveerd dat en waarom de persoonlijke gedragingen van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd.

5. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring dient te worden opgeheven.

6. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

7. De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 19 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 20x € 80,- = € 1.600,-.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.600,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2017.

griffier

rechter

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 1.600,- uit te betalen.

Gedaan op 17 augustus 2017, door mr. I. de Greef , rechter.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.