Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
NL17.7089
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. van Luijk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.7090, plaatsgevonden op 5 september 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1985.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 3 oktober 2013 in Zwitserland, op 31 januari 2014 en 14 april 2015 in Duitsland, op 28 juni 2016 in Denemarken en op 17 oktober 2016 in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Op 29 mei 2017 heeft verweerder bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). Op 30 mei 2017 heeft Duitsland het verzoek aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.

3.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit opmerkt dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid een zienswijze in te dienen. De gemachtigde van eiser stelt de zienswijze zowel op 7 als op 8 augustus 2017 wel twaalf keer per fax te hebben aangeboden. Hij stelt dat verweerder telefonisch contact met hem had kunnen opnemen. Eiser herhaalt wat hij in zijn zienswijze had aangevoerd, te weten dat hij geen andere toekomst voor zich ziet dan in Nederland en dat verweerder hierom gebruik zou moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van zijn asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.

3.2

Voor zover eiser aanvoert dat verweerder onvoldoende zorgvuldig gehandeld heeft door zijn zienswijze niet mee te nemen in de besluitvorming, terwijl deze wel zou zijn gefaxt, ziet de rechtbank aanleiding hieraan voorbij te gaan. Gelet op de inhoud van de zienswijze is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn belangen geschaad doordat deze niet is meegenomen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen aanleiding wordt gezien toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De enkele stelling dat eiser geen andere toekomst voor zich ziet dan in Nederland, maakt niet dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft gesteld.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.