Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10457

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
NL17.7092
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland, beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.7092


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. van Luijk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.7093, plaatsgevonden op 5 september 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Soedanese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1997.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hiervoor is redengevend dat uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 11 juli 2017 heeft verweerder bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 17 juli 2017 aanvaard.

3.1

Eiser betwist niet dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij stelt echter dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in zowel de asielprocedure als de opvang. Gedurende zijn verblijf van twee jaar in Duitsland is er slechts één interview geweest en ontving hij geen juridische hulp. Daarnaast had hij een drugsverslaafde kamergenoot en is het hem niet gelukt daar verandering in te brengen. Eiser voert aan dat verweerder hierom gebruik zou moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van zijn asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.

3.2

Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft geen stukken overgelegd. Zijn stelling dat hij slechts eenmaal is gehoord, is zonder enige vorm van onderbouwing onvoldoende om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de asielprocedure in Duitsland. Dat hij tevergeefs heeft geprobeerd juridische bijstand en een andere kamergenoot te krijgen, heeft hij evenmin onderbouwd. Dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, heeft hij daarom niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft gelet op het voorgaande geen aanleiding hoeven te zien om eisers verzoek om internationale bescherming onverplicht in behandeling te nemen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.