Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10463

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
NL17.6065, NL17.7067
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk, medische omstandigheden, zoon en broer asielvergunning in Nederland, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.7065

NL17.7067


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2017 in de zaken tussen

[eiseres 1] , eiseres 1,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[kind 1] ,

[kind 2] ,

[kind 3] ,

[kind 4] ,

en

[eiseres 2] , eiseres 2,

(samen te noemen: eiseressen)

(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 29 mei 2017 niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL17.7066 en NL17.7068, plaatsgevonden op 5 september 2017. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fauzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseressen zijn van Soedanese nationaliteit. [eiseres 1] is geboren op [geboortedatum] 1970, haar kinderen [kind 1] op [geboortedatum] 2001, [kind 2] op [geboortedatum] 2005, [kind 3] op [geboortedatum] 2003 en [kind 4] op [geboortedatum] 2006. [eiseres 2] is de oudste dochter van [eiseres 1] . Zij is geboren op [geboortedatum] 1992.

2. Verweerder heeft de aanvragen van eiseressen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarvoor is redengevend dat uit Eurodac is gebleken dat eiseressen in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Zij hebben verklaard hun asielaanvragen in Frankrijk te hebben ingetrokken. Op grond van deze informatie heeft verweerder de autoriteiten van Frankrijk op 5 juli 2017 gevraagd om eiseressen terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). De autoriteiten van Frankrijk hebben op 17 juli 2017 ingestemd om eiseressen terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.

3.1

Eiseressen zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren aan dat niet Frankrijk, maar Nederland hun asielaanvragen moet behandelen. Zij stellen dat in Frankrijk onvoldoende opvangcapaciteit is, dat de kwaliteit van de opvang onvoldoende is, hun toegang tot de asielprocedure niet gewaarborgd is en toegang tot medische voorzieningen niet gegarandeerd. Ze verwijzen naar een rapport van Asylum Information Database (AIDA) van december 2015 en een update van dat rapport van februari 2017. Eiseressen voeren aan vanwege hun medische omstandigheden bijzonder kwetsbare asielzoekers te zijn. [eiseres 1] is alleenstaand, oververmoeid en heeft pijnklachten in haar rug en benen. Zij draagt de zorg voor haar vier minderjarige kinderen, waarvan drie verstandelijk gehandicapt zijn. [eiseres 2] heeft gynaecologische klachten. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12 (www.echr.coe.int) stellen zij dat verweerder zich er in hun geval daarom van dient te vergewissen dat adequate opvang beschikbaar is. Voorts stellen eiseressen onder verwijzing naar het AIDA-rapport dat in Frankrijk geen effectief rechtsmiddel mogelijk is, omdat asielzoekers op eigen kosten een advocaat moeten inschakelen en op eigen kracht klagen bij de Franse autoriteiten illusoir is.

Eiseressen voeren verder aan dat de zoon van [eiseres 1] , respectievelijk broer van [eiseres 2] in Nederland verblijft met een asielvergunning. Volgens eiseressen is Nederland daarom op grond van artikel 9 van de Dublinverordening ook verantwoordelijk voor de behandeling van hun asielaanvragen. Het betreft een motiveringsgebrek dat verweerder ten aanzien van hun beroep op artikel 9 van de Dublinverordening in het bestreden besluit verwijst naar het voornemen, terwijl in het voornemen hier niets over opgenomen staat. Eiseressen voeren aan vanwege hun medische omstandigheden afhankelijk te zijn van de hulp van hun zoon, respectievelijk broer. Op grond van artikel 16 van de Dublinverordening dient Nederland er daarom voor te zorgen dat zij met hem worden verenigd. Tot slot doen eiseressen een beroep op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de behandeling van hun aanvragen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening wegens humanitaire gronden onverplicht aan zich te trekken.

3.2

De rechtbank overweegt dat verweerder ten opzichte van Frankrijk in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat het aan eiseressen is om aannemelijk te maken dat zich in hun geval feiten en omstandigheden voordoen waarmee de aanname wordt weerlegd dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen eerbiedigt. Slechts wanneer eiseressen hierin slagen, kan verweerder niet volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van 4 februari 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2015:411), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat ten opzichte van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

3.3

De rechtbank ziet in de door eiser aangehaalde rapporten van AIDA geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling. In de hierboven aangehaalde uitspraak van de Afdeling is – onder meer op basis van het rapport van AIDA van mei 2014 – betrokken dat het tekort aan opvangplaatsen door de Franse autoriteiten wordt onderkend en dat zij in alle departementen noodfaciliteiten hebben gecreëerd. Uit de door eiser aangehaalde rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de situatie in Frankrijk sinds deze uitspraak van de Afdeling wezenlijk is verslechterd. Weliswaar blijkt uit het rapport van AIDA van december 2015 dat Frankrijk in die verslagperiode nog steeds een tekort had aan opvangplaatsen voor asielzoekers – daaronder begrepen Dublinclaimanten – maar ook dat er verbeteringen op komst waren door de opvangcapaciteit in 2015, 2016 en 2017 uit te breiden. Uit het rapport van AIDA van februari 2017 (pagina 16) blijkt dat de opvangcapaciteit in 2016 met 8.703 plekken is uitgebreid en dat er in 2017 1.800 opvangplekken bij zullen komen. Met de omstandigheid dat hiermee nog 45% van de asielzoekers niet in reguliere opvangcentra opgevangen wordt maar in noodopvang, hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat aan hen geen opvang geboden zal worden of dat de opvang inadequaat zal zijn. Dat de opvang die eiseressen in Frankrijk hebben gehad niet adequaat was, hebben zij ook niet onderbouwd. In het verlengde van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opvangvoorzieningen in Frankrijk geen aanleiding vormen voor verweerder om de Franse autoriteiten om individuele garanties te vragen alvorens eiseressen over te dragen, zoals bedoeld in het arrest Tarakhel.

Dat toegang tot de asielprocedure voor eiseressen niet is gewaarborgd, volgt de rechtbank niet. Eiseressen hebben tijdens hun verblijf in Frankrijk een asielprocedure doorlopen en de Franse autoriteiten hebben door de acceptatie van de Dublinclaim bovendien gegarandeerd de asielaanvragen van eiseressen te behandelen. Als [eiseres 1] in Frankrijk onvoldoende begeleiding voor haar gehandicapte kinderen heeft ervaren en aan haar geen luiers voor hen werden verstrekt, had zij daarover bij de Franse autoriteiten haar beklag kunnen doen. Omdat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt om de nodige zorg van de (hogere) Franse autoriteiten te hebben verzocht, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij die zorg in Frankrijk niet zou kunnen verkrijgen. Op grond van artikel 31 en 32 van de Dublinverordening dient verweerder tijdig voor de overdracht aan Frankrijk relevante informatie over eiseressen te verstrekken, zoals medische informatie en informatie over de bijzondere zorgbehoefte van de minderjarigen, zodat de Franse autoriteiten de nodige maatregelen in dit kader kunnen nemen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er op vertrouwen dat de Franse autoriteiten het melden indien zij niet garant kunnen staan voor de door eiseressen benodigde voorzieningen.

De rechtbank begrijpt dat eiseressen graag in hetzelfde land als hun zoon, respectievelijk broer verblijven. Ten aanzien van het beroep op artikel 9 van de Dublinverordening volgt de rechtbank verweerder echter in zijn standpunt dat dit artikel niet op hun van toepassing is, nu een volwassen zoon of broer op grond van artikel 2g van de Dublinverordening niet onder de gezinsleden als bedoeld in artikel 9 valt. Verweerder heeft ter zitting erkent dat de verwijzing in het bestreden besluit naar het voornemen in dit kader niet juist was. Nu eiseressen hier ter zitting voldoende op hebben kunnen reageren, ziet de rechtbank - anders dan eiseressen betogen - hierin geen aanleiding voor een gegrond verklaring van de beroepen. Ten aanzien van het beroep op artikel 16 van de Dublinverordening heeft verweerder terecht tegengeworpen dat afhankelijkheid van de zoon/broer van eiseressen niet aannemelijk is gemaakt. Hoewel de medische omstandigheden van eiseressen goed zijn onderbouwd, heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseressen sinds hun vrijwillige vertrek uit Nederland op 21 juli 2015 tot hun terugkomst op 27 mei 2017 zonder hun zoon/broer zijn geweest en dat niet is onderbouwd dat zij hierdoor in de problemen zijn gekomen. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

4. De beroepen zijn ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.