Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4291
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Bagdad, inreisverbod

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64, geldigheid: 2007-09-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4291

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde:mr. A.M.H.W. van Heerbeek ).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig O. Al Othman, tolk, en [partner] , partner van eiser.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij op [geboortedatum] 1964 geboren is en de Iraakse nationaliteit heeft. Eiser stelt dat hij tot de sjiitische bevolkingsgroep behoort en dat hij uit Bagdad komt.

Eiser verblijft naar eigen zeggen sedert 4 juli 2008 in Nederland.

Op 19 augustus 2008 heeft hij voor het eerst een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 26 februari 2009 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 18 maart 2010 door de rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, ongegrond verklaard (AWB 09/10679).

Op 11 september 2010 heeft eiser een opvolgende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 28 juli 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 30 mei 2012 door deze rechtbank ongegrond verklaard (AWB 11/26892).

Bij brief van 26 oktober 2014 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij onder het vertrekmoratorium (WBV 2014/31) dat voor asielzoekers afkomstig uit een aantal Iraakse provincies, waaronder Bagdad, geldt, valt.

2. Bij brief van 9 februari 2015, met als bijlage een ingevuld kennisgevingsformulier “Tweede of volgende asielaanvraag”, heeft eiser aangegeven dat hij een herhaalde asielaanvraag wil indienen wegens de verslechterde veiligheidssituatie in Centraal Irak.

Op 9 maart 2015 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Irak door de Islamitische Staat (IS) zal worden vermoord vanwege zijn sjiitische etniciteit. Eiser heeft op televisie gruwelijke beelden gezien hoe IS burgers afslachten. Eiser is gewaarschuwd door zijn broer die in Bagdad verblijft, om niet naar Irak terug te keren omdat het daar levensgevaarlijk is. Ook zonder IS is het in Irak niet veilig. Er zijn daar veel milities en er vinden vaak liquidaties plaats. Dit soort praktijken blijven bestaan in Irak. Van de milities vreest eiser in het bijzonder voor het Al-Mahdi leger, waarover eiser in zijn vorige asielprocedure heeft verklaard. Eiser heeft geen vertrouwen in de veiligheidsdiensten, rechterlijke macht en overheid in Irak. Eiser kan in Irak geen bescherming van de autoriteiten krijgen.

In zijn zienswijze van 14 februari 2017 heeft eiser aangegeven dat hij gedurende rechtmatig verblijf tijdens het besluit- en vertrekmoratorium gezinsleven heeft opgebouwd met een Nederlandse partner, met wie hij reeds geruime tijd samenwoont.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Tevens heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Verweerder heeft gewezen op het feit dat aan eiser bij het besluit van 29 juli 2011 een vertrektermijn van vier weken is gegeven en dat eiser aan deze vertrekverplichting niet heeft voldaan.

Eerst op 16 oktober 2014 is het vertrekmoratorium ingegaan, voor de duur van een jaar. Verweerder ziet dan ook niet in waarom er om die reden van het inreisverbod zou moeten worden afgezien. De enkele stelling dat eiser in Nederland gezinsleven heeft opgebouwd acht verweerder onvoldoende om van het inreisverbod af te zien.

4. Eiser heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser loopt als sjiitische moslim een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft onderbouwd gewezen op het feit dat juist sjiieten in sjiitische wijken slachtoffer zijn van de aanslagen door IS. Derhalve is het zijn van sjiiet een zodanig individueel kenmerk dat eiser bij terugkeer naar Bagdad een risico op een dergelijke behandeling loopt.

Eiser stelt voorts dat het opleggen van een inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, gelet op het gezinsleven met zijn Nederlandse partner. Dit klemt te meer nu bij eiser onlangs prostaatkanker is vastgesteld en hij hiervoor een zware behandeling zal moeten ondergaan. Eiser is afhankelijk van de emotionele steun en verzorging door zijn partner. Gelet op zijn medische situatie zal uitzetting naar Irak in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM. De medische zorg in Irak is voor hem feitelijk niet toegankelijk. Bagdad is overspoeld met ontheemden en er is gebrek aan voldoende deugdelijke medische zorg. Eiser beroept zich op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, Paposhvili, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de beroepsgrond dat aan hem een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 3 van het EVRM op medische gronden dient te worden verleend, ter zitting heeft ingetrokken, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733. Eiser heeft aangegeven dat hij een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000 zal indienden en in dat kader zijn medische omstandigheden zal onderbouwen.

5.2

In dit geval is sprake van een opvolgende asielaanvraag. De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, geoordeeld dat de bestuursrechter voortaan elk besluit op een herhaalde aanvraag - waarbij die aanvraag niet wordt ingewilligd - overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen.

5.3

Eiser beroept zich op de gewijzigde veiligheidssituatie in Irak.

De rechtbank overweegt dat het EHRM in het arrest van 23 augustus 2016 inzake J.K. e.a. tegen Zweden (zaaknummer 59166/12) heeft geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Irak niet zodanig is dat een algemene behoefte bestaat voor internationale bescherming van asielzoekers. De rechtbank verwijst voorts naar de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3084, waarin het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de stad Bagdad niet een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bestaat, is bevestigd. Verder verwijst de rechtbank naar de recente uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1744, waaruit geen ander beeld over de veiligheidssituatie in Bagdad naar voren komt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, mede gelet op in het bestreden besluit aangehaalde jurisprudentie, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Bagdad, ook voor een sjiiet zoals eiser, geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Hetgeen door eiser is aangevoerd is niet voldoende om van een dergelijke situatie te spreken. Uit de verschillende genoemde uitspraken volgt dat in het algemeen in Bagdad geen sprake is van een ‘15c situatie’. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt niet van een recente toename van het geweld in Bagdad, noch van het ontstaan van een specifiek significant gevaar voor sjiieten in Bagdad. Dat de aanvallen van IS voornamelijk op sjiitische wijken zouden zijn gericht is daarvoor niet voldoende, gegeven het feit dat de stad voornamelijk sjiitisch is.

5.4

Met betrekking tot de beroepsgrond dat eiser als sjiiet een groter risico dan anderen loopt op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in Irak, heeft eiser zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van hem van een dergelijke dreiging in Irak, of in het bijzonder in Bagdad, sprake is. In dit verband is van belang dat verweerder in zijn landsgebondenbeleid (paragraaf C13 van de Vreemdelingencirculaire 2000), de sjiitische bevolkingsgroep niet heeft aangemerkt als een risicogroep of als een kwetsbare minderheidsgroep. In het verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat IS in geen enkel gedeelte van de stad de controle heeft en zelfs ook in veel plekken in Irak verdreven is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat elke sjiiet in Bagdad een reëel risico loopt op een artikel 3 van het EVRM-schending bij terugkeer.

5.5

Eiser heeft ook geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij een risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Met de door hem overgelegde stukken heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk problemen zal ondervinden bij terugkeer naar Bagdad, alwaar hij altijd woonachtig is geweest. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van IS, een militie of een andere groepering in Irak zal komen te staan.

6.1

Met betrekking tot het inreisverbod overweegt de rechtbank dat verweerder in geval van een opvolgende asielaanvraag niet ambtshalve toetst of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM.

Eiser heeft zich niet gehouden aan zijn vertrekplicht, die uit het eerdere afwijzende besluit voortvloeit. In een dergelijke situatie wordt op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in beginsel een inreisverbod uitgevaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in hetgeen eiser bij de aanvraag en in de zienswijze naar voren heeft gebracht geen humanitaire of andere omstandigheden gelegen zijn op grond waarvan verweerder van het opleggen van een inreisverbod had hoeven afzien. Eiser is, gezien de overgelegde verklaring van zijn partner in beroep, een relatie aangegaan in een periode (2011-2012) waarin hij geen verblijfsvergunning had. Dat eiser later, in 2014, onder het vertrekmoratorium viel, doet hier niet aan af. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het opbouwen van gezinsleven zonder dat eiser een verblijfsvergunning in het verschiet had, in redelijkheid voor de rekening en risico van eiser dienen te komen.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts terecht aangevoerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De enkele stelling dat de Nederlandse partner van eiser artritis heeft is onvoldoende voor een ander oordeel.

Verweerder heeft zich gezien het vorenstaande op het standpunt kunnen stellen dat artikel 8 van het EVRM niet in de weg staat van het opleggen van een inreisverbod.

6.2

Met betrekking tot het betoog van eiser dat verweerder op grond van zijn medische situatie van het opleggen van een inreisverbod had moeten afzien, overweegt de rechtbank dat eiser dit betoog niet met stukken heeft onderbouwd. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij aan prostaatkanker geopereerd is, een tot twee maal per maand onder controle van een arts staat en bij de laatste controle de resultaten van de behandeling goed zijn gebleken.

Van humanitaire, medische redenen, op grond waarvan verweerder in het kader van het thans bestreden besluit bij voorbaat van het opleggen van een inreisverbod moet afzien, is gezien het vorenstaande geen sprake.

Het betoog van eiser dat het inreisverbod in de weg staat van een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000, omdat eiser met een inreisverbod de behandeling van de aanvraag niet in Nederland mag afwachten, leidt ook niet tot een ander oordeel. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, zal bij een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000 de medische situatie van eiser, indien deze met stukken is onderbouwd, ter beoordeling worden gelegd aan een medicus en indien deze beoordeling tot het oordeel leidt dat uitzetting achterwege moet blijven, eiser niet zal worden uitgezet.

Het beroep op het arrest Paposhvili kan eiser in het kader van de aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000 nader toelichten. Voor een geslaagd beroep op dit arrest in het onderhavige geding zijn onvoldoende gegevens aanwezig.

7. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen en aan hem een inreisverbod heeft opgelegd.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.