Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10662

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
C/09/510146 / HA ZA 16-506
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst; 5:14, 5:15, 5:16 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/510146 / HA ZA 16-506

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

RCV TECHNICAL SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.W. Mouthaan te Renswoude,

tegen

DRAADDATA B.V.,

gevestigd te Delft,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.D.A. baron van Lynden te Den Haag.

Partijen zullen hierna RCV TS en Draaddata genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 maart 2016 met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 15 juni 2016 met producties

  • -

    het comparitievonnis van 29 juni 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende indiening nadere producties van 1 december 2016

  • -

    de akte uitlating producties tevens akte houdende overlegging producties van 1 december 2016

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 1 december 2016

  • -

    de akte houdende wijziging van eis van 21 december 2016 met producties

  • -

    de antwoordakte van 25 januari 2017 met productie

  • -

    de akte van 5 april 2017.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben daarvan gebruik gemaakt, RCV TS bij brieven van 19 en 28 december 2016 en Draaddata bij brief van 23 december 2016. Deze correspondentie maakt onderdeel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

RCV TS is in 2013 opgericht door [A] ( [A] ). Draaddata is in 2014 opgericht door [B] ( [B] ). Draaddata heeft RCV TS in 2015 ingeschakeld voor de uitvoering van een opdracht voor HTM om draaddikten van trambovenleidingen te meten.

2.2.

De afspraken over de samenwerking tussen RCV TS en Draaddata zijn in eerste instantie mondeling gemaakt. Op 1 augustus 2015 heeft [B] per e-mail onder meer het volgende aan [A] bericht:

“Aanvullend daarop hebben we recent afgesproken dat:

  • -

    de vergoeding voor jouw inzet als mede ondernemer van DraadData door RCV TC wordt gefactureerd aan DraadData,

  • -

    om te kunnen factureren geeft DraadData daartoe opdracht aan RCv TC.

Nu er gelukkig weer overeenstemming met de HTM is en DraadData inmiddels als crediteur staat ingeschreven; verwacht ik binnenkort de opdracht van HTM. Ik verwacht ook dat jij en ik daar gezamenlijk met de HTM een groot succes van gaan maken, dat betekent concreet dat RCV TC opdracht van DraadData krijgt voor:

- het ontwerpen en vervaardigen van een adapterframe,

- het ontwerpen en vervaardigen van een montage mechanisme,

- het leveren van een compressor.

Gaat deze opdracht door dan wordt de omzet als volgt verdeeld:

- 8% inzet [… 1]

- 8% inzet [… 2]

- 14% kosten materialen en investeringen

- 35% inzet [… 3]

- 35% inzet [… 4]

Met de op dit moment geldende prijs kan RCV TC dus offreren voor een totaal bedrag van € 25.200,-- (bijna een modaal jaarinkomen!). Als je niet akkoord gaat met het bovenstaande wil je dat dan tijdig laten weten; ik zie in dat geval geen andere oplossing en ga het op een andere manier regelen.”

2.3.

RCV TS heeft voor de uitvoering van de opdracht een aantal onderdelen laten vervaardigen door derden. Draaddata heeft de kosten daarvan betaald. Ook heeft Draaddata een aantal machines gekocht ten behoeve van de uitvoering van de opdracht door RCV TS.

2.4.

RCV TS heeft Draaddata op 10 februari 2016 een factuur gestuurd van € 25.200,-- excl. BTW (€ 30.492,-- incl. BTW) voor de uitvoering van de opdracht. Draaddata heeft deze factuur niet betaald.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

RCV TS vordert na wijziging van eis samengevat - veroordeling van Draaddata bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot:

primair:

  • -

    betaling aan RCV TS van een bedrag van € 30.492,--;

  • -

    betaling aan RCV TS van de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van volledige betaling;

  • -

    afgifte aan RCV TS van de meetmachine zoals omschreven in punt 4.15 van de dagvaarding, binnen 5 dagen na de datum van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat Draaddata nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,--;

subsidiair indien de vordering tot afgifte wordt afgewezen:

  • -

    betaling aan RCV TS van € 75.400,-- als vergoeding voor de componenten van de meetmachine zoals omschreven in punt 4.15 van de dagvaarding, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  • -

    de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

primair en subsidiair:

  • -

    betaling aan RCV TS van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.079,92 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  • -

    betaling aan RCV TS van de beslagkosten zoals blijkend uit de exploten;

  • -

    betaling aan RCV TS van de proceskosten en de nakosten.

3.2.

RCV TS legt aan deze vorderingen ten grondslag dat, nu RCV TS de overeenkomst voor de opdracht voor HTM met Draaddata is nagekomen, Draaddata het overeengekomen bedrag van € 25.200,-- excl. BTW aan RCV TS moet betalen. Met betrekking tot de meetmachine stelt RCV TS dat deze in eigendom aan haar toebehoort. Subsidiair stelt RCV TS dat Draaddata de waarde moet vergoeden van de componenten die RCV TS voor de meetmachine heeft vervaardigd.

3.3.

Draaddata betwist dat partijen zijn overeengekomen dat Draaddata een bedrag van € 25.200,-- excl. BTW aan RCV TS moet betalen, en stelt dat RCV TS haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. Draaddata beroept zich op verrekening van kosten van materialen en machines. Draaddata stelt dat RCV TS haar verplichting tot het afleggen van verantwoording over de gewerkte uren niet is nagekomen en derhalve in schuldeisersverzuim verkeert. Draaddata stelt dat zij RCV TS slechts een redelijk loon verschuldigd is. Met betrekking tot de meetmachine betwist Draaddata dat deze in eigendom toebehoort aan RCV TS. Voor zover componenten aan RCV TS moeten worden teruggegeven, moet dit worden omgezet in een vervangende schadevergoeding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Ter comparitie hebben partijen in de reconventionele procedure een schikking bereikt en heeft Draaddata haar reconventionele vordering ingetrokken, waarbij partijen zijn overeengekomen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beoordeling

in conventie

Vordering tot betaling van € 30.492,--

4.1.

RCV TS stelt ter onderbouwing van haar vordering dat partijen zijn overeengekomen dat Draaddata aan RCV TS een bedrag verschuldigd is van € 25.200,-- excl. BTW (€ 30.492,-- incl. BTW) voor het uitvoeren van de opdracht voor HTM. RCV TS beroept zich daarbij onder meer op de e-mail van 1 augustus 2015 van [B] aan [A] en op het feit dat partijen uitvoering hebben gegeven aan deze overeenkomst.

4.2.

Draaddata betwist dat de e-mail van 1 augustus 2015 een correcte weergave is van de afspraken tussen partijen. Draaddata voert primair aan dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de voorwaarden van de opdracht. De e-mail was slechts een verzoek aan RCV TS om een offerte uit te brengen. Draaddata ging ervan uit dat in de offerte van RCV TS één en ander meer exact zou worden vastgelegd. Nu RCV TS dat heeft nagelaten, is geen sprake geweest van aanbod en aanvaarding. Subsidiair voert Draaddata aan dat partijen zijn overeengekomen dat aan RCV TS hoogstens een percentage van 35% van de opdracht zou toekomen. De e-mail van 1 augustus 2015 moet volgens Draaddata zo worden uitgelegd dat RCV TS een redelijk loon in de zin van art. 7:405 lid 2 BW zou krijgen voor daadwerkelijk gemaakte uren, tot een maximum van € 25.200 excl. BTW.

4.3.

Ter beoordeling staat de vraag wat partijen zijn overeengekomen over de vergoeding van RCV TS. Bij de uitleg van een overeenkomst gaat het, kort gezegd, om de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden aan de tekst van de overeenkomst mochten geven en om wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium). Draaddata betwist weliswaar dat de e-mail van 1 augustus 2015 een correcte weergave is van de afspraken tussen partijen, maar beroept zich in deze procedure zelf op de tekst van de e-mail waar het gaat om de omschrijving van de verplichtingen van RCV TS, en stelt in dat kader dat de tekst van de e-mail duidelijk is. Het standpunt van Draaddata dat de e-mail van 1 augustus 2015 (desondanks) geen correcte weergave is van de afspraken tussen partijen, is in dat licht onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de tekst van de e-mail van 1 augustus 2015 als uitgangspunt neemt bij het vaststellen van hetgeen partijen zijn overeengekomen. In de e-mail staat, zonder enig voorbehoud, dat 35% van de omzet van de opdracht toekomt aan RCV TS. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een bedrag is van € 25.200,-- excl. BTW (€ 30.492,-- incl. BTW). De rechtbank ziet in de tekst van de e-mail geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit bedrag een maximum bedrag zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat Draaddata aan RCV TS een bedrag verschuldigd is van € 25.200,-- excl. BTW (€ 30.492,-- incl. BTW) voor het uitvoeren van de opdracht voor HTM. Nu de hoogte van het loon door partijen is bepaald, is art. 7:405 lid 2 BW inzake het bepalen van een redelijk loon niet van toepassing.

4.4.

Draaddata betwist voorts dat zij het bedrag van € 25.200,-- excl. BTW verschuldigd is, omdat RCV TS op grond van art. 7:403 lid 2 BW een urenspecificatie had moeten overleggen. Nu RCV TS dat heeft nagelaten, verkeert zij in schuldeisersverzuim. RCV TS brengt daar tegen in dat partijen zijn overeengekomen dat RCV TS 35% van de omzet ontvangt van Draaddata, en dat niet is afgesproken dat RCV TS daarvoor een urenspecificatie moet overleggen.

4.5.

De rechtbank neemt, zoals in r.o. 4.3 overwogen, de tekst van de e-mail van 1 augustus 2015 als uitgangspunt bij het vaststellen van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Daarin ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het aannemen van een verplichting tot het overleggen van een urenspecificatie. Het gegeven dat de vergoeding van RCV TS is uitgedrukt in een percentage van de omzet, brengt mee dat de vergoeding niet afhankelijk is van het aantal uren dat RCV TS aan de opdracht heeft besteed en duidt erop dat RCV TS geen verplichting heeft tot het overleggen van een urenspecificatie. [A] heeft dat in ieder geval zo mogen begrijpen. Bovendien heeft Draaddata RCV TS pas op 5 februari 2016, nadat [A] zijn werkzaamheden grotendeels had verricht, om een urenspecificatie gevraagd, toen de opdracht bijna was afgerond en Draaddata haar factuur van € 72.000,-- excl. BTW aan HTM wilde gaan sturen. Ook art. 7:403 lid 2 BW schrijft niet voor dat de opdrachtnemer verantwoording moet afleggen door middel van een urenspecificatie. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende grond om te concluderen dat RCV TS verplicht was om aan Draaddata een urenspecificatie over te leggen. RCV TS verkeert derhalve niet in schuldeisersverzuim, en Draaddata is op deze grond niet bevoegd haar betalingsverplichting jegens RCV TS op te schorten.

4.6.

Draaddata voert als verweer aan dat zij bevoegd is tot verrekening van de kosten van materialen en machines die zij heeft moeten maken ten behoeve van de uitvoering van de opdracht door RCV TS. Volgens Draaddata heeft RCV TS het adapterframe en het montagesysteem niet zelf vervaardigd en de compressor niet zelf geleverd, maar heeft zij dit door derden laten doen, terwijl uit de e-mail van 1 augustus 2015 duidelijk volgt dat RCV TS deze materialen zelf had moeten vervaardigen. De kosten van materialen en machines die Draaddata daardoor heeft gemaakt, moeten worden verrekend met het bedrag dat Draaddata aan RCV TS verschuldigd is.

4.7.

In de e-mail van 1 augustus 2015 staat dat 14% van de omzet bestemd is voor “kosten materialen en investeringen.” Dat komt neer op een bedrag van € 10.080. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van materialen en machines ten behoeve van de uitvoering van de opdracht door RCV TS lager waren dan € 10.080,--. Draaddata heeft deze kosten in het najaar van 2015 op verzoek van RCV TS ook betaald en daarbij geen voorbehoud gemaakt dat [A] de materialen zelf had moeten vervaardigen of de kosten daarvan zelf had moeten dragen. Partijen hebben de afspraken zoals die zijn neergelegd in de e-mail van 1 augustus 2015 op dit punt zo uitgevoerd. De rechtbank leidt hieruit af dat partijen zijn overeengekomen dat 14% van de omzet uit de opdracht was gereserveerd voor kosten van materialen en investeringen, en ziet derhalve geen aanknopingspunten voor verrekening van deze kosten met het bedrag dat Draaddata aan RCV TS verschuldigd is.

4.8.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vordering van RCV TS tot betaling van het bedrag van € 30.492 toewijzen.

Vordering tot afgifte meetmachine

4.9.

De grondslag van de vordering van RCV TS tot afgifte van de meetmachine is artikel 5:2 BW, waarin wordt bepaald dat de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen. RCV TS stelt dat zij eigenaar is van de meetmachine en beroept zich daarbij op artikel 5:14 en 5:15 BW, waarin is bepaald dat de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar wordt van haar bestanddelen. Beoordeeld moet dus worden of er, in het concrete geval van de meetmachine, een hoofdzaak is, en zo ja, of RCV TS eigenaar is van de hoofdzaak. Als hoofdzaak moet worden aangemerkt de zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft, of die volgens verkeersopvatting als hoofdzaak wordt beschouwd.

4.10.

RCV TS stelt ter onderbouwing van haar vordering dat [A] de meetmachine in 2010 heeft gemaakt met zijn eigen materialen en materialen die hij van kennissen heeft gekregen. Draaddata heeft RCV TS nooit opdracht gegeven om de meetmachine te bouwen en heeft er ook niet voor betaald. De meetmachine bestaat volgens RCV TS uit de onderdelen genoemd in productie 8. Draaddata heeft alleen het optische gedeelte van de meetmachine ontworpen en gemaakt. Dat gedeelte is gemakkelijk uit de meetmachine te verwijderen, en is daarom geen bestanddeel van de meetmachine en dus niet aan te merken als hoofdzaak, aldus RCV TS.

4.11.

Draaddata betwist dat RCV TS de meetmachine heeft gemaakt. [A] heeft [B] in 2009 bij wijze van vriendendienst geholpen met het maken van enkele mechanische componenten. Het ontwerp van de meetmachine was echter van [B] , en ook de montage en uitlijning van de meetmachine zijn geheel door [B] gedaan. Draaddata onderbouwt dit met een aantal e-mails van mei en juni 2009, waarbij [B] ontwerptekeningen aan [A] heeft gestuurd. De mechanische onderdelen die [A] als vriendendienst voor [B] heeft gemaakt, zijn volgens Draaddata hulpstukken, losse onderdelen die Draaddata na zeer precieze uitlijning met andere onderdelen heeft gemonteerd. De essentie van de meetmachine is een unieke combinatie van mechanische, optische, elektronische en software know how, aldus Draaddata.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat RCV TS haar stelling dat de door haar vervaardigde onderdelen als hoofdzaak van de meetmachine moeten worden aangemerkt, onvoldoende heeft onderbouwd. Om de mechanische onderdelen te kunnen aanmerken als hoofdzaak van de meetmachine, is het immers niet voldoende om te stellen dat het optische gedeelte gemakkelijk te verwijderen is. Draaddata heeft bovendien aangevoerd dat juist het optische gedeelte van het meetinstrument de grootste waarde heeft omdat het ontwerpen, in elkaar zetten en uitlijnen daarvan specialistische kennis vereist. Niet is komen vast te staan dat de onderdelen die RCV TS heeft vervaardigd, moeten worden aangemerkt als hoofdzaak, waardoor de meetmachine in haar geheel in eigendom zou toebehoren aan RCV TS. De rechtbank komt (bij de beoordeling van de vordering tot afgifte) niet toe aan de vraag of de door RCV TS gemaakte onderdelen in eigendom toebehoren aan RCV TS, en zal de vordering van RCV TS tot afgifte van de meetmachine afwijzen.

Subsidiaire vordering tot vergoeding van de waarde van de onderdelen

4.13.

De subsidiaire vordering tot vergoeding van de waarde van de onderdelen van de meetmachine die door RCV TS zijn gemaakt, berust op de grondslag dat de onderdelen die in de meetmachine zijn verwerkt, in eigendom toebehoren aan RCV TS. RCV TS stelt dat Draaddata nooit opdracht heeft gegeven om de onderdelen te maken, dat Draaddata nooit voor de onderdelen heeft betaald, en dat RCV TS de onderdelen nooit aan Draaddata heeft overgedragen.

4.14.

Draaddata heeft aangevoerd dat [A] de onderdelen in 2009 op aanwijzing van [B] , als vriendendienst voor [B] heeft gemaakt. [B] heeft de mechanische onderdelen van de meetmachine ontworpen. Hij heeft dit onderbouwd met e-mails van mei en juni 2009, waarbij [B] ontwerptekeningen van de mechanische onderdelen aan [A] heeft gestuurd. Nadat [A] de mechanische onderdelen voor [B] had gemaakt, heeft [B] de meetmachine gemaakt door alle onderdelen te monteren en uit te lijnen.

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat [B] in 2009 eigenaar is geworden van de onderdelen. Uit de door Draaddata overgelegde e-mails blijkt dat [A] de onderdelen op verzoek en op aanwijzing van [B] ten behoeve van het meetinstrument van [B] heeft gemaakt, en dat [B] de ontwerpen voor de onderdelen heeft gemaakt. Uit de rechtsverhouding tussen partijen vloeit derhalve voort dat [B] de onderdelen voor zichzelf door [A] heeft doen vormen tot een nieuwe zaak, zodat [B] op grond van artikel 5:16 lid 2 BW eigenaar van de onderdelen is geworden. RCV TS kan dus niet met een beroep op haar eigendomsrecht een vergoeding voor de waarde van de onderdelen vorderen.

4.16.

Naast het beroep op eigendom heeft RCV TS de subsidiaire vordering niet (expliciet) op een andere grondslag gebaseerd. RCV TS stelt zelf dat Draaddata nooit opdracht heeft gegeven voor het maken van de onderdelen. Daaruit leidt de rechtbank af dat RCV TS ook geen beroep doet op een vergoeding als tegenprestatie voor het maken van de onderdelen. RCV TS heeft bovendien geen (andere) feiten aangevoerd op grond waarvan de rechtbank de rechtsgronden zou kunnen aanvullen. Daarbij komt dat Draaddata als verweer tegen de door RCV TS gevorderde vergoeding van de waarde van de onderdelen heeft aangevoerd dat zij de onderdelen in 2009 als vriendendienst, zonder bedinging van een tegenprestatie, van [A] heeft ontvangen, en dat dat moet worden aangemerkt als een schenking. Draaddata heeft dit verweer onderbouwd door de gang van zaken rond het vervaardigen van de onderdelen in 2009 toe te lichten en e-mails uit die periode te overleggen. Draaddata heeft voorts betoogd dat RCV TS tot aan de dagvaarding nooit rechten heeft doen gelden ten aanzien van de meetmachine. RCV TS heeft het verweer van Draaddata naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken. De enkele betwisting van de schenking is daarvoor onvoldoende, gelet op het feitelijke betoog van Draaddata. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [A] de onderdelen in 2009 voor [B] heeft gemaakt bij wijze van vriendendienst of schenking en dat deze schenking indertijd onvoorwaardelijk is geschied.

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat RCV TS geen recht heeft op een vergoeding van de waarde van de onderdelen. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan de beoordeling van de hoogte van de gevorderde vergoeding, en zal de subsidiaire vordering afwijzen.

Overige vorderingen

4.18.

RCV TS vordert Draaddata te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 79,65 voor verschotten en € 579,-- voor salaris advocaat.

4.19.

RCV TS maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt voorts vast dat RCV TS voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van

€ 1.079,92 zal daarom worden toegewezen.

4.20.

Nu partijen geen betaaltermijn zijn overeengekomen, is de wettelijke handelsrente op grond van art. 6:119a lid 2 BW van rechtswege verschuldigd vanaf 30 dagen na ontvangst van de factuur. De factuur van RCV TS is gedateerd op 10 februari 2016. Draaddata heeft de ontvangst van de factuur niet betwist, dus de rechtbank gaat ervan uit dat Draaddata de factuur in ieder geval op 12 februari 2016 heeft ontvangen. De wettelijke rente is derhalve verschuldigd vanaf 14 maart 2016.

4.21.

Partijen zijn over een weer deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin reden om te bepalen dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Draaddata om aan RCV TS te betalen een bedrag van € 30.492,-- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 30.492,-- met ingang van 14 maart 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Draaddata om aan RCV TS te betalen de beslagkosten, begroot op € 658,65,

5.3.

veroordeelt Draaddata om aan RCV TS te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.079,92,

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.1

1 type: 2520Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll: 1328